Font size
WorksheetsSchrijf de correcte vorm van het verbum.
Total questions: 18
Worksheet time: 18mins
Wanneer ... (zijn) de winkel open?
(a)
Op maandag ... (gaan) ik naar de bibliotheek met mijn zoon.
(a)
Daar ... (lezen) we boeken.
(a)
Dinsdag ... (zwemmen) mijn zoon van 18u tot 19u.
(a)
Mijn zoon zwemt en ik ... (doen) boodschappen.
(a)
Woensdag ... (vertrekken) mijn zus en haar man op reis.
(a)
Zij ... (nemen) het vliegtuig in Zaventem.
Zij = mijn zus en haar man
(a)
Donderdagavond ... (kijken) wij naar televisie.
(a)
Het nieuws ... (beginnen) om 19u.
(a)
Vrijdagavond ... (drinken) wij een goede aperitief.
(a)
Emma ... (telefoneren) met Rachel.
(a)
Zij ... (vragen) om mee te gaan naar de Engelse les.
Zij = Emma
(a)
Emma en Rachel ... (gaan) naar het secretariaat.
(a)
Rachel ... zich ... (inschrijven) voor de cursus.
(a)
"... (willen) u ook een handboek"? Vraagt de secretaresse.
(a)
Rachel ... (kopen) het boek en ook een nieuw schrift.
(a)
De les ... (starten) op 14 september.
(a)
Rachel ... (zijn) een beetje nerveus.
(a)
