Worksheetswerkwoorden vervoegen
Total questions: 10
Worksheet time: 5mins
Name
Class
Date
1.
Hij (lopen) naar de juf.
a)
lopen
b)
loop
c)
loopt
d)
lopt
2.
Ik (gaan) naar het tweede leerjaar.
a)
gaat
b)
gaan
c)
gaa
d)
ga
3.
Louise (werken) heel goed in de klas.
a)
werkt
b)
werk
c)
werken
d)
werkten
4.
Mama en papa (vragen) wanneer ik wil eten.
a)
vraagt
b)
vraag
c)
vragen
d)
vraagen
5.
Marie (dansen) op de muziek.
a)
danst
b)
dansen
c)
dans
d)
danstt
6.
Ik (wandelen) samen met mijn hond in het park.
a)
wandelen
b)
wandel
c)
wandelt
d)
wandeld
7.
De meisjes (zingen) een liedje.
a)
zingt
b)
zingen
c)
zingten
d)
zing
8.
De juf (geven) oefeningen om te maken.
a)
geven
b)
geeft
c)
geef
d)
geevt
9.
Wij (geven) een cadeau aan Louis.
a)
geeft
b)
geef
c)
geven
d)
gaf
10.
Julie (drinken) water in de klas.
a)
drinken
b)
drinkt
c)
drink
d)
drinkten
100 %
