wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Uitscheiding bloed en nieren

Total questions: 88

Worksheet time: 2hrs 40mins

Name
Class
Date
1.

Een atleet uit Nederland traint enkele maanden in het hooggebergte. Hierna blijkt hij in Nederland tot een grotere prestatie te komen.


Welke verandering in het bloed zal mede tot deze grotere prestatie geleid hebben?

a)

een groter aantal witte bloedcellen

b)

een groter aantal rode bloedcellen

c)

een groter aantal bloedplaatjes

d)

een grotere hoeveelheid bloedplasma

2.

Bij iemand komt een afwijking van de bloedplaatjes voor, waardoor deze hun inhoud niet kunnen afgegeven.


Wat kan daarvan het gevolg zijn?

a)

het bloed stolt te snel

b)

het bloed kan niet stollen

c)

het bloed kan geen zuurstof vervoeren

d)

het bloed kan een virus niet meer aanvallen

3.

Het bloed stroomt van een kuitspier via de longen weer terug naar dezelfde kuitspier. Het bloed gaat daarbij minstens tweemaal door het hart. De weg die het bloed hierbij door het hart aflegt is achtereenvolgens:

a)

linkerkamer - linkerboezem - rechterkamer - rechterboezem

b)

linkerboezem - linkerkamer - rechterboezem - rechterkamer

c)

rechterkamer - rechterboezem - linkerkamer - linkerboezem

d)

rechterboezem - rechterkamer - linkerboezem - linkerkamer

4.

De afbeelding geeft de doorsnede van een bloedvat uit het been van een mens weer.


Is dit een beenader of beenslagader?

Vervoert dit bloedvat zuurstofarm of zuurstofrijk bloed?

a)

beenader / zuurstofarm

b)

beenslagader / zuurstofarm

c)

beenader / zuurstofrijk

d)

beenslagader / zuurstofrijk

5.

Over het hart van de mens worden twee beweringen gedaan:


1) In de wand van het hart vindt dissimilatie van glucose plaats

2) In de rechterkamer van het hart is de glucoseconcentratie in het bloed lager dan die in de linkerkamer


Welke bewering(en) is of zijn juist?

a)

Alleen bewering 1

b)

Alleen bewering 2

c)

Bewering 1 en 2

d)

Beide zijn onjuist

6.

Bekijk onderstaande stellingen:


1) Alle slagaders vervoeren zuurstofrijk bloed

2) De poortader vervoert zuurstofrijk bloed naar de darmen


Welke is/zijn juist of onjuist?

a)

Beide juist

b)

Alleen 1 is juist

c)

Alleen 2 is juist

d)

Beide onjuist

7.

Een kransslagader van de mens is een aftakking van

a)

de aorta

b)

de armslagader

c)

de halsslagader

d)

de longslagader

8.

Welke weg volgt het bloed in een vis?

a)

hart – de overige organen – kieuwen

b)

hart – kieuwen – de overige organen

c)

Hart – kieuwen – hart – de overige organen

9.

Wat is geen onderdeel van het inwendige milieu?

a)

Weefselvloeistof

b)

Slijmlaag in de longen

c)

Bloedplasma

10.

Voedsel in je darmen horen bij...

a)

Inwendig milieu

b)

Uitwendig milieu

11.

Voedingsstoffen in je bloed horen bij...

a)

Inwendig mileu

b)

Uitwendig milieu

12.

De onderdelen van de nier van buiten naar binnen zijn:

a)

Nierschors - niermerg - nierbekken

b)

Nierschors - nierbekken - niermerg

c)

Niermerg - nierbekken - nierschors

d)

Niermerg - nierschors - nierbekken

13.

Welke stof produceert de lever?

a)

Gal

b)

Maagzuur

c)

Bloedcellen

d)

Speeksel

14.

Wat hoort bij de beschrijving:

VAN inwendig milieu NAAR uitwendig milieu

a)

Uitscheiding

b)

Voedsel opnemen

c)

Reserves aanvullen

d)

Inademen

15.

Wat doen de nieren met je urine?

a)

Opslaan

b)

Uitscheiden

c)

Opnemen

16.

De lucht in je longen hoort bij het ...

a)

Inwendige milieu

b)

Uitwendige milieu

c)

Allebei

17.

Waar hoort bloed bij?

a)

Inwendig milieu

b)

Uitwendig milieu

18.

Wat krijg je ingeënt bij een vaccinatie?

a)

Dode ziekteverwekkers

b)

Zwakke ziekteverwekkers

c)

Levende ziekteverwekkers

d)

1 ziekteverwekker

19.

Hoe kan je immuun raken?

a)

Wanneer je een vaccinatie hebt gehad

b)

Wanneer je de ziekte al een keer hebt gehad

c)

Beide antwoorden zijn goed

20.

Welke organismen kan je bestrijden met antibiotica?

a)

Virussen

b)

Schimmels

c)

Bacteriën

d)

Allemaal

21.

Wat is de functie van koorts?

a)

Bacteriën er uit zweten

b)

Ziekteverwekkers kunnen dan niet goed groeien

c)

Dat krijg je als het koud is

d)

Virussen er uit zweten

22.

Welke onderdelen in het bloed treden in actie tegen ziekteverwekkers?

a)

Rode bloedcellen

b)

Bloedplaatjes

c)

Bloedplasma

d)

Witte bloedcellen

23.

Wat gebeurt er wanneer je het warm hebt?

a)

Bloedvaten worden wijder

b)

Bloedvaten worden nauwer

c)

Je krijgt kippenvel

d)

Je gaat zweten

24.

Wat is de functie van talg?

a)

De huid soepel houden

b)

Bacteriën onschadelijk maken

c)

Virussen onschadelijk maken

d)

Het heeft geen functie

25.

Waar bestaat eelt uit?

a)

Veel dode huidcellen

b)

Veel levende huidcellen

c)

Het is een dikke lederhuid

d)

Het is een dikke kiemlaag

26.

Uit welke twee lagen bestaat de opperhuid?

(a)  

27.

Welke laag van de opperhuid bestaat uit dode cellen?

a)

Onderhuids bindweefsel

b)

Lederhuid

c)

Kiemlaag

d)

Hoornlaag

28.

In welke onderdelen van de nier vindt uitscheiding plaats van water en afvalstoffen?

a)

Nierschors

b)

Nierbekken

c)

Niermerg

d)

Urineleider

29.

Via waar wordt urine uit ons lichaam vervoert?

a)

Urinebuis

b)

Urineleider

c)

Nierbekken

d)

Nierschors

30.

Welke stof produceert de lever die belangrijk is voor de bloedstolling?

a)

Fibrine

b)

Fibrinogeen

c)

Bloedplaatjes

d)

Witte bloedcellen

31.

Wat is de functie van gal?

a)

Emulgeert vetten

b)

Breekt glucose af

c)

Zorgt voor de opbouw van rode bloedcellen

d)

Maakt vetten

32.

Welke giftige stof ontstaat in de lever bij de afbraak van eiwitten?

a)

Ureum

b)

Fibrinogeen

c)

Gal

d)

Glycogeen

33.

Wat zijn de functies van de lever?

a)

Gal maken

b)

Gifstoffen afbreken

c)

Afvalstoffen afbreken

d)

Rode bloedcellen maken

34.

Hoe heet het virus dat voor een ontstoken lever kan zorgen?

(a)  

35.

Waar in ons lichaam slaan we glucose op?

a)

Alleen de lever

b)

Alleen de spieren

c)

Lever en spieren

d)

Onderhuids bindweefsel

36.

Waar slaan we in ons lichaam vet op?

a)

Onderhuids bindweefsel

b)

Lever

c)

Gele beenmerg

d)

Alle antwoorden zijn goed

37.

Waar hoort urine bij?

a)

Inwendig milieu

b)

Uitwendig milieu

38.

Waar hoort weefselvocht bij?

a)

Inwendig milieu

b)

Uitwendig milieu

39.

Een weefsel is een

a)

Groep cellen dat bij elkaar ligt

b)

Groep cellen met dezelfde vorm

c)

Groep cellen met dezelfde functie

d)

Groep cellen met dezelfde vorm en functie

40.

De bouwstenen van een organisme noemen we

a)

de celkern

b)

organen

c)

cellen

d)

weefsels

41.

In welk gedeelte van het hart is de wand het dikst?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

42.

Waar heb je last van bij een lymfe oedeem?

a)

Bloed ophoping in je haarvaten

b)

Vocht ophoping in je weefsel

c)

Vocht ophoping in je haarvaten

d)

Bloed ophoping in je weefsel

43.
Wat is JUIST als het om slagaders gaat?
a)
Er stroomt altijd zuurstofrijk bloed door.
b)
Bloed stroomt altijd van het hart af.
c)
Bloed is altijd helderrood dat hier doorheen stroomt.
d)
Je hebt er maar 4 van in je lichaam.
44.

Welk type bloedvat kenmerkt zich door het hebben van kleppen?

a)

Kransslagaders

b)

Haarvaten

c)

Slagaders

d)

Aders

45.
Waaruit bestaat bloed?
a)
Witte bloedcellen, Rode bloedcellen, Bloedplaatjes en Bloedplasma
b)
Rode bloedcellen, Bloedplaatjes, Witte Bloedcellen en Water
c)
Opgeloste stoffen, Rode Bloedcellen en Witte Bloedcellen
d)
Rode bloedcellen, Witte bloedcellen en Bloedplaatjes
46.
Rode Bloedcellen hebben een celkern en vervoeren zuurstof
a)
Juist
b)
Onjuist
47.
Witte bloedcellen hebben een celkern en kunnen van vorm veranderen
a)
Juist
b)
Onjuist
48.
Wat is etter of pus?
a)
Dode rode bloedcellen en kapotte bloedplaatjes
b)
Dode rode- en witte bloedcellen
c)
Dode witte bloedcellen en gedode bloedplaatjes
d)
Dode witte bloedcellen en gedode bacteriën
49.
Bloedvat B is een
a)
slagader
b)
ader
c)
haarvat
50.

Waar worden lymfocyten gemaakt in het lichaam?

a)

Lymfocyten worden gemaakt in de lymfeknopen en de milt

b)

Lymfocyten worden gemaakt in de lymfeknopen en de lever

c)

Lymfocyten worden gemaakt in de lever en de milt

51.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
52.

In witte bloedcellen bevindt zich hemoglobine

a)

Juist

b)

Onjuist

53.

Welke letter geeft antistof aan

a)

P

b)

Q

c)

R

54.

Welk zijn de uitscheidingsorganen?

a)

Huid, longen en lever

b)

Huid, longen en darmen

c)

Huid, longen en nier

d)

Huid, nier en lever

55.

Welke weg is juist?

a)

Nier - urineleider - urinebuis - blaas

b)

Nier - urinebuis - blaas - urineleider

c)

Nier - urineleider - blaas - urinebuis

56.

Welke drie delen kan je onderscheiden in de nier?

a)

Nierschors, niermerg en nierbekken

b)

Nierschors, nierpiramiden en nierbekken

c)

Nierschors, nierbuisje en niermerg

57.

............................. zijn herkenningspunten aan de buitenkant van een cel. Hieraan kun je een cel herkennen.

a)

Antistoffen

b)

Bacteriën

c)

Antigenen

d)

Vaccinatie

58.

Dit zijn stoffen, gemaakt door witte bloedcellen, die vast kunnen hechten aan de antigenen en zo de ziekteverwekker onschadelijk kunnen maken. Deze stoffen heten:

(a)  

59.

Elke ziekteverwekker heeft zijn eigen specifieke antigenen waar een antistof tegen wordt gemaakt.

Een antistof past dus maar op een soort antigeen.

a)

Waar

b)

Niet waar

60.

Hier zie je een type witte bloedcel aan het werk. Welk type is dit?

a)

Geheugencel

b)

Witte bloedcel die antistoffen maakt

c)

Vreetcel

d)

Bloedplaatje

61.

Als er antistoffen zijn gemaakt, onthouden deze cellen de antistoffen, zodat als de ziekteverwekker nog eens binnendringt, deze meteen kan worden vernietigd.

a)

Geheugencel

b)

Rode bloedcel

c)

Vreetcel

d)

Bloedplaatje

62.

Door de geheugencellen word je niet meer ziek als je de ziekteverwekker nog eens binnen krijgt. Je lichaam heeft al antistoffen, doordat je ziek bent geweest. Je noemt dat ook wel dat je (a)   bent tegen de ziekte.

63.

Wat wordt er bij een inenting in je lichaam gespoten?

a)

Een sterke versie van de ziekteverwekker

b)

Een antistof tegen de ziekteverwekker

c)

Antigenen tegen de ziekteverwekker

d)

Een verzwakte versie van de ziekteverwekker

64.

Na een inenting(vaccin) gaat je lichaam....

a)

Antigenen maken

b)

Antistoffen maken

c)

Vreetcellen maken

65.

Als je na een inenting (vaccin) een keer het 'echte' virus binnenkrijgt, kan jouw immuunsysteem de ziekte herkennen en snel tegen het virus vechten. Daardoor word je niet/nauwelijks ziek als je het virus binnenkrijgt. Je bent immuun tegen de ziekte.

Welke cel is hiervoor verantwoordelijk?

a)

Geheugencel

b)

Rode bloedcel

c)

Vreetcel

d)

Bloedplaatje

66.

Natuurlijk immuniteit is...

a)

wanneer je natuurlijke antistoffen ingespoten krijgt

b)

wanneer je kunstmatige antistoffen ingespoten krijgt

c)

wanneer je zelf natuurlijke antistoffen maakt

d)

wanneer je zelf kunstmatige antistoffen maakt

67.

Kunstmatige immuniteit is...

a)

...als je een vaccin toegediend krijgt

b)

...als je witte bloedcellen ingespoten krijgt

c)

...als jouw lichaam zelf antistoffen aanmaakt na een vaccinatie

d)

... als jouw lichaam zelf antigenen aanmaakt na een vaccinatie

68.

Door een vaccin word je net zo ziek als door de echte ziekte

a)

Waar, je lichaam reageert hetzelfde als op de echte ziekte

b)

Niet waar, je wordt minder ziek

69.

Welke antistoffen heeft een persoon met bloedgroep A positief in zijn bloed zitten?

a)

antistof A en resusantistof

b)

antistof B en resusantistof

c)

antistof A en antistof B

d)

antistof B

70.

Welke bloedgroep is de algemene ontvanger?

a)

A

b)

B

c)

AB

d)

O

71.

Welke bloedgroep is de algemene donor?

a)

A

b)

B

c)

AB

d)

O

72.

Welke antigenen heeft iemand met bloedgroep AB op zijn cellen?

a)

geen antigenen

b)

antigeen a

c)

antigeen a en antigeen b

d)

antigeen b

73.

Welke onderdelen van het bloed vind je terug in een korstje van een bloedstolsel?

a)

Rode bloedcellen en bloedplaatjes

b)

Witte bloedcellen en bloedplaatjes

c)

Bloedplaatjes en bloedplasma

d)

Rode bloedcellen en bloedplasma

74.

Wat is de functies van de bloedplaatjes?

a)

Zuurstoftransport

b)

afweer

c)

bloedstolling

d)

kleur aan bloed geven

75.

Er is een risico op klontering als bij een zwangerschap de moeder resus ..... is.

a)

positief

b)

negatief

76.

Wat bepaalt een bloedgroep?

a)

De antigenen op de witte bloedcellen

b)

De antigenen op de rode bloedcellen

c)

De antistoffen die je aanmaakt

d)

De antistoffen op de rode bloedcellen

77.

Wat gebeurt er als je de verkeerde bloedgroep krijgt bij een transfusie?

a)

Niks

b)

Rode bloedcellen klonteren

c)

Rode bloedcellen barsten

d)

Witte bloedcellen klonteren

78.

Welke bloedgroepen kan je toedienen bij iemand met bloedgroep A+ (meerdere juiste antwoorden!)

a)

B+

b)

AB+

c)

A-

d)

A+

e)

O+

79.

Welke antigenen heeft iemand met bloedgroep AB op zijn cellen?

a)

geen antigenen

b)

antigeen a

c)

antigeen a en antigeen b

d)

antigeen b

80.

Welke bloedgroep is de algemene donor?

a)

A

b)

B

c)

AB

d)

O

81.

Welke antistoffen heeft een persoon met bloedgroep A positief in zijn bloed zitten?

a)

antistof A en resusantistof

b)

antistof B en resusantistof

c)

antistof A en antistof B

d)

antistof B

82.

Waarom kan bloedgroep O aan iedereen doneren?

a)

Dat kan niet

b)

De antistoffen worden uit het donorbloed gehaald en O heeft geen antigenen

c)

De antistoffen in bloedgroep O zijn minder dan in andere bloedgroepen en kunnen daarom worden genegeerd

d)

De antigenen van bloedgroep O kunnen tegen de antigenen van de andere bloedgroepen

83.

Een slachtoffer heeft bloedgroep A. Wat voor donorbloed kan deze persoon ontvangen?

a)
Bloedgroep 0
b)
Bloedgroep B
c)
Bloedgroep AB
84.
Op deze rode bloedcel zitten twee verschillende antigenen. Welke bloedgroep is dit?
a)
A
b)
B
c)
AB
d)
O
85.
Op het celmembraan van de rode bloedcel van iemand met bloedgroep A bevindt zich: 
a)
Antistof A
b)
Antistof B
c)
Antigeen A
d)
Antigeen B
86.

Iemand heeft bloedgroep O-. Van wie kan deze persoon bloed ontvangen?

a)

Alleen O-

b)

Zowel O- als O+

c)

A-, B-, AB- en O-

d)

Zowel van AB- en O-

87.

Iemand heeft bloedgroep AB+. Aan wie kan hij / zij bloed geven?

a)

Aan O- en AB+

b)

Aan AB+ en O+

c)

Aan AB+

d)

Aan O+

88.

Iemand heeft bloedgroep O-. Van wie kan deze persoon bloed ontvangen?

a)

Alleen O-

b)

Zowel O- als O+

c)

A-, B-, AB- en O-

d)

Zowel van AB- en O-