wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Begrippen Amsterdam deel 2

Total questions: 23

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Welk woord past het best bij het plaatje?

a)

de hoogbouw

b)

het monument

c)

het portiek

d)

de galerij

2.

de bovenwoning

a)

een woning in een deel van een gebouw, bijvoorbeeld in een flat.

b)

een woning die niet op de begane grond ligt.

c)

een huis dat geschikt is voor een gezin.

d)

een gebouw waar lange tijd niemand woont of werkt.

3.

de buitenwijk

a)

waar verschillende landen mee te maken hebben.

b)

grachten die in een 1/2 cirkel om het centrum liggen.

c)

parken en plantsoenen in een woonwijk.

d)

een wijk aan de rand van een dorp of stad.

4.

de criminaliteit

a)

het plegen van misdaden.

b)

aan de politie vertellen dat er een misdaad is geweest.

c)

het kopen van spullen waarvan je weet dat ze gestolen zijn.

d)

hinder, je hebt ergens last van.

5.

de cultuur

a)

de manier waarop een volk leeft.

b)

het land waar je bij hoort.

c)

plaats of land waar iemand is geboren.

d)

oorspronkelijk, zoals het vroeger was.

6.

de eengezinswoning

a)

een huis dat geschikt is voor een gezin.

b)

een woning in een deel van een gebouw.

c)

een woning die niet op de begane grond is.

d)

flats.

7.

de aangifte

a)

een de politie vertellen dat er een misdaad is geweest.

b)

het kopen van spullen waarvan je weet dat ze gestolen zijn.

c)

de overdekte ingang van een gebouw.

d)

de voorkant van een gebouw.

8.

de afkomst

a)

plaats of land waar iemand is geboren.

b)

met heel veel tegelijk.

c)

oorspronkelijk, hoe het vroeger was.

d)

het land waar je bij hoort.

9.

de galerij

a)

de gang langs een gebouw waarop alle voordeuren uitkomen.

b)

de overdekte ingang van een gebouw.

c)

een woning die niet op de begane grond ligt.

d)

een wijk aan de rand van een dorp of stad.

10.

de groenvoorziening

a)

parken en plantsoenen in een woonwijk.

b)

gebouwen waar lange tijd niemand heeft gewoond.

c)

een oud, bijzonder gebouw dat beschermd is.

d)

een wijk aan de rand van een dorp of stad.

11.

heling

a)

het kopen van spullen waarvan je weet dat ze gestolen zijn.

b)

aan de politie vertellen dat er een misdaad is geweest.

c)

het plegen van misdaden.

d)

hinder, je hebt ergens last van.

12.

de leegstand

a)

gebouwen waar lange tijd niemand woont of werkt.

b)

hinder, je hebt ergens last van.

c)

de voorkant van een gebouw.

d)

de overdekte ingang van een gebouw.

13.

massaal

a)

met heel veel tegelijk.

b)

met veel lawaai.

c)

van een land.

d)

groot en deftig.

14.

multicultureel

a)

met meer culturen.

b)

met veel lawaai.

c)

van vroeger.

d)

waar verschillende landen mee te maken hebben.

15.

de nationaliteit

a)

het land waar je bij hoort.

b)

een oud bijzonder gebouw, dat beschermd is.

c)

de taal die mensen spreken in een streek.

d)

van een land.

16.

de overlast

a)

hinder, je hebt ergens last van.

b)

beweeglijk, druk en opgewekt.

c)

van vroeger.

d)

met heel veel tegelijk.

17.

het portiek

a)

de overdekte ingang van een gebouw.

b)

een woning die niet op de begane grond ligt.

c)

flats.

d)

een huis dat geschikt is voor een gezin.

18.

preventief

a)

bedoeld om iets naars te voorkomen.

b)

met veel lawaai.

c)

beweeglijk, druk en opgewekt.

d)

modern, van nu.

19.

rumoerig

a)

met veel lawaai.

b)

groot en deftig.

c)

met meer culturen.

d)

van vroeger.

20.

Welk woord past het beste bij het plaatje?

a)

leegstand

b)

de cultuur

c)

het tarief

d)

het dialect

21.

Welk woord past het beste bij het plaatje?

a)

galerij

b)

het portiek

c)

de overlast

d)

de groenvoorziening

22.

Welk woord past het beste bij het plaatje?

a)

met heel veel tegelijk.

b)

met meer culturen.

c)

van een land.

d)

meer dan honderd jaar oud.

23.

Welk woord past het beste bij het plaatje?

a)

criminaliteit

b)

leegstand

c)

preventief

d)

afkomst