wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhalingsquiz M3

Total questions: 48

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Welke woorden in deze zin horen bij het werkwoordelijk gezegde?

Dirk Bracke heeft veel boeken geschreven.

(a)  

2.

Heeft deze zin een naamwoordelijk of een werkwoordelijk gezegde?

Ik wil later fotograaf worden!

a)

naamwoordelijk gezegde

b)

werkwoordelijk gezegde

c)

Goed geprobeerd... Geen één van de twee!

3.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

Heb je mijn boek gezien?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

hoofdtelwoord

d)

rangtelwoord

e)

wederkerend voornaamwoord

4.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

Heb je mijn boek gezien?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

hoofdtelwoord

d)

rangtelwoord

e)

wederkerend voornaamwoord

5.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

Heb je mijn boek gezien?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

hoofdtelwoord

d)

rangtelwoord

e)

wederkerend voornaamwoord

6.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

Hij heeft zich vergist.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

hoofdtelwoord

d)

rangtelwoord

e)

wederkerend voornaamwoord

7.

Hoeveel pv's staan er in een enkelvoudige zin? 

a)

minstens 2

b)

geen

c)

meer dan 2

d)

1

8.

Hoeveel pv's staan er in een samengestelde zin? 

a)

minstens 2

b)

geen

c)

meer dan 2 mogelijk

d)

1

9.

Is onderstaande zin een enkelvoudige of een samengestelde zin? 

Voor ik ga slapen, drink ik nog een glas melk. 

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

10.

Is onderstaande zin een enkelvoudige of een samengestelde zin? 

Als we naar huis fietsen, drinken we vaak een blikje frisdrank. 

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

11.

Is onderstaande zin een enkelvoudige of een samengestelde zin? 

Mijn favoriet ontbijt bestaat uit vers fruit, yoghurt en havermout.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

12.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


We gaan volgende week op vakantie, ........ oma die week geopereerd wordt.

a)

tenzij

b)

omdat

c)

zodra

d)

dus

13.

Wat is het voegwoord in deze samengestelde zin?

Ze doet dit omdat ze sterk en krachtig wil overkomen.

(a)  

14.

Wat is de juiste officiële afkorting van 'bijvoorbeeld'?

a)

bvb.

b)

b.v.b.

c)

bv.

d)

bv

15.

Noteer het voltooid deelwoord.

In Nederland wordt vaker ........(pinnen).

a)

gepint

b)

gepind

16.

Gisteren heb ik de deur om tien uur.......(sluiten).

a)

gesluit

b)

gesluiten

c)

gesloot

d)

gesloten

17.

Heb je de kratjes ..........(opstapelen)?

a)

geopstapeld

b)

opgestapeld

c)

opgestapelt

d)

geopstapelt

18.

Heb je haar een kaartje.......(sturen)?

a)

gestuurt

b)

gestuurd

19.

Vul het correcte werkwoord aan.

Jij hebt je voor niets ... (opjagen).

(a)  

20.

Vul het correcte werkwoord aan.

Ik ben in het water ... (plonzen) .

(a)  

21.

Vul het correcte werkwoord aan.

Hij heeft het fruit tot een drankje ... (mixen) .

(a)  

22.

Vul het correcte werkwoord aan.

Ik heb ... (proberen) om mijn achtervolger af te schudden.

(a)  

23.

Wat zijn de beste synoniemen hieronder voor 'informeel'?

a)

onbeleefd, ruw

b)

dialect, streektaal

c)

ongedwongen, vertrouwelijk

d)

ongepast, grof

24.

Wat zijn de beste synoniemen hieronder voor 'formeel'?

a)

geforceerd,

kunstmatig

b)

beleefd, netjes

c)

officieel, afstandelijk

d)

ouderwets, oudbollig

25.

formele taal

a)

gebruik je tegenover vreemden, ouderen, meerderen...

b)

gebruik je tegenover vrienden, leeftijdsgenoten, familie,...

26.
Wat is een homoniem? 
a)
Twee woorden die je hetzelfde schrijft maar iets anders betekenen.
b)
Twee woorden die je anders schrijft maar hetzelfde betekenen. 
c)
Twee woorden die je anders schrijft maar wel veel op elkaar lijken.
27.

Vul de o.v.t. in:

Gisteren (leiden) hij een groep toeristen uit Hongkong rond.

(a)  

28.

Vul de o.v.t. in:

Hij (sparen) al zijn zakgeld voor zijn droomauto.

(a)  

29.

Vul de o.v.t. in:

Ik (zwemmen) vanmorgen in zee.

(a)  

30.

Vul de o.v.t. in:

De dierenarts (doden) het gewonde dier onmiddellijk.

(a)  

31.

Vul de o.v.t. in:

Ik (verwonden) me aan de omheining.

(a)  

32.

Vul de o.v.t. in:

Het (lijken) erop dat hij loog.

(a)  

33.

Vul de o.v.t. in (enkelvoud):

Ze (praten) voortdurend over Lucas.

(a)  

34.

Vul de o.v.t. in:

Hoeveel (vragen) je voor dat schilderij?

(a)  

35.

Vul de o.v.t. in:

Veel dappere mensen (houden) joden verborgen in hun kelder of op hun zolder.

(a)  

36.

Vul de o.v.t. in (meervoud):

Zij (riskeren) daarmee ook hun eigen leven.

(a)  

37.

Heb je een probleem?

Dit is een ...

a)

vraagwoordvraag

b)

ja-neevraag

c)

meerkeuzevraag

d)

meervoudige vraag

38.

Wie heeft dat gedaan?

Dit is een ...

a)

vraagwoordvraag

b)

ja-neevraag

c)

meerkeuzevraag

d)

meervoudige vraag

39.

Kan je die vraag beantwoorden en die woorden markeren?

Dit is een ...

a)

vraagwoordvraag

b)

ja-neevraag

c)

meerkeuzevraag

d)

meervoudige vraag

40.

Welke stad wordt ook wel de lichtstad genoemd?

a) Rome b) Parijs c) Brussel d) Londen

Dit is een ...

a)

vraagwoordvraag

b)

ja-neevraag

c)

meerkeuzevraag

d)

meervoudige vraag

41.

Welke tekststructuur drukken de onderstreepte signaalwoorden uit in bijgevoegde zin: 'Ik heb er ten eerste geen zin in en ten tweede geen tijd voor.'

a)

chronologische tekststructuur

b)

opsommende tekststructuur

c)

vergelijkende tekststructuur

42.

Welk tekststructuur drukken de onderstreepte signaalwoord uit in bijgevoegde zin:'Ik kan je vraag pas beantwoorden wanneer ik weer in België ben.'

a)

chronologische tekststructuur

b)

opsommende tekststructuur

c)

vergelijkende tekststructuur

43.

Welke woorden zijn signaalwoorden?

a)

jullie

b)

nadat

c)

als

d)

boek

e)

tot slot

44.

Welke signaalwoorden duiden op een tekststructuur met een chronologie (tijd)?

a)

tenzij

b)

toen

c)

nadat

d)

tot slot

e)

maar

45.

Van welke tekststructuur is sprake in de volgende zin?

Ik ga straks eerst naar huis, dan ga ik mijn huiswerk maken en daarna ga ik tv-kijken.

a)

Opsommend

b)

Chronologisch

c)

Vergelijkend

46.

Van welke tekststructuur is er sprake in de volgende zin?

Net als zij heeft hij jarenlang in het buitenland gewoond.

a)

Vergelijkend

b)

Chronologisch

c)

Opsommend

47.

Bij welk tekstverband of tekststructuur hoort het signaalwoord 'bovendien'?

a)

Opsommend

b)

Vergelijkend

c)

Chronologisch

48.

Bij welk tekstverband of tekststructuur hoort het signaalwoord 'vervolgens'?

a)

Opsommend

b)

Chronologisch

c)

Vergelijkend