wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4V H6+7 Toetsvb.

Total questions: 8

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

In de afbeelding is een taxonomische indeling weergegeven waarin de families van de hazen en konijnen (Leporidae) en fluithazen (Ochotonidae) zichtbaar zijn.

Welke van de onderstaande soorten zijn het meest verwant?

a)

De Europese veldhaas en het wild konijn

b)

Het wild konijn en het dwergkonijn

c)

De dwergfluithaas en het dwergkonijn

d)

De Europese veldhaas en de poolhaas

2.

Een halofyt is een plant die kan groeien in bodems met een hoog zoutgehalte, zoals kwelders en kustduinen. De echte halofyten, bijvoorbeeld zeealsem (Artemisia maritima) slaan het zout op in het grondplasma.

1) Is het zoutgehalte een abiotische of biotische factor?

2) Heeft zeealsem een lage of hoge tolerantie voor zout?

a)

1) Abiotische factor

2) Hoge tolerantie

b)

1) Abiotische factor

2) Lage tolerantie

c)

1) Biotische factor

2) Hoge tolerantie

d)

1) Biotische factor

2) Lage tolerantie

3.

De kauw (Corvus monedula) komt voor in Nederland en eet insecten uit de vacht van geiten. De geelsnavelossenpikker (Buphagus africanus) komt voor in Afrika en eet insecten uit de vacht van giraffen. De ossenpikkers maken opzettelijk wondjes om er bloed uit te drinken.

Hebben de kauw en de geelsnavelossenpikker dezelfde habitat? En dezelfde niche?

a)

Zowel dezelfde habitat als dezelfde niche.

b)

Alleen dezelfde habitat.

c)

Alleen dezelfde niche.

d)

Niet dezelfde habitat en ook niet dezelfde niche.

4.

De relatie tussen ossenpikker en giraf wordt vaak omschreven als een voorbeeld van mutualisme.

Welke term past beter? Licht je antwoord toe.

(a)  

5.

Roos wil de populatiegrootte van de bastaardkikker in een grote poel bepalen. Ze vangt 20 kikkers. Deze kikkers krijgen een elastisch ringetje om een poot, waarna ze de kikkers weer vrij laat. Na een week vangt ze opnieuw 16 kikkers. Daarvan blijken er 5 geringd te zijn.

Bereken de populatiegrootte van de bastaardkikker in de poel.

a)

20

b)

64

c)

44

d)

48

6.

Van enkele fossielen zijn de volgende eigenschappen bekend:

Fossiel I komt in kleine hoeveelheden in enkele oppervlakkige aardlagen voor.

Fossiel II komt in kleine hoeveelheden in meerdere aardlagen voor.

Fossiel III komt in grote hoeveelheden in één dieper liggende aardlaag voor.

Fossiel IV komt in grote hoeveelheden in meerdere aardlagen voor.

Welk fossiel kunnen onderzoekers gebruiken als gidsfossiel?

a)

Fossiel I

b)

Fossiel II

c)

Fossiel III

d)

Fossiel IV

7.

Tijdens een veldwerkonderzoek op de Veluwe in de maand juni bestuderen leerlingen een aantal individuen van een populatie Dagpauwogen.

Na het bekijken van de vlinders komen ze tot de conclusie dat het percentage heterozygoten voor een bepaalde eigenschap 42% is.

Wat zal de frequentie van het recessieve gen in deze populatie zijn?

a)

0.09

b)

0.3

c)

0.49

d)

0.7

e)

Dat is met deze gegevens niet te bepalen

8.

Ook hebben de leerlingen de konijnen populatie bekeken. In de populatie heeft 20% een vlekkenpatroon, de rest is effen. Het allel voor een effen vacht is dominant.

Wat is het percentage heterozygoot effen konijnen in de populatie?

a)

0.3

b)

0.55

c)

0.5

d)

0.45

e)

Dat is met deze gegevens niet te bepalen