wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Verloskunde en JGZ (thema 1 zwangerschap t/m bevruchting)

Total questions: 61

Worksheet time: 35mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de Latijnse benaming voor schede?

a)

Vagina

b)

Cervix uteri

c)

Uterus

d)

Ovaria

e)

Urethra

2.

Wat is de Latijnse benaming voor baarmoederhals?

a)

Vagina

b)

Cervix uteri

c)

Uterus

d)

Ovaria

e)

Urethra

3.

Wat is de Latijnse benaming voor baarmoeder?

a)

Vagina

b)

Cervix uteri

c)

Uterus

d)

Ovaria

e)

Urethra

4.

Wat is de Latijnse benaming voor baarmoederlichaam?

a)

Corpus uteri

b)

Cervix uteri

c)

Uterus

d)

Ovaria

e)

Urethra

5.

Wat is de Latijnse benaming voor de spierlaag van de baarmoeder?

a)

Myometrium

b)

Endometrium

c)

Perimetrium

6.

Wat is de Latijnse benaming voor het baarmoederslijmvlies?

a)

Myometrium

b)

Endometrium

c)

Perimetrium

7.

Wat is de Latijnse benaming voor het buikvlies dat om de baarmoeder heen ligt?

a)

Myometrium

b)

Endometrium

c)

Perimetrium

8.

Wat is de Latijnse benaming voor eileider?

a)

Corpus uteri

b)

Cervix uteri

c)

Tubae

d)

Ovaria

e)

Salpingen

9.

Wat is de Latijnse benaming voor eierstokken?

a)

Mammae

b)

Cervix uteri

c)

Tubae

d)

Ovaria

e)

Salpingen

10.

Wat is de Latijnse benaming voor borsten?

a)

Mammae

b)

Cervix uteri

c)

Tubae

d)

Ovaria

e)

Salpingen

11.

Wat is de Latijnse benaming voor vagina opening?

a)

Introitus

b)

Labia majora

c)

Labia minora

d)

Clitoris

e)

Mons pubis

12.

Wat is de Latijnse benaming voor grote schaamlippen?

a)

Introitus

b)

Labia majora

c)

Labia minora

d)

Clitoris

e)

Mons pubis

13.

Wat is de Latijnse benaming voor kleine schaamlippen?

a)

Introitus

b)

Labia majora

c)

Labia minora

d)

Clitoris

e)

Mons pubis

14.

Wat is de Latijnse benaming voor kittelaar?

a)

Introitus

b)

Labia majora

c)

Labia minora

d)

Clitoris

e)

Mons pubis

15.

Wat is de Latijnse benaming voor venusheuvel?

a)

Introitus

b)

Labia majora

c)

Labia minora

d)

Clitoris

e)

Mons pubis

16.

Wat is de Latijnse benaming voor bilnaad?

a)

Introitus

b)

Labia majora

c)

Labia minora

d)

Clitoris

e)

Perineum

17.

Wat zijn de algemene functies van de geslachtsorganen?

a)

Productie van geslachts-hormonen

b)

Seksuele functie

c)

Productie van voortplantings-cellen

d)

Transport van voortplantings-cellen

e)

Ontwikkeling van voortplantings-cellen

18.

Welke hormonen produceren de geslachtsklieren?

a)

Oestrogeen

b)

Progesteron

c)

Androgeen

d)

Testosteron

e)

HCG en HPL

19.

De baarmoeder ligt tussen het rectum en de blaas in.

a)

Waar

b)

Niet waar

20.

De baarmoeder ligt voor het rectum en de blaas.

a)

Waar

b)

Niet waar

21.

Welke uitwisseling vind via de placenta plaats tussen het embryo en moeder?

a)

Uitwisseling van voedingsstoffen

b)

Uitwisseling van gassen (zoals zuurstof)

c)

Uitwisseling van afvalstoffen

d)

Uitwisseling van bloed

22.

Welke hormonen produceert de placenta?

a)

Androgeen

b)

Oestrogeen

c)

Progesteron

d)

HCG

e)

HPL

23.

Welk hormoon past bij de volgende omschrijving?

Stimuleert de groei van de baarmoeder, melkklieren en de ontwikkeling van bloedvaten.

a)

Androgeen

b)

Oestrogeen

c)

Progesteron

d)

HCG

e)

HPL

24.

Welk hormoon past bij de volgende omschrijving?

Voorkomt het samentrekken van de baarmoeder. Aan het einde neemt de productie af, waardoor de baarmoeder wel samen kan trekken.

a)

Androgeen

b)

Oestrogeen

c)

Progesteron

d)

HCG

e)

HPL

25.

Welk hormoon past bij de volgende omschrijving?

Voorkomt uitstoting van de vrucht. Remt het hormoon prolactine, zolang het hormoon ...... aanwezig is is er hierdoor geen/weinig productie van borstvoeding.

a)

Androgeen

b)

Oestrogeen

c)

Progesteron

d)

HCG

e)

HPL

26.

Welke functies heeft de placenta?

a)

Hormoon-productie

b)

Transportfunctie

c)

Barrièrefunctie

27.

Waarom heeft een foetus een ander soort hemoglobine (Hbf)

a)

Hbf onttrekt gemakkelijker zuurstof

b)

De lever is nog niet ontwikkeld waardoor er geen Hb aangemaakt kan worden

c)

Hbf stoot gemakkelijker afvalstoffen af

28.

De placenta wordt aangemaakt door ............

a)

De moeder

b)

De vader

c)

Het kind

29.

Het vruchtwater beschermd het embryo tegen uitdroging.

a)

Juist

b)

Onjuist

30.

Het vruchtwater heeft een constante tempratuur.

a)

Juist

b)

Onjuist

31.

De vruchtvliezen beschermen het embryo tegen schadelijke stoffen, infectie en zorgen ervoor dat er vruchtwater uit de baarmoeder kan lekken.

a)

Juist

b)

Onjuist

32.

Welke factoren dragen bij aan het breken van de vruchtvliezen?

a)

Hormonen

b)

Weeën

c)

Gewicht van de baby

d)

Enzymen

e)

Melaena

33.

Welke functies heeft het vruchtwater?

a)

Beweging mogelijk maken

b)

Ontwikkeling van longen, maagdarmstelsel, en het nierstelsel

c)

Bescherming van contracties en trauma

d)

Het embryo voorzien van voedingsstoffen

34.

Tot de 20ste week is het vruchtwater licht geel van kleur. Dit komt door de aanwezigheid van ..................

a)

Bilirubine

b)

Melaena

c)

Foetaal hemoglobine

d)

Aminozuren

e)

Hormonen

35.

De vruchtvliezen bestaan uit het ..................

a)

Foetale vlies

b)

Moederlijk vlies

c)

Chorionvlies

d)

Amnionvlies

36.

Bij welk vruchtvlies pas de volgende omschrijving?

Het buitenste vlies, welke tegen de uteruswand aan ligt. Het is ruw en niet doorschijnend.

a)

Chorionvlies

b)

Amnionvlies

37.

Bij welk vruchtvlies pas de volgende omschrijving?

Het binnenste vlies, welke glad en doorschijnend is.

a)

Chorionvlies

b)

Amnionvlies

38.

Er lopen 2 arteriën door de navelstreng. Deze vervoeren zuurstofarm en afvalstoffen af.

a)

Juist

b)

Onjuist

39.

Er loopt 1 vene door de navelstreng welke zuurstofrijk en voedingstoffen aanvoert.

a)

Juist

b)

Onjuist

40.

Wat beschermd de bloedvaten in de navelstreng?

a)

De gelei van Wharton

b)

De gelei van Wernicke

c)

Liquor

d)

Het chorion- en amnionvlies

41.

De menstruele cyclus bestaat uit 3 fases.

a)

Juist

b)

Onjuist

42.

De eerste fase ven de menstruele cyclus is de menstruele fase. Wat gebeurt er tijdens deze fase?

a)

Niet meer functioneren van het gele lichaam

b)

Lage oestrogeen en progesteron spiegel

c)

Afstoten van het endometrium

d)

Hypofyse produceeert FSH en LH

e)

Rijping van de follikel in de ovaria

43.

De tweede fase van de menstruele cyclus is de proliferatie/follikel/oestrogeen fase. Wat gebeurt er tijdens deze fase?

a)

Proliferatie van het endometrium

b)

Lage oestrogeen en progesteron spiegel

c)

Afstoten van het endometrium

d)

Hypofyse produceeert FSH en LH

e)

Rijping van de follikel in de ovaria

44.

De derde fase van de menstruele cyclus is de ovulatiefase. Wat gebeurt er tijdens deze fase?

a)

Proliferatie van het endometrium

b)

Cervixslijm is overvloedig en gastvrij voor zaadcellen

c)

Barsten van de follikel (eisprong)

d)

Productie van luteïniserend hormoon door maximale oestrogeen spiegel

e)

Rijping van de follikel in de ovaria

45.

De vierde fase van de menstruele cyclus is de secretie, corpus luteum, progesteron fase. Wat gebeurt er tijdens deze fase?

a)

De FSH en LH spiegels dalen door progesteron

b)

Cervixslijm is troebel, taai en niet doorlaatbaar voor zaadcellen

c)

Barsten van de follikel (eisprong)

d)

Productie van luteïniserend hormoon door maximale oestrogeen spiegel

e)

Het gele lichaam produceert progesteron

46.

Oestrogeen zorgt ervoor dat het slijmvlies van de baarmoeder zich verdikt en omvormt tot de ideale leefomgeving voor een eventuele bevruchte eicel.

a)

Juist

b)

Onjuist

47.

Progesteron houdt de vagina soepel en stimuleert de aanmaak van slijmvlies in de baarmoederhals.

a)

Juist

b)

Onjuist

48.

De hormonen FSH en LH stimuleren de eierstokken en het gele lichaam om progesteron aan te maken.

a)

Juist

b)

Onjuist

49.

Progesteron zorgt ervoor dat het baarmoederslijmvlies zich voorbereid op eventuele innesteling van een bevruchte eicel. Daarnaast remt progesteron FSH en LH.

a)

Juist

b)

Onjuist

50.

Het gele lichaam (Corpus luteum) maakt 2 hormonen aan welke zijn dit?

a)

Oestrogeen

b)

Folikel stimulerens hormoon (FSH

c)

Progesteron

d)

Luteïniserend hormoon (LH

e)

Androsteron

51.

Het hypofyse maakt 2 hormonen aan welke zijn dit?

a)

Oestrogeen

b)

Folikel stimulerens hormoon (FSH

c)

Progesteron

d)

Luteïniserend hormoon (LH

e)

Androsteron

52.

Conceptie betekent:

a)

Bevruchting

b)

Afstoten van het baarmoeder-slijmvlies

c)

Daling van hormonen

d)

Innesteling van de eicel

53.

Rond de eisprong ben je het meest vruchtbaar. Deze vind gemiddeld rond dag ...... plaats.

a)

10

b)

12

c)

14

d)

16

e)

18

54.

Waar vind de bevruchting van de eicel plaats?

a)

In de ovaria

b)

In de tubae

c)

In de uterus

d)

In de cervix uteri

55.

Wanneer er geen bevruchting plaats vind gaat het corppus luteum ten gronde. Hierdoor produceert het geen ....... en ....... meer waardoor er uiteindelijk menstruatie plaats vind.

a)

Oestrogeen

b)

Progesteron

c)

FSH

d)

LH

e)

Androgeen

56.

Een klievingsdeling is een deling .....................

a)

Zonder groei

b)

Waarin de cellen zich vermedigvuldigen

c)

6x zo groot worden

d)

10x zo groot worden

e)

Waarin cellen zich van elkaar splijten

57.

Hoelang duurt het gemiddeld voordat de bevruchte cel van de eileider de uterusholte in komt?

a)

Ongeveer 1 dag

b)

Ongeveer 2 dagen

c)

Ongeveer 4 dagen

d)

Ongeveer 5 dagen

e)

Ongeveer 10 dagen

58.

Welke term past het best bij de volgende omschrijving?

Een bevruchte eicel.

a)

Zygote

b)

Embryo

c)

Foetus

59.

Welke term past het best bij de volgende omschrijving?

Het ongeboren kind gedurende de eerste 8 weken na de conceptie.

a)

Zygote

b)

Embryo

c)

Foetus

60.

Welke term past het best bij de volgende omschrijving?

Het ongeboren kind tussen de embryonale fase en de geboorte.

a)

Zygote

b)

Embryo

c)

Foetus

61.

Indien het vruchtwater groen/bruin van kleur is kan dit duiden op ..........

a)

Poep (meconium)

b)

Een bloeding

c)

Afgestorven embryo

d)

Verhoogd bilirubine gehalte