wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H3.1 & H3.2 Nova Nask B1HVG

Total questions: 26

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Een thermometer meet:

a)

hoe warm het aanvoelt

b)

de temperatuur van de omgeving

2.

Waar kun je het beste de luchttemperatuur meten?

a)

in de zon

b)

dicht bij de grond

c)

1,5 m boven de grond, in een wit geschilderd kastje

d)

1,5 km boven de grond

3.

Hoe wordt de luchttemperatuur door weerkundigen gemeten?

a)

1,5 meter boven de grond, in een wit geschilderd kastje waar de lucht niet doorheen kan waaien

b)

1,5 meter boven de grond, in een wit geschilderd kastje waar de lucht wel doorheen kan waaien

c)

1,5 kilometer boven de grond, in een wit geschilderd kastje waar de lucht niet doorheen kan waaien

d)

1,5 kilometer boven de grond, in een wit geschilderd kastje waar de lucht wel doorheen kan waaien

4.

Vul in.

Als de temperatuur stijgt, zet de vloeistof in de (a)   van de thermometer uit.

5.

In de afbeelding wordt met de pijl aangegeven:

a)

stijgbuis

b)

reservoir

c)

schaalverdeling

6.

Hoe wordt een vloeistofthermometer afgelezen?

a)

Je kijkt waar de vloeistof begint. Dit punt vergelijk je met het cijfer op de stijgbuis.

b)

Je kijkt waar de vloeistof begint. Dit punt vergelijk je met het cijfer op het reservoir.

c)

Je kijkt waar de vloeistof eindigt. Dit punt vergelijk je met het cijfer op de schaalverdeling.

d)

Je kijkt waar de vloeistof eindigt. Dit punt vergelijk je met het cijfer op het reservoir.

7.

Wat is de Celsiusschaal?

a)

een schaal om aan te geven hoe hoog de vloeistof in de stijgbuis kan komen

b)

een schaalverdeling in graden Celsius die wordt gebruikt op thermometers

c)

een schaal om te bepalen of het koud is

d)

een schaalverdeling die het temperatuurverschil aangeeft

8.

Wat is graden Celsius?

a)

een schaalverdeling die wordt gebruikt op thermometers

b)

de eenheid van temperatuur

c)

de afstand op een thermometer die één graad temperatuursverhoging aangeeft

9.

Kies het juiste antwoord.

Een digitale thermometer bevat ....... vloeistof die uitzet en inkrimpt als de temperatuur stijgt of daalt.


a)

geen

b)

wel

10.

Peter heeft twee thermometers met exact dezelfde lengte. Op thermometer A is de afstand tussen 0 °C en 10 °C gelijk aan 5,0 cm.Op thermometer B is de afstand tussen 0 °C en 10 °C gelijk aan 10 cm.

Welke thermometer heeft het grootste meetbereik?

a)

Thermometer A

b)

Thermometer B

c)

Beide thermometers hebben een even groot meetbereik

d)

Dat kun je met deze gegevens niet weten.

11.

Een thermometer heeft een meetbereik van 20 °C tot 130 °C.

De afstand tussen het streepje bij 5 °C en 10 °C is 2 cm.

Hoeveel cm is de afstand tussen het streepje van 20°C en het streepje bij 130 °C?

a)

38

b)

40

c)

42

d)

44

12.

Keran heeft op een thermometer zonder schaalverdeling het nulpunt (0 °C) en het honderdpunt (100 °C) aangegeven. De twee streepjes staan 12 cm uit elkaar.

Hoeveel centimeter ligt het streepje van –20 °C onder het streepje van 0 °C?

a)

2,4

b)

2,0

c)

20

d)

1,8

13.

Bilal en Evi hebben zin in thee. Ze koken water in een fluitketel. Als het water in de fluitketel gaat koken, is vlak na de tuit (uitstroomopening) de eerste vier centimeter niets te zien.

            Na deze vier centimeter is duidelijk een wolkje zichtbaar.

In welke fase is het water de eerste vier centimeter na de tuit van de fluitketel?

(a)  

14.

Bilal en Evi hebben zin in thee. Ze koken water in een fluitketel. Als het water in de fluitketel gaat koken, is vlak na de tuit (uitstroomopening) de eerste vier centimeter niets te zien.

            Na deze vier centimeter is duidelijk een wolkje zichtbaar.

In welke fase is het water in het wolkje?

(a)  

15.

Bilal en Evi hebben zin in thee. Ze koken water in een fluitketel. Als het water in de fluitketel gaat koken, is vlak na de tuit (uitstroomopening) de eerste vier centimeter niets te zien.

            Na deze vier centimeter is duidelijk een wolkje zichtbaar.

In welke fase is het water in het wolkje?

(a)  

16.

De moleculen in een vloeistof hebben een vaste plaats.

a)

Waar

b)

Niet waar

17.

De moleculen van een vloeistof trekken elkaar aan.

a)

Waar

b)

Niet waar

18.

      Een druppel water heeft een vast volume.

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

Als de temperatuur stijgt, gaan de moleculen minder hevig trillen.

a)

Waar

b)

Niet waar

20.

In een zuivere stof zijn alle moleculen van dezelfde soort.

a)

Waar

b)

Niet waar

21.

    Een kristalrooster ontstaat als moleculen op een regelmatige manier gestapeld worden.

a)

Waar

b)

Niet waar

22.

Een digitale thermometer bevat een schaalverdeling met een wijzer.

a)

Waar

b)

Niet waar

23.

Het kookpunt van een stof is een stofeigenschap.

a)

Waar

b)

Niet waar

24.

Ivo heeft op een thermometer zonder schaalverdeling het nulpunt (0 °C) en het honderdpunt (100 °C) aangegeven. De twee streepjes staan 12 cm uit elkaar. Als Ivo zijn zelfgemaakte thermometer in water van onbekende temperatuur plaatst, stijgt de alcohol in de stijgbuis tot 5,4 cm boven 0 °C.

Wat is de temperatuur van het water?

(a)  

25.

Je wilt een thermometer voorzien van het nulpunt.

Wat heb je nodig om het nulpunt te bepalen?

a)

Smeltend ijs

b)

Lauw water

c)

kokend water

26.

Een stof heeft verschillende fasen. Welke van de uitspraken gaat over een gas?

a)

In deze fase hebben de moleculen een vaste plaats.

b)

In deze fase is de afstand tussen moleculen erg groot.

c)

In deze fase heeft de stof een vaste vorm.

d)

In deze fase heeft de stof een vast volume.