wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ecologie 4VWO

Total questions: 24

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

Welke van deze zijn uitsluitend abiotische factoren?

a)

Predatoren

b)

Droogte

c)

Bodemtype

d)

Voedsel

2.

Ecologie gaat over de wisselwerking tussen een organisme en haar ...

(a)  

3.

Bekijk het voedselweb. Welk van deze is een consument 3e orde?

a)

De slang

b)

De adelaar

c)

Het hert

d)

De kikker

4.

Bekijk het voedselweb. Onder welke ecologische groep vallen de onderste 3 organismen?

(a)  

5.

Hans onderzoekt de invloed van de waterkwaliteit op de gezondheid van zijn huiskat.

Op welk organisatieniveau is Hans aan het onderzoeken?

(a)  

6.

Wat is een ecosysteem?

4 lines
7.

Bekijk de afbeelding. De slangenpopulatie neemt spontaan explosief toe, wat is het effect op de keverpopulatie?

a)

Die verandert niet

b)

Die neemt af

c)

Die neemt toe

d)

Dat kun je niet weten

8.

De grafiek hiernaast laat de overlevingskans van een soort bij verschillende temperaturen zien. Zoń grafiek noem je een ...

(a)  

9.

In de grafiek hiernaast zie je de overlevingskans van een bepaalde soort bij verschillende temperaturen. In welk ecosysteem zal je deze soort het meeste tegenkomen?

a)

Hooggebergte

b)

Poolwoestijn

c)

Tropisch regenwoud

d)

Loofbos

10.

Een bepaalde ecologische groep organismen is verantwoordelijk voor het verwerken van de kleinste dode resten en uitwerpselen van organismen tot mineralen. Je noemt deze groep de ...

(a)  

11.

Welk van deze beschrijft het organisatieniveau "populatie"?

a)

Een chimpansee

b)

Een groep chimpansees

c)

Een groep chimpansees, bonobo's en gorilla's

d)

Een verblijf in de dierentuin met chimpansees, bonobo's en gorilla's

e)

Geen van deze

12.

Welk van deze beschrijft het organisatieniveau "levensgemeenschap"?

a)

Een chimpansee

b)

Een groep chimpansees

c)

Een groep chimpansees, bonobo's en gorilla's

d)

Een verblijf in de dierentuin met chimpansees, bonobo's en gorilla's

e)

Geen van deze

13.

Omcirkel in de afbeelding de organismen die een voedselketen vormen van precies 7 schakels.

14.

Welke van deze zijn onderdeel van de koolstofkringloop?

a)

CO2

b)

Zuurstof

c)

Glucose

d)

Organische stoffen (koolhydraten/eiwitten/vetten)

e)

Water

15.

Maak een voedselketen van deze organismen: Kever, Gras, Merel, Vos

16.

Wat is een juist voedselketen?

a)

eikenboom --> rups --> merel --> buizerd

b)

rups --> merel --> buizerd

c)

eikenboom <-- rups <-- merel <-- buizerd

17.
Een prooidier is een abiotische factor.
a)
Juist
b)
Onjuist
18.

Een voorbeeld van een producent is

a)

mens

b)

alg

c)

bacterie

d)

schimmel

19.
Wat is biodiversiteit?
a)
Het aantal verschillende dieren in een gebied.
b)
Het aantal verschillende soorten in een gebied.
c)
Het aantal verschillende planten in een gebied.
20.

Vossen zijn voornamelijk carnivoren. Hun lichaam bestaat uit vele stoffen, zoals eiwitten en vetten in hun cellen. Vul voor de openstaande ruimtes in, welke percentage van de koolstofatomen in het lichaam van een vos eens onderdeel waren van de hieronder staande stoffen en plaatsen?

Hoeveel % van de koolstofatomen in de vos eens onderdeel waren van de CO2 die door planten gebruikt werd in fotosynthese?

a)

0%

b)

50%

c)

90%

d)

100%

21.

Een volwassen esdoorn/wilg kan een massa hebben van 1 ton of meer (droge biomassa na het verwijderen van het water). De boom is begonnen als een zaadje van minder dan 1 gram. Welke van de volgende processen draagt het meeste bij aan de gigantische toename in biomassa?

a)

Absorptie van mineralen uit de bodem via de wortels

b)

Absorptie van organische stoffen uit de bodem via de wortels

c)

Het inbouwen van CO2 gas uit de lucht in moleculen, door groene bladeren

d)

Het inbouwen van water uit de bodem in moleculen door de groene bladeren

22.

Door klimaatverandering wordt het in veel gebieden warmer. Wat doet dit met het tolerantiegebied van soorten?

a)

Niks, het tolerantiegebied is soorteigen en blijft gelijk.

b)

Het tolerantie gebied wordt breder, zodat de soort een grotere overlevingskans heeft.

c)

Het tolerantiegebied schuift mee, zodat de soort in hetzelfde gebied kan blijven leven

d)

Het tolerantiegebied verschuift de andere kant op, aangezien de soort het toch niet overleeft.

23.

welk organisme is autotroof?

a)

planteneter

b)

vleeseter

c)

bacterie

d)

alg

24.

Welke plant heeft het grootste wortelstelsel?

a)

waterplanten

b)

planten in droge gebieden

c)

planten met genoeg water om zich heen

d)

planten in het regenwoud