wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Paragraaf 9.3 check 4 Havo

Total questions: 12

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Waaraan zie je dat de SU onder Stalin een totalitaire staat was? (kies er meerdere)

a)

De jeugd werd geïndoctrineerd in jeugdbewegingen en op school

b)

De totale bevolking mocht meebeslissen in het bestuur

c)

Elke vorm van oppositie was verboden

d)

Alle kunstenaars stonden onder het gezag van de staat

2.
Wat betekent het begrip totalitair?
a)
als er een alleenheerser is
b)
als de overheid alle macht heeft en alles controleert
c)
Als mensen zonder kritiek ideeën over nemen
d)
Een kamp waarin vijanden werden op gesloten
3.

Wat voor een politicus was Hitler?

a)

Nationalistisch

b)

Liberaal

c)

Sociaal

d)

Communistisch

4.

Welk kenmerk hoort niet bij Hitlers partij?

a)

Racistisch

b)

Antidemocratisch

c)

Nationalistisch

d)

Communistisch

5.

Een kenmerk dat het nationaal-socialisme wel heeft, maar het communisme en fascisme niet is:

a)

Rassenleer

b)

Autoritair regime

c)

Anti-democratisch

d)

Gelijke lonen voor de hele bevolking

6.

Match het begrip met de juiste beschrijving

a)

Autoritair

1.

Bestuur met harde hand, niet democratisch

b)

Antisemitisme

2.

Jodenhaat

c)

Persoonsverheerlijking

3.

Leider wordt opgehemeld

d)

Propaganda

4.

Het willen beïnvloeden van een groep mensen

e)

Fascisme

5.

Stroming die anti-democratisch is met een sterke leider aan de macht

7.

Match de persoon aan de juiste stroming

a)
1.

Communisme

b)
2.

Nationaal-Socialisme

c)
3.

Fascisme

8.

Wat is het kenmerkende aspect:

het in de​ praktijk brengen van de ​​ (a)   ​ (b)  : ​​ ​ fascisme, (c)   , en ​ communisme

Choose from the below words
totalitaire
ideologieën
nationaal-socialisme
nationalisme
nazi
kapitalisme
democratische
9.

Check door de tijd heen:

Match het begrip met het kenmerkende aspect

a)

Aflaten

1.

de protestantse Reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had

b)

Verenigde Oost-Indische Compagnie

2.

wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie

c)

Rationalisme

3.

rationeel optimisme en ‘verlicht denken’

d)

Plantages

4.

uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekolonies

e)

Beeldenstorm

5.

het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat

10.

Check 8.6:

Wat is de belangrijkste link tussen het Modern Imperialisme en de Industriële Revolutie?

a)

de motieven

b)

grondstoffen

c)

afzetgebieden

d)

grondstoffen en afzetgebieden

11.

Welke twee kenmerkende aspecten horen bij paragraaf 5.1: De Renaissance

a)

Het veranderende mens-en wereldbeeld van de renaissance en het begin van de wetenschappelijke belangstelling

b)

De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke oudheid

c)

Expansie van het christendom

d)

Europese Expansie

12.

Zet de volgende tijdvakken in de goede volgorde

a)

Ontdekkers en Hervormers

b)

Regenten en Vorsten

c)

Pruiken en Revoluties

d)

Burgers en Stoommachines

e)

Wereldoorlogen

1)
2)
3)
4)
5)