wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H1 Weer en klimaat

Total questions: 40

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent weer?

a)

Het gemiddelde weer over een periode van 30 jaar.

b)

De toestand van de atmosfeer op een bepaald moment en een bepaalde plaats

c)

De temperatuur op een bepaalde plek.

d)

Alle vormen van regen en wind bij elkaar.

2.

Wat staat hier afgebeeld?

a)

Broeikaseffect

b)

Klimaatsysteem

c)

Klimaat effect

d)

Waterkringloop

3.

Wat verstaan we onder een stijgingsregen ?

a)

warme lucht die tegen koude lucht opstijgt waardoor het gaat regenen

b)

regen die door opstijgende warme lucht ontstaat

c)

wolken die langs een berg komen en moeten stijgen

4.
Dit is een afbeelding van
a)
een barometer
b)
een pluviometer
c)
een thermometer
d)
een anemometer
5.

De foto is een voorbeeld van...

a)

stijgingsneerslag

b)

stuwingsneerslag

c)

frontale neerslag

6.

Nummer 5 is het steppeklimaat

a)

Juist

b)

Onjuist

7.

Nummer 2 is het landklimaat

a)

Juist

b)

Onjuist

8.

Wat betekent klimaat?

a)

Het gemiddelde weer over een periode van 10 jaar.

b)

Het gemiddelde weer over een periode van 30 jaar.

c)

Het gemiddelde weer over een periode van 50 jaar.

d)

De toestand van de atmosfeer op een bepaald moment.

9.

In deze situatie is het zomer op het...

a)

Noordelijk halfrond

b)

Zuidelijk halfrond

10.

Wat ontbreekt er in bovenstaand klimaatdiagram?

a)

De temperatuur

b)

De maanden

c)

De namen van de assen

d)

De neerslag

11.

Deze klimaatdiagram laat een plaats zien op het ...

a)

Noordelijk halfrond

b)

Zuidelijk halfrond

12.

De rode lijn geeft .. weer.

a)

De temperatuur

b)

De neerslag

13.

Wat betekent weer?

a)

Het gemiddelde weer over een periode van 30 jaar.

b)

De toestand van de atmosfeer op een bepaald moment.

c)

De temperatuur op een bepaalde plek.

d)

Alle vormen van regen en wind bij elkaar.

14.

Er zijn vijf belangrijke kenmerken van weer. Welke drie horen hier bij?

a)

Neerslag, wind en water.

b)

Neerslag, water en temperatuur.

c)

Neerslag, temperatuur en wind.

d)

Temperatuur, wind en water.

15.
De breedtecirkel van 0 graden die de aarde verdeelt in een noordelijk en een zuidelijk halfrond
a)
De middellijn
b)
De 0˚ lijn over Greenwich
c)
De 0˚ deellijn
d)
Evenaar
16.

Wind is lucht die

a)

Beweegt van een gebied met hoge druk naar een gebied met lage druk

b)

Beweegt van een gebied met lage druk naar een gebied met hoge druk

c)

Beweegt tussen een gebied met hoge druk en een gebied met lage druk

d)

Onafhankelijk van drukgebieden over de aarde beweegt

17.

Het bestaan van het versterkte broeikaseffect is

a)

Zeker

b)

Wetenschappelijk het meest aannemelijk

c)

Minder waarschijnlijk dan klimaatverandering door natuurlijke mechanismen

d)

Een geloof van de linkse lobby

18.

Met wat voor meter kun je de luchtdruk meten?

a)

Manometer

b)

Barometer

c)

Micrometer

d)

Anemometer

19.

Waarom heet het het "versterkte" broeikaseffect?

a)

Het natuurlijke broeikaseffect wordt versterkt door menselijk handelen

b)

Het door de mens veroorzaakte broeikaseffect wordt versterkt door de natuur

c)

Het broeikaseffect wordt door de media versterkt weergegeven

d)

Het broeikaseffect versterkt het warmtebehoud op aarde

20.

Bij een hogedrukgebied daalt de lucht

a)

goed

b)

fout

21.

Wat staat hier afgebeeld?

a)

Broeikaseffect

b)

Klimaat kringloop

c)

Waterkringloop

d)

Waterwegen

22.

Een lijn met plaatsen van gelijke druk noemen we:

a)

isolijn

b)

isothem

c)

isobar

d)

isolatie

23.

Aan de ....?.... van een gebergte ontstaat ...?......

a)

Loefzijde, stuwingsneerslag

b)

Loefzijde, stijgingsneerslag

c)

Lijzijde, stuwingsneerslag

d)

Lijzijde, stijgingsneerslag

24.

Q7:Een orkaan ontstaat...

a)

Boven land

b)

Boven zee

c)

Boven land en zee

25.
Wat Is De Betekenis Van Breedteligging
a)
De geografische ligging van een plaats ten opzicht van de evenaar uitgedrukt in graden.
b)
Boomkruinen op verschillende hoogten in een bos
c)
een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
d)
Dicht ondoordringbaar bos in de warme en vochtige tropen
26.
Wat is een landklimaat?
a)
Er zijn strenge winters en warme zomers.
b)
Gebied waar de temperatuur nooit boven nul komt. 
c)
Zachte winters en koele zomers. 
d)
Klimaat vlak bij de evenaar. 
27.

Juist of onjuist

Op lage breedte is het warmer dan op hoge breedte.

Dit komt doordat zonnestralen een kleinere afstand hoeven af te leggen & ze een kleiner oppervlakte hoeven te verwarmen (dan op hoge breedte).

a)

Juist

b)

Onjuist

28.

Met welke letter wordt Temperatuur uitgedrukt

a)

A

b)

C

c)

X

d)

Z

29.

Bekijk de figuur. Welke temperatuurfactor past hier het beste bij?

a)

Breedteligging en temperatuur

b)

Hoogteligging en temperatuur

c)

Ligging van gebergten

d)

Aanvoer van warmte en kou van elders

e)

Ligging ten opzichte van zee

30.
De hoek waaronder de zonnestralen het aardoppervlak raken.
a)
A. De zomerstand van de aarde
b)
B. De winterstand van de aarde
c)
C. De zonnewende
d)
D. Invalshoek van de zon
31.
Op de lage breedte legt de zon een ..............................weg af dan op hoge breedte
a)
langere
b)
kortere
32.

In een lagedrukgebied:

a)

Stijgt de lucht

b)

Daalt de lucht

33.
Wat is de betekenis van Atmosfeer?
a)
De luchtlaag om de aarde
b)
De luchtlaag om de maan
c)
De luchtlaag op de grond
d)
De luchtlaag rond de zon
34.

Wat ontbreekt er in bovenstaand klimaatdiagram?

a)

De temperatuur

b)

De maanden

c)

De namen van de assen

d)

De neerslag

35.
Waar is het verschil in seizoenen het grootst?
a)
Marokko
b)
Noorwegen
c)
Nederland
d)
Spanje
36.

Wat is een aanlandige wind voor Nederland?

a)

westenwind

b)

oostenwind

c)

zuidoostelijke wind

d)

noordoostelijkewind

37.

In welke zin staan allemaal vormen van neerslag?

a)

Regen, sneeuw, hittegolf

b)

Regen, sneeuw, hagel

c)

Hagel, sneeuw, ijskappen

d)

Regen, hagel, ijsbergen

38.

Beoordeel deze stelling;


Een koude zeestroom zorgt voor een droog klimaat aan de kust.

a)

Goed

b)

Fout

39.

Welke twee klimaatfactoren laat de afbeelding zien?

a)

Breedteligging

b)

Hoogteligging

c)

Afstand tot de zee

d)

Windrichting

e)

Gesteldheid van het aardoppervlak

40.

Wat zijn de 3 belangrijkste kenmerken van weer?

a)

Neerslag, wind en water.

b)

Neerslag, water en temperatuur.

c)

Neerslag, temperatuur en wind.

d)

Temperatuur, wind en water.