Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Check-in 13.2

Total questions: 27

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.
Het zenuwstelsel bestaat uit:
a)
hersenen en zenuwen
b)
hersenen en ruggenmerg
c)
hersenen en perifere zenuwen
d)
hersenen, ruggenmerg en zenuwen
2.
Hoeveel soorten zenuwcellen bestaan er?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
3.
De grijze kleur van de (vlindervormige) stof in het ruggenmerg wordt veroorzaakt door:
a)
Uitlopers van motorische zenuwcellen.
b)
Uitlopers van sensorische zenuwcellen.
c)
Schakelcellen.
d)
Uitlopers van schakelcellen.
4.

Waar of niet waar? Je bent pas bewust van iets van buitenaf als het signaal in je grote hersenen is verwerkt

a)

Waar

b)

Niet waar

5.

Twee leerlingen doen elk een bewering over schade aan delen van het zintuigenstelsel en het zenuwstelsel.

Mariam zegt: 'Door schade aan een zintuig kunnen in dit zintuig wellicht geen impulsen meer ontstaan.'

June zegt: 'Door schade aan de hersenstam kan verlamming van het gehele lichaam ontstaan.' Wie heeft gelijk?

a)

Mariam heeft gelijk

b)

June heeft gelijk

c)

geen van beiden heeft geljk

d)

beiden hebben gelijk

6.

De ooglidreflex kan ook optreden als de buitenste laag van de ogen te droog wordt. De zenuwuiteinden in de buitenste laag van het oog worden dan geprikkeld.


Van welk type zenuwcellen maken deze zenuwuiteinden deel uit?

a)

van bewegingszenuwen

b)

van gevoelszenuwen

c)

van schakelcellen

7.

welke zintuigcel is gevoeliger voor een bepaalde prikkel

a)

een zintuigcel met een lage drempelwaarde

b)

een zintuig met een hoge dremelwaarde

8.

wat betekent adequate prikkel

a)

dat het een prikkel is die opgepikt wordt door het juiste zintuig

b)

dat elke zintuigcel deze prikkel kan verwerken

9.
De grote hersenen:
a)
coördineren evenwicht en beweging
b)
Zijn verbonden met diverse hersencentra en zetten verwerkte informatie vast in het geheugen
c)
regelen onbewuste levensprocessen en reflexen
10.

De kleine hersenen:

a)

vindt bewustwording plaats

b)

worden onbewuste levensprocessen geregeld

c)

regelen reflexen

d)

zorgt voor de coördinatie van bewegingen en je evenwicht

11.
De hersenstam:
a)
regelt onbewuste levensprocessen en reflexen
b)
coördineert bewegingen en evenwicht
c)
Zet informatie vast in je geheugen
12.
Uit welke delen bestaat ons zenuwstelsel?
a)
Zenuwen en hersenen
b)
Centraal zenuwstelsel
c)
Zenuwen en centraal zenuwstelsel
d)
Zenuwen en zenuwcellen
13.
Bij de hersenen bevat het buitenste gedeelte (de schors) veel.....
a)
Cellichamen van schakelcellen
b)
uitlopers van schakelcellen
c)
Zowel cellichamen als uitlopers van schakelcellen
14.

Een gezond persoon doet de Ict Bucket Challenge en gooit een emmer ijswater over zijn hoofd. Hij wordt zich bewust van de kou. In welk deel van de hersenen gebeurt dit?

a)

Grote hersenen

b)

Hersenstam

c)

Kleine hersenen

15.

Als iemand hard op zijn achterhoofd valt, kunnen er bepaalde hersencentrum(s) beschadigd raken. Wat kan iemand dan overkomen?

a)

Niet meer kunnen praten

b)

Blind worden

c)

Niet meer kunnen schrijven

d)

Doof worden

16.

Hoe heten de insnoeringen tussen de myelineschedes in? Insnoeringen van ...

(a)  

17.

Waaruit bestaan de myelineschedes?

a)

cellen van Schwann

b)

myeline

c)

Ranvier cellen

d)

spiervezels

18.

In welke tabel vind je een projectie van lichaamsfuncties op een dwarsdoorsnede van de hersenen?

a)

88C3

b)

88F

c)

24E

d)

85B

19.

Welke van onderstaande hormonen is of zijn steroïdhormonen?

a)

ADH

b)

LH

c)

progesteron

d)

adrenaline

20.

Welk hormoon komt vrij uit de hypofyse onder invloed van CRH?

(a)  

21.

Wat is de antagonist van GRH?

a)

GH

b)

GIH

c)

GnRH

d)

TRH

22.

Welk orgaan wordt gestimuleerd door TSH?

(a)  

23.

In welke binastabel vind je de natrium-kalium pomp?

(a)  

24.

In welke tabel vind je de kniepeesreflex?

a)

87A

b)

88A

c)

88K

d)

89A

25.
Volgorde van de hersenvliezen van binnen naar buiten:
a)
harde hersenvlies,spinnenwebvlies, zachte hersenvlies/vaatvlies
b)
spinnenwebvlies harde hersenvlies, zachte hersenvlies/vaatvlies
c)
zachte hersenvlies/vaatvlies,spinnenwebvlies, harde hersenvlies
26.

Waarom gaat een reflex reactie sneller dan een normale reactie?

a)

De route die de impuls moet afleggen is korter dan bij een normale reactie.

b)

De route van een reflex is helemaal het zelfde maar gaat sneller omdat de prikkel groter was.

c)

De route van een reflex gaat even snel maar doordat je schrikt lijkt het sneller te gaan

27.

Waar bevindt zich het reflexbrein?

a)

hersenstam

b)

ruggenmerg

c)

linker hemisfeer

d)

rechter hemisfeer

e)

hart van de schedel