Worksheetsfrans studeren pg238-240
Total questions: 67
Worksheet time: 1hrs 7mins
het verband
(a)
de pil
(a)
het lichaam
(a)
de dokter
(a)
de vrepleger
(a)
de pijnstiller
(a)
de zalf
(a)
pijn hebben aan
(a)
bewegen
(a)
onderzoeken
(a)
opheffen
(a)
plooien
(a)
zich kwetsen aan
(a)
breken
(a)
hoesten
(a)
behalve dat
(a)
veel beterschap
(a)
in topvorm zijn
(a)
verkouden zijn
(a)
zwak zijn
(a)
moe zijn
(a)
het hart
(a)
de vinger
(a)
de rug
(a)
de neus
(a)
het oog
(a)
de teen
(a)
de voet
(a)
de buik
(a)
het aangezicht
(a)
de mond
(a)
de tand
(a)
de schouder
(a)
de keel
(a)
de hand
(a)
de nek
(a)
het oor
(a)
de borstkas
(a)
het hoofd
(a)
het ziekenhuis
(a)
de ziekenwagen
(a)
het ziekenhuis
(a)
de apotheek
(a)
de beugel
(a)
het ijsblokje
(a)
de pleister
(a)
het tabletje
(a)
de astma
(a)
de verkoudheid
(a)
de diarree
(a)
de verstuiking
(a)
de koorts
(a)
de griep
(a)
gedeprimeerd
(a)
helpen
(a)
opbellen
(a)
vooruitgaan
(a)
zich draaierig voelen
(a)
een gebroken arm hebben
(a)
kloppen
(a)
lopen
(a)
in bed blijven
(a)
stappen
(a)
blijven
(a)
stoppen
(a)
zich verbranden
(a)
vallen
(a)
