wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hoofdstuk 4 Industralisatie

Total questions: 33

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Wie had in Nederland de (meeste) macht in Nederland in 1815?

a)

De premier

b)

De koning

c)

Het parlement

d)

Het volk

2.

In het revolutiejaar kreeg Nederland een (a)  

3.

In 1848 was Nederland echter nog steeds geen volledige democratie. Dit lag aan het ..

a)

Passief kiesrecht

b)

Actief kiesrecht

c)

Censuskiesrecht

d)

Algemeen kiesrecht

4.

Uit welke landen bestond het koninkrijk in 1815?

a)

Nederland, België en Duitsland

b)

België, Luxemburg en Frankrijk

c)

Luxemburg, Nederland en België

d)

Frankrijk, Luxemburg en Duitsland

5.

Welke koning komt er in Nederland aan?

a)

Willem V

b)

Willem I

c)

Willem Alexander

d)

Wilhelmina

6.

In 1848 is het onrustig in Europa. Wat breekt er uit?

a)

Opstanden

b)

Feesten

c)

Roversbendes komen

d)

Ziekten

7.

Waar gaat koning Willem II in 1848 mee akkoord?

a)

Algemeen kiesrecht

b)

De komst van een parlement.

c)

De onafhankelijkheid van België

d)

De komst van een nieuwe grondwet

8.

Wat is een ander woord voor koninkrijk?

a)

Democratie

b)

Anarchie

c)

Oligarchie

d)

Monarchie

9.

Vanaf wanneer kwam er algemeen mannenkiesrecht?

a)

1917

b)

1918

c)

1919

d)

1920

10.

Vanaf wanneer mocht iedereen boven de 18 stemmen?

a)

1917

b)

1918

c)

1919

d)

nooit

11.

welke rechten werden opgenomen in de grondwet van 1848?

a)

Recht van meninguiting

b)

Recht op vrijheid

c)

Recht op vrijheid van geloof

d)

Alle antwoorden zijn goed

12.

Wat is het parlement?

a)

Volksvertegenwoordiging, 1e en 2e kamer

b)

Ministerraad

c)

De koning en zijn familie

d)

Stemrecht

13.
Na 1848 moeten de ministers verantwoording afleggen aan het parlement.
a)
Juist
b)
Onjuist
14.
De Tweede Kamer werd na 1848 direct gekozen, de Eerste Kamer indirect.
a)
Juist
b)
Onjuist
15.
Wat is censuskiesrecht?
a)
alleen mannen mogen stemmen
b)
alleen rijke mannen mogen stemmen
c)
alleen rijke mannen en vrouwen mogen stemmen
d)
alleen fabriekseigenaren en ondernemers mogen stemmen
16.

Thorbecke was een liberaal. Wat is dat?

a)

Liberalen vinden dat de overheid zich veel met de burgers.moeten bemoeien.

b)

Liberalen vinden dat e meeste macht bij de koning meer moet liggen

c)

Liberalen vinden dat de burgers zoveel mogelijk beschermd moeten worden door de overheid.

d)

Liberalen vinden dat de overheid zich juist zo weinig mogelijk moet bemoeien met de burgers en de samenleving.

17.

Waarom trokken boeren naar de stad toe?

a)

Ze wilden geen boer meer zijn

b)

In de stad was meer te beleven

c)

Ze waren werkloos geworden en zochten werk

18.

Waarom hoort een schilderij zoals dit bij de Romantiek?

a)

Omdat het realistisch is.

b)

Door de verschillende kleuren

c)

Het brengt een gevoel in mij los.

d)

Het speelt zich af in de natuur.

19.
Nederland krijgt in 1848 een nieuwe grondwet omdat:
a)
Thorbecke zijn voorstel voor een nieuwe grondwet zo goed was
b)
Willem I democratischer ging denken en de oude grondwet slecht vond
c)
Willem II bang was voor revolutie in Nederland zoals in andere landen
d)
Willem II een democraat was en vond dat het volk meer te vertellen moest hebben. 
20.

Industriele revolutie was een verandering op het gebied van landbouw

a)

juist

b)

onjuist

21.

De industriele revolutie begon in Frankrijk

a)

Juist

b)

Onjuist

22.

Wat hoort niet bij de industriële revolutie?

a)

stoommachines

b)

begin moderne tijd

c)

begint in de Verenigde Staten

d)

begin tijd van burgers en stoommachines

23.

Vul het woord in dat op de puntjes zou moeten staan:

Door de industriële revolutie ontstond een nieuw samenlevingstype, namelijk de (a)   samenleving.

24.

Wat was geen oorzaak van de industriële revolutie?

a)

daling van de vraag naar goederen

b)

invloed ondernemers en uitvinders

c)

Britse koloniale overheersing

d)

rol van de textielnijverheid

e)

Britse bevolkingsgroei

25.

Welke twee beweringen passen bij de stoommachine?

a)

Ontwikkeld in de mijnindustrie

b)

James Watt bouwde in 1784 een verbeterde versie

c)

De stoommachine was beperkt toepasbaar in de industrie

d)

Stoommachines werden aangedreven door de verbranding van aardolie of aardgas.

26.
Wat was een gevolg van de industrialisatie?
a)
bevolkingsafname
b)
armoede
c)
bevolkingsgroei
27.

Waarom moest de productie in de textielnijverheid opgedreven worden?

a)

Er waren goedkopere grondstoffen

b)

Er was meer vraag naar kledij

c)

Er waren meer arbeiders beschikbaar

d)

Er was meer bevolking

28.

Waarom waren de koloniën belangrijk voor de industrie?

a)

Levering van grondstoffen

b)

Arbeiders vanuit die gebieden kwamen werken in de fabrieken

c)

Zij beschikten over kennis van de nieuwe machines

d)

De bevolking kon groeien dankzij de export van voedsel

29.

Wat is dit?

a)

Spinning Jenny

b)

Waterframe

c)

De Schietspoel

d)

Spinnewiel

30.

welk onderwerp past niet in dit "romantische" rijtje

a)

de maan

b)

wanhoop op zee

c)

natuurgeweld

d)

zonsopkomst

31.

De belangrijkste Nederlandse politicus in de 19e eeuw was Johan Rudolph Thorbecke. Wat klopt over Thorbecke?

a)

Hij gaf leiding aan de liberalen in de Tweede Kamer en zorgde ervoor dat koning Willem II moest aftreden.

b)

Hij gaf leiding aan het verzet tegen de koning en richtte de eerste politieke partij op.

c)

Hij maakte een nieuwe, conservatieve grondwet en werd minister.

d)

Hij maakte een nieuwe, liberale grondwet en werd regeringsleider.

32.

In Nederland was de eerste belangrijke politieke stroming het liberalisme. Welke politieke doelen wilden liberalen bereiken?

a)

Zij wilden een eenheidsstaat met een grondwet en vrijheid voor de handel

b)

Zij wilden een monarchie met eenheid van godsdienst en economische vrijheid

c)

Zij wilden een republiek met vrije verkiezingen en een geleide economie.

d)

Zij wilden een veelvolkerenstaat met een sterke vorst en hoge invoerrechten.

33.

Bij invoering van de nieuwe grondwet van 1848 kreeg Nederland censuskiesrecht. Wat was een gevolg van het censuskiesrecht?

a)

Mannen vanaf 21 jaar mochten voortaan stemmen

b)

2% van de vrouwen kreeg het stemrecht op basis van hun status in de samenleving.

c)

10% van de hoogste inkomens mochten plaatsnemen als volksvertegenwoordiger.

d)

Alleen wie genoeg belasting betaalde, kon zijn stem uitbrengen bij de verkiezingen.