wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Natuurkunde is leuker als je denkt

Total questions: 20

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Jan fietst van huis naar school met een snelheid van 25 km/h. Terug fietst hij dezelfde weg met een snelheid van 15 km/h. Zijn zus Josien fietst zowel dezelfde heenweg als terugweg met een snelheid van 20 km/h.

Welke uitspraak over de totale fietstijd, dus heenweg en terugweg samen, is waar?

a)

Jan heeft de minste tijd nodig.

b)

Josien heeft de minste tijd nodig.

c)

Ze doen er beide even lang over.

d)

Je hebt te weinig informatie om daar een uitspraak over te doen.

2.

De steilheid van de raaklijn in een punt van een (v,t)-diagram is:

a)

de afstand x.

b)

de versnelling a.

c)

de snelheid v.

d)

de gemiddelde versnelling.

3.

Een auto trekt op van 0 naar 50 km/h. Van de beweging wordt een (v,t)-grafiek gemaakt.

Het oppervlak onder de (v,t)-grafiek is:

a)

de verandering in de versnelling Δa.

b)

de verandering in de snelheid Δv.

c)

de verplaatsing Δx.

d)

de verrichte arbeid W.

4.

Je gooit een bal recht omhoog de lucht in. Op het hoogste punt:

a)

zijn de snelheid en versnelling van de bal nul.

b)

is de snelheid van de bal niet nul, maar de versnelling wel.

c)

is de versnelling van de bal niet nul, maar de snelheid wel.

d)

zijn de snelheid en versnelling van de bal niet nul.

5.

Een fietser rijdt met een trapkracht van Ffietser = 55 N. Op gegeven moment is de wrijvingskracht Fw = 35 N.

Vanaf dat moment wil de fietser met een constante snelheid verder fietsen.

Hoe groot moet de trapkracht van de fietser dan zijn:

a)

Ffietser = 20 N.

b)

Ffietser = 35 N.

c)

Zij hoeft niet te trappen, want de snelheid is constant dus Ffietser = 0 N.

d)

Er is niet genoeg informatie om hier iets over te kunnen zeggen.

6.

Een parachutist bereikt tijdens een val waarbij de parachute nog niet is geopend een contante snelheid van 220 km/h (situatie 1). Na het openen van de parachute wordt de snelheid uiteindelijk 18 km/h (situatie 2).

Wat kun je zeggen over de luchtweerstand op de parachutist (+parachute) in beide situaties?

a)

De luchtweerstand in situatie 2 is groter dan in situatie 1.

b)

De luchtweerstand in situatie 2 is kleiner dan in situatie 1.

c)

De luchtweerstand is in beide situaties even groot.

d)

Dat kun je niet zeggen, dat hangt af van de snelheid.

7.

De luchtweerstand op een parachutist tijdens een val (waarbij de parachute nog niet is geopend) met constante snelheid is even groot als met geopende parachute met constante snelheid. Immers, de zwaartekracht verandert niet. Hieruit kan geconcludeerd worden dat:

a)

de luchtweerstand alleen afhankelijk is van het oppervlak.

b)

de luchtweerstand alleen afhankelijk is van de snelheid.

c)

de luchtweerstand niet afhankelijk is van de snelheid en ook niet van het oppervlak.

d)

de luchtweerstand afhankelijk is van zowel de snelheid als het oppervlak.

8.

In het luchtledige is de valversnelling 9,8 m/s2. Wanneer iemand een voorwerp naar beneden gooit (in het luchtledige), hoe groot is dan de versnelling direct na de worp?

a)

Tussen 0 en 9,8 m/s2.

b)

Precies 9,8 m/s2.

c)

Meer dan 9,8 m/s2.

d)

0 m/s2.

9.

Lift omhoog

Joost staat in een lift die eenparig versneld omhoog beweegt. De normaalkracht op Joost is:

a)

groter dan de zwaartekracht.

b)

even groot als de zwaartekracht.

c)

kleiner dan de zwaartekracht.

d)

niet met deze gegevens te bepalen.

10.

Een bekerglas, gedeeltelijk gevuld met water, staat op een weegschaal. De weegschaal wijst 200 g aan. Een blokje hout, met een massa van 10 g, wordt op het water gelegd. Het hout heeft een dichtheid van 0,8 g/cm3. Wat wijst de weegschaal nu aan?

a)

200 g

b)

202 g

c)

208 g

d)

210 g

11.

Een katrol kan met verwaarloosbare weerstand draaien aan een statief. Om de katrol is een touw gelegd met een massa van 2,0 kg aan de ene kant en een massa van 6,0 kg aan de andere kant. De massa van de katrol en het touw mag je verwaarlozen.

Wat is de versnelling van het systeem?

a)

0,25g

b)

0,50g

c)

1,0g

d)

4,0g

12.

Je zit op een skateboard en je beweegt van punt P naar punt Q.

Welke krachten verrichten arbeid tijdens deze beweging?

a)

De middelpuntzoekende kracht en de weerstandskracht.

b)

De zwaartekracht en de weerstandskracht.

c)

De normaalkracht en de weerstandskracht.

d)

De zwaartekracht en de middelpuntzoekende kracht.

13.

Een skiër van 100 kg glijdt over een piste en legt daarbij 1550 meter af. Als de skiër is aangekomen is hij 250 meter gedaald. Neem g = 10 m/s2. Hoeveel arbeid heeft de zwaartekracht verricht?

a)

250 kJ

b)

-250 kJ

c)

1550 kJ

d)

-1550 kJ

14.

Een stalen bal van 2,0 kg valt met een constante snelheid door een vloeistof. Hij valt 2,5 m. Neem g =10 m/s2.

Hoe groot is de totale arbeid op de stalen bal?

a)

0 J

b)

50 J

c)

-50 J

d)

100 J

15.

Een karretje op de achtbaan doorloopt een looping zodanig dat het karretje bovenin de looping net niet naar beneden valt.

Wat is juist in het bovenste punt van de baan?

a)

Fn = 0; Fmpz = Fz

b)

Fn ≠ 0; Fmpz = Fz + Fn

c)

Fn = Fz; Fmpz = 0.

d)

Fn = Fz; Fmpz = Fz + Fn

16.

Een aantal apparaten op een groep van een huisinstallatie is ingeschakeld. Uit metingen blijkt dat de

vervangingsweerstand van deze apparaten 200 Ω is. Er wordt nog een apparaat met een weerstand groter dan 200

Ω op dezelfde groep ingeschakeld.

Wat geldt er voor de vervangingsweerstand in de nieuwe situatie?

a)

Deze is kleiner dan 100 Ω.

b)

Deze ligt tussen 100 en 200 Ω.

c)

Deze is groter dan 200 Ω.

d)

Deze kan alle mogelijke waarden hebben.

17.

Even fel

Je sluit een lampje (12 Volt) aan op een auto-accu (12 Volt). Je sluit een tweede lampje aan. Je wilt dat dit lampje even fel brandt als het eerste lampje brandde voordat je het tweede aansloot.

Hoe sluit je de lampjes aan?

a)

Parallel

b)

In serie

c)

In serie met een extra weerstand

d)

Maakt niet uit

18.

Er staan twee sneeuwpoppen naast elkaar in de zon. Eén met jas en één zonder jas. Welke sneeuwpop zal het eerst smelten?

a)

De sneeuwpop zonder jas

b)

De sneeuwpop met jas

c)

Het maakt niks uit

19.
a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

20.

Een stof laat 75 % van de opvallende y-straling door.

De dikte van de stof is:

a)

precies de halveringsdikte.

b)

kleiner dan de halveringsdikte.

c)

groter dan de halveringsdikte.

d)

precies twee halveringsdikten.