Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal thema 5

Total questions: 12

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent verschijnen?

a)

Als je ergens licht op schijnt

b)

Als er iets in de handel komt

c)

Als je iets gaat zoeken op internet

2.

Wat betekent surfen?

a)

Als je ergens overheen glijdt

b)

Als je praat met iemand op het internet

c)

Zonder vast idee ergens op het internet kijken

3.

Waar zie je iemand die 'chat'?

a)

b)

c)

4.

Wat is het onderwerp van jouw spreekbeurt?

Welk woord kun je ook neerzetten op de plek van het onderstreepte woord?

Kies uit; het thema - de reeks - het stuk - de aanleiding

(a)  

5.

Iets dat virtueel is, wat is dat?

a)

Iets wat niet echt bestaat, alleen online.

b)

Iets dat altijd verticaal staat.

c)

Iets dat je overal kan zien.

6.

Welke zin past bij het woord de bevinding?

a)

De hond was bang, dus hij ging beven.

b)

Dankzij jarenlang onderzoek weten we nu dat de aarde opwarmt

c)

Na lang zoeken heeft Lennart zijn zwembroek gevonden.

7.

De televisie, de post, het internet en de radio zijn allemaal ........

a)

netwerken

b)

communicatiemiddelen

c)

webloggen

8.

Wat is de voltooide tijd?

a)

Dan staat er in de zin altijd een werkwoord van gooien.

b)

Dan staat er in de zin altijd een werkwoord van hebben of zijn.

c)

Dan staat er in de zin altijd een werkwoord van liggen.

9.

Ik heb gisteren de bal geschopt

a)

Voltooide tijd

b)

Onvoltooide tijd

10.

De moeder ging even liggen op bed.

a)

Voltooide tijd

b)

Onvoltooide tijd

11.

Heb jij vorige week het huiswerk gemaakt?

a)

Voltooide tijd

b)

Onvoltooide tijd

12.

Maak de zin in de voltooide tijd af:

Jeroen (a)   vorige week een tien gehaald.