wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voortplanting

Total questions: 72

Worksheet time: 37mins

Name
Class
Date
1.

Welke van deze onderdelen hebben dierlijke cellen niet?

a)

Celkern

b)

Celmembraan

c)

Cytoplasma

d)

Celwand

2.

Waarmee kan je cellen vergelijken?

a)

Lijm

b)

Lego

c)

Dieren

d)

Planten

3.

Wat is celplasma?

a)

Hier zit alle erfelijke informatie van een organisme

b)

Dit beschermt de cel

c)

Het is vloeistof met opgeloste stoffen

d)

Dat bestaat niet

4.

Cellen zijn plat

a)

Waar

b)

Niet waar

5.

Dierlijke cellen hebben bladgroenkorrels

a)

Waar

b)

Niet waar

6.

Wat is het celmembraan?

a)

Dat is hetzelfde als de celwand

b)

Dat bestaat niet

c)

Dat regelt alles wat er in de cel gebeurt

d)

Een dun vlies om het celplasma

7.

Wat is een orgaan?

a)

Een deel van een organisme met een eigen taak

b)

Je verteringsstelsel

c)

Je ademhalingsstelsel

d)

Een cel

8.

Een stengel is een orgaan van een plant

a)

Waar

b)

Niet waar

9.

Wat zijn de drie functies van wortels?

a)

Reservevoedsel opslaan

b)

Zuurstof opnemen

c)

De plant vastzetten aan de grond

d)

Water opnemen

10.

Waar pak je een microscoop aan vast?

a)

De statief

b)

De tubus

c)

De oculair

d)

De tafel

11.

Wat is een weefsel?

a)

Een ander woord voor orgaan

b)

Een groep organen bij elkaar

c)

Alle cellen in ons lichaam

d)

Een groep cellen met dezelfde vorm en functie

12.

Wat is tussencelstof?

a)

Een stof die tussen de cellen van weefsels zit

b)

Een stof die tussen verschillende weefsels zit

c)

Een ander woord voor weefsel

d)

Een orgaan

13.

Huidmondjes kunnen zichzelf sluiten

a)

Waar

b)

Niet waar

14.

Wie hebben er allemaal huidmondjes?

a)

Alle organismen

b)

Mensen

c)

Planten

d)

Dieren

15.
Iets wat  geleefd heeft ,noemen we .....
a)
levend
b)
levenloos
c)
dood
d)
bewegend
16.
Deze houten tafel is.....
a)
Levend
b)
Levenloos
c)
dood
d)
geen van de genoemde 3
17.
Deze spiegel is.......
a)
dood
b)
levenloos
c)
levend
d)
geen van de genoemde 3
18.
Tot de levenskenmerken behoren.......
a)
groeien,ademhalen,ruiken
b)
ademhalen,zich voeden,lopen
c)
uitscheiden,bewegen,ademhalen
d)
voortplanten,groeien,horen
19.

Tot welk levenskenmerk hoort 'bewegen'?

a)

Ademhalen

b)

Uitscheiden

c)

Reageren op prikkels

d)

Groei

e)

Voeden

20.

Welke levenskenmerken horen bij stofwisseling?

a)

Ademhalen

b)

Bewegen

c)

Groei

d)

Voeden

e)

Uitscheiden

21.
In de bijballen worden de zaadcellen tijdelijk opgeslagen
a)
Juist
b)
Onjuist
22.
De prostaat voegt samen met de prostaat vocht toe aan de zaadcellen
a)
Juist
b)
Onjuist
23.

Iris had op 3 maart haar eerste dag van de menstruatie. Op welke dag zal haar eerstevolgende eisprong vermoedelijk zijn?

a)

14 maart

b)

16 maart

c)

31 maart

d)

24 maart

24.

Wordt het slijmvlies van de baarmoeder tijdens de menstruatie dikker?

a)

Ja

b)

Nee

25.

Wanneer is een vrouw het meest vruchtbaar?

a)

Vlak na de menstruatie

b)

Vlak voor de menstruatie

c)

Vlak na de eisprong

d)

Vlak voor de eisprong

26.

Hoeveel dagen duurt een menstruatiecyclus ongeveer?

a)

10

b)

14

c)

28

d)

35

27.
Op welke dag van de menstruatie vindt gemiddeld de eisprong plaats?
a)
10
b)
12
c)
14
d)
16
28.
In de bijballen worden de zaadcellen tijdelijk opgeslagen
a)
Juist
b)
Onjuist
29.
Bij een vrouw komt gemiddeld maar één follikel per twee weken tot volledige rijping
a)
Juist
b)
Onjuist
30.
Op welke dag vindt op de afbeelding de eisprong plaats? 
a)
21 April
b)
22 April
c)
23 April 
d)
24 April 
31.

Wat is bevruchting?

a)

de eicel en de zaadcellen treffen elkaar

b)

de kern van de eicel smelt samen met de kern van de zaadcel

c)

de eicel nestelt zich in het baarmoederslijmvlies

d)

de spermacel zwemt naar de eicel toe

32.

Ratten en mensen zijn zoogdieren. De bouw van een celkern is bij alle zoogdieren in principe gelijk.

Van een bruine rat bevatten bepaalde cellen per kern in totaal 21 verschillende chromosomen.

Zijn deze cellen geslachtscellen of lichaamscellen? Of is dat niet te zeggen?

a)

geslachtscellen

b)

lichaamscellen

c)

dat is niet te zeggen

33.
Beantwoord de volgende vragen met behulp van deze gegevens:
een bladcel van een erwtenplant bevat 14 chromosomen;
een pootcel van een kater bevat 38 chromosomen;
een niercel van een mens bevat 46 chromosomen.
Hoeveel chromosomen bevat een staartcel van een kater?
a)
14
b)
38
c)
72
d)
46
34.

Nadat mitose heeft plaatsgevonden, zijn de nieuwe cellen:

a)

identiek

b)

half identiek en half verschillend

c)

verschillend

d)

allemaal gestrekt

35.
Waarom is mitose nodig?
a)
Voor de vorming van geslachtscellen
b)
Voor de vorming van chromosomen
c)
Voor de vervanging van afgestorven cellen
d)
Voor de celdeling
36.

Waar is dit een foto van ?

a)

Chromosomen

b)

zaadcellen

c)

eicellen

d)

DNA

37.

Wat is de functie van hormonen?

a)

Hormonen zorgen dat het lichaam groeit

b)

zorgen dat je niet zwanger wordt

c)

regelen allerei processen in je lichaam

38.

Baarmoederwand wordt dikker wanneer een vrouw...…..

a)

kort na de menstruatie

b)

te veel heeft gegeten

c)

haar menstruatie niet heeft gehad

39.

op welke dagen wordt de baarmoederwand afgebroken?

a)

1-10

b)

1-4

c)

14-18

d)

20-24

40.

is deze vrouw zwanger?

a)

ja

b)

nee

41.

Iris had op 3 maart haar eerste dag van de menstruatie. Op welke dag zal haar eerstevolgende eisprong vermoedelijk zijn?

a)

14 maart

b)

17 maart

c)

31 maart

d)

24 maart

42.

Waarvoor dient de opbouw van het baarmoederslijmvlies?

a)

Om bevruchting mogelijk te maken

b)

Om innesteling mogelijk te maken

c)

Om menstruatie mogelijk te maken

43.

Wanneer is een vrouw het meest vruchtbaar?

a)

Vlak na de menstruatie

b)

Vlak voor de menstruatie

c)

Vlak na de eisprong

d)

Vlak voor de eisprong

44.
In de bijballen worden de zaadcellen tijdelijk opgeslagen
a)
Juist
b)
Onjuist
45.

In de bijballen worden de zaadcellen tijdelijk opgeslagen.

a)

Ja

b)

Nee

46.
De prostaat voegt samen met de prostaat vocht toe aan de zaadcellen
a)
Juist
b)
Onjuist
47.

Iris had op 3 maart haar eerste dag van de menstruatie. Op welke dag zal haar eerstevolgende eisprong vermoedelijk zijn?

a)

14 maart

b)

16 maart

c)

31 maart

d)

24 maart

48.

Wordt het slijmvlies van de baarmoeder tijdens de menstruatie dikker?

a)

Ja

b)

Nee

49.

Wanneer is een vrouw het meest vruchtbaar?

a)

Vlak na de menstruatie

b)

Vlak voor de menstruatie

c)

Vlak na de eisprong

d)

Vlak voor de eisprong

50.

Hoeveel dagen duurt een menstruatiecyclus ongeveer?

a)

10

b)

14

c)

28

d)

35

51.
Op welke dag van de menstruatie vindt gemiddeld de eisprong plaats?
a)
10
b)
12
c)
14
d)
16
52.

Wat is bevruchting?

a)

de eicel en de zaadcellen treffen elkaar

b)

de kern van de eicel smelt samen met de kern van de zaadcel

c)

de eicel nestelt zich in het baarmoederslijmvlies

d)

de spermacel zwemt naar de eicel toe

53.

is deze vrouw zwanger?

a)

ja

b)

nee

54.
Wat zijn primaire geslachtskenmerken?
a)
Geslachtskenmerken die later ontstaan
b)
Geslachtskenmerken die zichtbaar zijn bij de geboorte
c)
Geslachtskenmerken die zichtbaar worden tijdens de pubertijd
55.

er zijn primaire geslachtskenmerken die bij jongens en meiden hetzelfde zijn.

a)

juist

b)

onjuist

56.

Baardgroei is

a)

Primair geslachtskenmerk

b)

Secundair geslachtskenmerk

57.

De balzak is een voorbeeld van een

a)

Primair geslachtskenmerk

b)

Secundair geslachtskenmerk

58.
Waar vindt de bevruchting plaats?
a)
Baarmoeder
b)
Eierstok
c)
Baarmoederslijmvlies
d)
Eileider
59.

Welke geslachtscellen kunnen zelf bewegen?

a)

Zaadcellen

b)

Eicellen

60.

Waarvoor dient de opbouw van het baarmoederslijmvlies?

a)

Om bevruchting mogelijk te maken

b)

Om innesteling mogelijk te maken

c)

Om menstruatie mogelijk te maken

61.

Wanneer je klaar bent voor seks, is voor iedereen anders

a)

waar

b)

niet waar

62.

Hoeveel dagen duurt een menstruatiecyclus ongeveer?

a)

10

b)

14

c)

28

d)

35

63.
 Met welke letter wordt de plek aangegeven waar een eicel wordt bevrucht?
a)
P
b)
Q
c)
S
d)
R
64.
Waar worden zaadcellen gemaakt?
a)
Bijbal
b)
Zwellichaam
c)
Teelbal
d)
Zaadleider
65.

Wanneer spreken we van een embryo

a)

Tijdens de hele zwangerschap

b)

Na drie maanden van de zwangerschap

c)

De eerste drie maanden van de zwangerschap

d)

Wanneer de baby geboren is

66.
Roken is minder erg dan drinken tijdens een zwangerschap.
a)
Onzin, beide zijn ontzettend schadelijk voor een ongeboren kind.
b)
Klopt.
67.

Welke volgorde van levensfasen klopt?

a)

Baby - peuter - kleuter - schoolkind

b)

Baby - kleuter - peuter - schoolkind

c)

Peuter - baby - schoolkind - kleuter

68.

Welke levensfase duurt tot je ongeveer 65 bent?

a)

Bejaarde

b)

Volwassene

c)

Puber

d)

Adolescent

69.

Wat is een foetus?

a)

Een embryo

b)

Een ongeboren baby vanaf 3 maanden van de zwangerschap tot aan de geboorte

c)

Een ongeboren baby tot aan 3 maanden van de zwangerschap

d)

Een baby

70.

Bevat de navelstreng bloedvaten?

a)

Ja

b)

Nee

71.

Krijgt de moeder via de placenta voedingsstoffen van het embryo?

a)

Ja

b)

Nee

72.

Waarom ligt een embryo in het vruchtwater?

a)

Beschermd tegen stoten

b)

Helpt tegen uitdroging

c)

Gemakkelijker bewegen

d)

Oefenen voor zwemdiploma