wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Zinsleer (Herhaling alles)

Total questions: 105

Worksheet time: 2hrs 45mins

Name
Class
Date
1.

De advocaat was zijn toga vergeten.

zijn toga = ...

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

bijwoordelijke bepaling

2.

De cliënt gaf de advocaat een vreemde uitleg.

de advocaat = ...

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

onderwerp

d)

NWD

3.

Erik wil piloot worden.

a)

WWG

b)

NWG

4.

Gisteren verloor ik mijn evenwicht toen ik een boef achterna zat.

gisteren = ...

(a)  

5.

Een aantal jaar geleden werd er een komeet gezien boven Rusland. 

boven Rusland = ...

(a)  

6.

Uit welke delen bestaat het WWG/NWG?

De boef zou het bericht gelezen hebben.

a)

WWG = PV + INF + INF

b)

WWG = PV + VD

c)

NWG= PV + NWD

d)

WWG = PV + VD + INF

7.

Uit welke delen bestaat het WWG/NWG?

Hij staat daar te huilen bij de rechter.

a)

WWG = PV + INF + INF

b)

WWG = PV + TE + INF

c)

NWG= PV + NWD

d)

WWG = PV + VD + INF

8.

Welk zinsdeel is het lijdend voorwerp?

Elke zondag zijn de spelersvrouwen een koffie aan het drinken.

a)

elke zondag

b)

de spelersvrouwen

c)

een koffie

d)

aan het drinken

9.

Welk zinsdeel is het lijdend voorwerp?

Xavier schijnt een beroepsmilitair te zijn.

a)

Xavier

b)

een beroepsmilitair

c)

schijnt

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

10.

Welk zinsdeel is het lijdend voorwerp?

De voetballers stampen regelmatig de ruiten van de garage van DDT in.

a)

de voetballers

b)

regelmatig

c)

de ruiten van de garage

d)

de ruiten van de garage van DDT

11.

Welk zinsdeel is 'vaak'?

Vaak verenigen de Kampioenen zich tegen DDT als hij pesterijen uithaalt.

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

d)

Bijwoordelijke bepaling

12.

Welk zinsdeel is het lijdend voorwerp?

Xavier schijnt een beroepsmilitair te zijn.

a)

Xavier

b)

een beroepsmilitair

c)

schijnt

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

13.

Welk zinsdeel is een meewerkend voorwerp?

Mieke zond mij een boek over leeuwen.

a)

Mieke

b)

mij

c)

een boek

d)

over leeuwen

14.

Welke zinsdelen zijn bepalingen?

Met Billie zou ik tot het einde van mijn leven ruzie hebben.

a)

Met Billie

+

ruzie

b)

met Billie

+

tot het einde van mijn leven

c)

ruzie

+

ik

d)

tot het einde van mijn leven

+

ik

15.

Zijn jullie de voorbije maanden al naar een horrofilm gaan kijken?

a)

nwg

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

16.

De film 'IT' bezorgde mij een slapeloze nacht.

a)

nwg

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

17.

Ben je al vaak bang geweest tijdens series of films?

a)

nwg

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

18.

Om mijn stress onder controle te houden, eet ik dan popcorn.

a)

nwg

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

19.

Mijn beste vriend houdt van enge films. Ik gaf hem daarom een dvd-box met horrorfilms.

a)

nwg

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

20.

Welk is het BWB?


Gisteren zouden wij gaan zeilen.

a)

zouden gaan zeilen

b)

gisteren

c)

wij

d)

er is geen BWB

21.

Welke is de BWB?


Volgende week moet je hem gaan helpen.

a)

volgende week

b)

moet

c)

je

d)

hem

e)

gaan

22.

Welke is de BWB?


Door het droge voorjaar is het waterpeil gezakt.

a)

is

b)

het waterpeil

c)

door het droge voorjaar

d)

gezakt

23.

In deze rustige week voor Pasen gaan we een paar dagen naar de Ardennen.


Hier zijn meerdere BWB's in de zin. Duid ze aan.

a)

in deze rustige week voor Pasen

b)

gaan

c)

we

d)

een paar dagen

e)

naar de Ardennen

24.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.


Het voetbalveld in het park wordt vaak gebruikt door jongeren.

a)

WWG

b)

LV

c)

BWB

d)

O

e)

MV

25.

Benoem het onderstreepte zindeel.


In de zomervakantie laten we onze kampeerspullen in de auto.

a)

WWG

b)

LV

c)

BWB

d)

O

e)

MV

26.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.


Het enthousiaste publiek beloonde de band met een luid applaus.

a)

WWG

b)

LV

c)

BWB

d)

O

e)

MV

27.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.


In de Belgische dierentuin kreeg moeder leeuw Lorena een drielig.

a)

PV

b)

LV

c)

BWB

d)

O

e)

MV

28.

Wat is het LV?


De hond heeft gisteren een grote hap sneeuw genomen.

a)

de hond

b)

een grote hap sneeuw

c)

heeft

d)

gisteren

29.

Is dit een WWG of een NWG?


Ik danste vroeger de tango.

a)

WWG

b)

NWG

30.

Wat is het LV?


Wie heeft ooit een konijn op ski's gezien?

a)

wie

b)

ooit

c)

heeft

d)

gezien

e)

een konijn op ski's

31.

Vorige maandag heb ik een heerlijk ontbijt klaargemaakt.


Wat is het onderwerp?

(a)  

32.

Vorige maandag heb ik een heerlijk ontbijt klaargemaakt.


Wat is het gezegde?

(a)  

33.

De atleet gaf na twintig kilometer in een klein dorpje op.


Wat is het onderwerp?

(a)  

34.

De atleet gaf na twintig kilometer in een klein dorpje op.

Wat is het gezegde?

(a)  

35.

Vandaag vergaderen we in een lekker koel lokaal.


Wat is het onderwerp?

(a)  

36.

Tijdens de wedstrijd las Sophie het boek aan haar jongere zusje voor.

Wat is het onderwerp?

a)

Sophie

b)

las

c)

tijdens de wedstrijd

d)

las voor

37.

Tijdens de wedstrijd las Sophie het boek aan haar jongere zusje voor.

Wat is het gezegde?

a)

Sophie

b)

las

c)

tijdens de wedstrijd

d)

las voor

38.

Benoem het gekleurde gedeelte:
Onze wiskundeleraar leerde ons gisteren de stelling van Pythagoras.

(a)  

39.

Benoem het gekleurde gedeelte: Onze wiskundeleraar leerde ons gisteren de stelling van Pythagoras.

(a)  

40.

Benoem het gekleurde gedeelte:
Onze wiskundeleraar leerde ons gisteren de stelling van Pythagoras.

(a)  

41.

Benoem het gekleurde gedeelte: De medewerker van de webshop heeft jouw moeder de verkeerde kleding opgestuurd.

(a)  

42.

Typ hier het voorzetselvoorwerp uit de zin. Ik ga trouwen met een filmster.

4 lines
43.

Typ hier het voorzetselvoorwerp uit de zin. Ik rijd tot in Oostende om de zee te zien.

4 lines
44.

Typ hier het voorzetselvoorwerp uit de zin. Ik maak gebruik van mijn geheugen om mijn toets goed op te lossen.

4 lines
45.

Jouw taak voldoet niet ... de vereisten van de opdracht.

(a)  

46.

Hij is veroordeeld ... het schrobben van alle banken totdat er geen enkele kauwgom meer aan kleeft.

(a)  

47.

Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?


Gisteren heb ik haar een klap gegeven.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

handelend voorwerp

d)

voorzetselvoorwerp

48.

Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?


Mijn mama heeft de hond gisteren gevoederd.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

handelend voorwerp

d)

voorzetselvoorwerp

49.

Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?


Meneer Philippe wijkt graag af van het padje.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

handelend voorwerp

d)

voorzetselvoorwerp

50.

Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?


Mevrouw Jill is trots op haar nieuwe huis.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

handelend voorwerp

d)

voorzetselvoorwerp

51.

Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?


Op Paaszondag worden er chocolade eieren geraapt door kinderen.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

handelend voorwerp

d)

voorzetselvoorwerp

52.

Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?


Twee weken heb ik het oorlogsmuseum van Bastogne bezocht.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

handelend voorwerp

d)

voorzetselvoorwerp

53.

Is de onderstaande zin actief of passief?


De tanden van het kind werden gebroken tijdens de val op de trampoline.

a)

actief

b)

passief

54.

Noteer van onderstaande zin het voorzetselvoorwerp:


Bij deze warmte verlangen de mensen al snel naar wat schaduw.

(a)  

55.

Noteer van onderstaande zin het voorzetselvoorwerp:


Aan de eerlijkheid van Job hoeft de lerares echt niet te twijfelen.

(a)  

56.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Wij rekenen op een kladblaadje.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

57.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Wij rekenen op je komst.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

58.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


De leerlingen hingen aan haar lippen.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

59.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


De leerlingen hingen aan het rek.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

60.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Blijf met je vingers van mijn auto af.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

61.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Blijf met je vingers van mijn auto af.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

62.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Mijn jas hangt aan de kapstok..

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

63.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Ik verwonder me over zijn gedrag..

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

64.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


De hondjes wachten op hun brokjes..

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

65.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


De leraar ergert zich aan de muziek..

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

66.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Mijn moeder wacht op de nieuwe wasmachine..

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

67.

Is deze zin actief of passief?


Kom op tijd naar het examenlokaal.

a)

Actief

b)

Passief

68.

De boekentas van Femke werd door het raam gekieperd.

a)

Deze zin is actief.

b)

Deze zin is passief.

69.

Het bestrijden van armoede wordt door de Verenigde Naties als belangrijkste doel beschouwd.

a)

onderwerp

b)

handelend voorwerp

c)

ander zinsdeel

70.

De organisatie wil een goede gezondheid en welzijn bevorderen.

a)

actief

b)

passief

71.

De organisatie wil een goede gezondheid en welzijn bevorderen.

a)

onderwerp

b)

handelend voorwerp

c)

ander zinsdeel

72.

Goed onderwijs zorgt ervoor dat jongeren meer kansen krijgen.

a)

actief

b)

passief

73.

In een duurzame gemeenschap wordt door mensen voor elkaar gezorgd.

a)

onderwerp

b)

handelend voorwerp

c)

ander zinsdeel

74.

Dankzij sociale media blijven activisten uit alle landen met elkaar in contact en kunnen ze samen meer bereiken.

a)

onderwerp

b)

handelend voorwerp

c)

ander zinsdeel

75.

Wat is de functie van het schuingedrukte zinsdeel?

Harry doet de lamp op zijn nachtkastje aan.

(a)  

76.

Wat is de functie van het schuingedrukte zinsdeel?

Jonas is bang van spinnen.

(a)  

77.

Wat is de functie van het schuingedrukte zinsdeel?

Fien was gisteren opnieuw te laat.

(a)  

78.

De dief wordt door de politie gearresteerd.

(a)  

79.

Wat is in de volgende zin de bijwoordelijke bepaling?

In het huis aan de overkant woont een journalist van De Telegraaf.

a)

In het huis aan de overkant

b)

woont

c)

een journalist

d)

van De Telegraaf

80.

Wat is in de volgende zin de bijwoordelijke bepaling?

De Franse nationale feestdag valt op 14 juli.

a)

De Franse nationale feestdag

b)

14 juli

c)

op 14 juli

d)

valt

81.

Wat is in de volgende zin de bijwoordelijke bepaling?

Het hardrockcafé werd vanwege geluidsoverlast gesloten.

a)

Het hardrockcafé

b)

vanwege

c)

vanwege geluidsoverlast

d)

gesloten

82.

Dit wist je vast niet!

Wat is het onderwerp?

a)

dit

b)

je

c)

wist

d)

niet

83.

Is het een WWG of NWG ?

Alle ribben zijn van de ruggengraat losgemaakt.

a)

WWG

b)

NWG

84.

NWG of WWG?

Een operatie leek onvermijdelijk.

a)

NWG : leek

b)

WWG : leek

c)

NWG : leek onvermijdelijk

d)

WWG : een operatie leek

85.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?

Bij de afdaling van een berg ontdekten toeristen een gletsjerlijk.

a)

toeristen

b)

bij de afdaling

c)

bij de afdaling van een berg

d)

een gletsjerlijk

86.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?

Anne is een lieve dame.

a)

Anne

b)

Een lieve dame

c)

Geen LV mogelijk

87.

Ik woon in Mechelen

a)

bwb tijd

b)

bwb plaats

c)

bwb wijze

d)

geen bwb

88.

Deze zinsleer heb je later nodig.

a)

bwb tijd

b)

bwb plaats

c)

bwb reden

d)

geen bwb

89.

Meisjes zijn het allermooist.

a)

BWB tijd

b)

BWB wijze

c)

BWB reden

d)

geen bwb

90.

Wegens een treinstaking was hij te laat op het werk.

a)

BWB reden

b)

BWB tijd

c)

BWB plaats

d)

Geen BWB

91.

Schrijf je naam op elke toets.

a)

BWB plaats

b)

BWB tijd

c)

BWB wijze

d)

geen BWB

92.

Welk(e) woord(en) zijn de BWB in deze zin?

Je kan natuurlijk staalhard liegen tegen je leerkracht

a)

Je

b)

natuurlijk

c)

staalhard

d)

tegen je leerkracht

93.

Welk(e) woord(en) zijn de BWB in deze zin?

Maak samen een account aan.

a)

account

b)

samen

c)

geen BWB

d)

maak

94.

Welk(e) woord(en) zijn de BWB in deze zin?

Vraag toestemming voor die fuif aan je ouders.

a)

toestemming

b)

aan je ouders

c)

voor die fuif

d)

geen BWB

95.

Welk(e) woord(en) zijn de BWB in deze zin?

Veel sociale media werden in de jaren 2000 ontwikkeld in de Verenigde Staten.

a)

Sociale media

b)

in de Verenigde staten

c)

In de jaren 2000

d)

geen BWB

96.

De belangrijkste eigenschap van een BWB is

a)

dat de BWB kan weggelaten worden

b)

dat de BWB steeds vooraan staat

c)

dat de BWB noodzakelijk is in een zin

d)

dat de BWB iets meer vertelt over het werkwoord.

97.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Heeft de hond een bruine vacht?

a)

Heeft

b)

hond

c)

de hond

d)

vacht

98.
Wat is het lijdend voorwerp? 
Columbus ontdekte Amerika in 1492.
a)
Columbus
b)
Amerika
c)
in 1492
99.
Wat is het meewerkend voorwerp? 
De trainer gaf de spelers extra oefeningen. 
a)
De trainer
b)
de spelers
c)
extra oefeningen
100.
Sofie is populair. 
'is' is een...
a)
koppelwerkwoord
b)
hulpwerkwoord
c)
voltooid deelwoord
d)
infinitief
101.

Benoem de onderstreepte zinsdelen:

Vroeger was het beroep van leraar heel populair.

(a)  

102.

Vroeger was het beroep van leraar heel populair.

(a)  

103.

Vroeger was het beroep van leraar heel populair.

(a)  

104.

De Vlaamse regering biedt de handelaars extra voordelen.

(a)  

105.

Wie een reis wil boeken, kan op het internet hulp vinden.

(a)