wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

werkwoordspelling - regels en oefenen t.t.

Total questions: 12

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Hoeveel regels gebruik je bij werkwoordspelling?

a)

Twee regels: eentje voor de t.t. en eentje voor de v.t..

b)

Voor enkelvoud, meervoud, t.t., v.t., en bijvoeglijk naamwoord.

c)

Er is voor elke tijd een regel: heden, verleden, toekomst.

d)

Je hebt regels voor verschillende tijden en voor sterke- en zwakke werkwoorden.

2.

Welke regel gebruik je in de tegenwoordige tijd?

a)

Stam-en

b)

Het hele werkwoord -en (min e.n)

c)

Stam+t (ik-vorm+t)

d)

't ex kofschip

3.

Hoeveel regels gebruik je voor de verleden tijd? Welke regel(s)?

a)

Twee regels: stam-en+t als het onderwerp enkelvoud is.

b)

Twee regels: ik-vorm+t als de laatste letter in 't ex kofschip zit.

c)

Een regel: 't ex kofschip.

d)

Een regel: stam+de(n).

4.

De stam van een werkwoord is altijd hetzelfde als de ik-vorm van dat werkwoord.

Typ ja of typ nee.

(a)  

5.

In welke zin is gebruik gemaakt van de regel 'stam+t'?

a)

De docent legt het goed uit.

b)

De docent legde het goed uit.

c)

De docent had het goed uitgelegd.

d)

De docent wist niet meer hoe hij het moest uitleggen.

6.

In welke zin is gebruik gemaakt van de regel 'stam+t'?

a)

Had jij een goede beoordeling voor die opdracht?

b)

Ik durfde alleen met het licht aan te slapen.

c)

Vroeg jij het goede antwoord aan je klasgenoot?

d)

Hij houdt het meest van spannende boeken.

7.

In welke zin moet je de regel 'stam+t' gebruiken?

a)

Wij (gaan) naar het literatuurmuseum.

b)

Ali en Ben (houden) van sport.

c)

Gisteren (werken) Carmen aan Nederlands.

d)

Valérie (houden) ook van sport.

8.

In welke zin moet je de regel 'stam+t' gebruiken?

a)

(Gaan) jij naar de bioscoop?

b)

Mijn tante (lachen) de hele dag.

c)

Meral had een onvoldoende; ze (hebben) verkeerd geleerd.

d)

(Zullen) we naar het strand gaan?

9.

Vervoeg het werkwoord in de tegenwoordige tijd (t.t.)

In de t.t. gebruik je stam+t (ik-vorm+t).

(Vinden) je tante het goed als ik mee ga?

a)

Vind

b)

Vond

c)

Vinden

d)

Vindt

10.

Vervoeg het werkwoord in de tegenwoordige tijd (t.t.)

In de t.t. gebruik je stam+t (ik-vorm+t).

(Werken) je aan de opdracht voor wiskunde?

a)

Werkt

b)

Werk

c)

Werkten

d)

Gewerkt

11.

1. 'Je' is het onderwerp (Je...........)

2. Zoek het rijtje met de foute vervoeging van het werkwoord.

a)

meet

surft

durvt

draait

b)

rent

zit

ligt

komt

c)

loopt

vindt

maakt

geeft

d)

houdt

vindt

verhuist

voedt

12.

1. 'Je' is het onderwerp (Je...........)

2. Zoek het rijtje met de foute vervoeging van het werkwoord.

a)

biedt

bindt

vermijdt

interesseert

b)

zendt

wordt

red

leidt

c)

vermoeit

begeleidt

beantwoordt

meldt

d)

blijft

glijdt

schudt

roept