wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoordspelling

Total questions: 20

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Hij ...(beantwoorden) de vraag correct.

a)

beantwoord

b)

beantwoordt

c)

beantwoort

d)

antwoordt

2.

(wachten) jullie gisteren meer dan een uur op de bus?

a)

Wachten

b)

Wachtten

c)

wachten

d)

wachtten

3.

Iedereen (ondersteunen) de club door loten te kopen.

a)

ondersteunt

b)

ondersteundt

4.

Waarom heeft u zo onvriendelijk ... (reageren) op mijn opmerking?

a)

reageert

b)

gereageert

c)

gereageerd

d)

reageerdt

5.

Vanwege het onweer ... (durven) de katten gisteravond niet meer naar buiten.

a)

durven

b)

durft

c)

durvden

d)

durfden

6.

(vinden)... je die film van gisteren echt goed?

a)

Vindt

b)

Vint

c)

Vind

7.

We hebben de hele avond ...(dansen).

a)

gedanst

b)

gedansd

c)

danst

8.

De aardbeving in Syrië op 6 februari... (zijn) verschrikkelijk.

a)

is

b)

waren

c)

zijn

d)

was

9.

(melden) je bij de directeur!

a)

meld

b)

meldt

c)

melt

10.

Aan de uitvoering van het toneelstuk is flink (schaven).

a)

geschaaft

b)

geschaafdt

c)

geschaafd

11.

Het eerste antwoord is de stam, het tweede is de ik-vorm,

-houden-

a)

houd, houdt

b)

houdt, houdt

c)

houd, houd

d)

houd, houden

12.

Vroeger ... (zingen) we allemaal als nachtegaaltjes.

a)

zingen

b)

zingden

c)

zongen

d)

zongden

13.

Vorige week hebben er weer enkele leerlingen op de speelplaats ... (vechten).

a)

gevechten

b)

gevecht

c)

gevochten

d)

gevechten

14.

Had ik dat maar eerder (weten) !

a)

geweten

b)

geweeten

c)

geweette

15.

Mevrouw Roose ... (geven) in het begin van het schooljaar een heel gemakkelijk toets.

a)

geeft

b)

geef

c)

gaf

d)

gaven

16.

Tijdens het eindexamen is de docent over een stoelpoot (struikelen) !

a)

gestruikelt

b)

gestruikeld

c)

gestruikeldt

17.

De gans (broeden) broedt momenteel op haar eieren

a)

broed

b)

broedt

c)

broet

18.

In 2003 ... (zijn) er een erge orkaan in Amerika, de wind ... (blazen) er heel wat bomen en huizen omver.

a)

waren, blaasde

b)

was, blaasde

c)

is, blaast

d)

was, blies

19.

Wanneer gebruik je GEEN komma?

a)

Tussen twee persoonsvormen

b)

Voor een voegwoord

c)

Voor bijvoeglijke naamwoorden

d)

Na een aanspreking of uitroep

e)

Bij een opsomming

20.

De stam van het werkwoord is altijd het hele werkwoord -en.

a)

Ja, precies

b)

Ja, in de tegenwoordige tijd wel, maar in de verleden tijd niet.

c)

Nee, ook niet in de tegenwoordige tijd want de stam bestaat niet.

d)

Nee, alleen als je gebruik maakt van 'T eX KoFSCHiP.