wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 4 H4 Leefomgeving Stedelijke gebieden

Total questions: 75

Worksheet time: 1hrs 6mins

Name
Class
Date
1.

1. Ouderdom van de woning, 2. eigendom, 3. woningtype, 4. staat van onderhoud.

(a)  

2.

Het gescheiden wonen van verschillende bevolkingsgroepen in de stad.

(a)  

3.

De belangrijkste kenmerken van een bepaalde buurt samengevat: bewonerskenmerken, woningkenmerken en omgevingskenmerken.

(a)  

4.

1. grootte van huishoudens, 2. etniciteit, 3. inkomen, 4. gezinsfase / leeftijd.

(a)  

5.

Het verbeteren van de kwaliteit van de woningen door de overheid (1980-1990).

(a)  

6.

Wijken gebouwd tussen 1950 en 1970, waar hoogbouw wordt afgewisseld met laagbouw.

(a)  

7.

Het slopen van slechtere huurwoningen en de nieuwbouw van duurdere koopwoningen.

(a)  

8.

Het proces waarbij in een oudere wijk steeds meer woningen opgeknapt worden, waardoor er mensen met een hoger inkomen komen wonen. Hierdoor stijgen de huizenprijzen en het voorzieningenniveau in de wijk.

(a)  

9.

Woonwijk gebouwd tussen 1870 en 1920.

(a)  

10.

Alle regels die er bestaan over de inrichting van de ruimte: Wat mag waar?

(a)  

11.

Samenwerking tussen de 3 bestuurslagen: gemeente, provincie en Rijk.

(a)  

12.

Gebied waarin stad en ommeland onderling veel contacten en verkeersstromen hebben.

(a)  

13.

De samenwerking tussen bedrijfsleven en overheid bij grote bouwprojecten.

(a)  

14.

Overheid die de belangen van iedereen behartigt.

(a)  

15.

Het bedrijfsleven, waar veel kennis en geld aanwezig is.

(a)  

16.

Degene die beslissingen nemen in de maatschappij, bijvoorbeeld Rijk, provincie en gemeente.

(a)  

17.

Bedrijven in de tertiaire sector die allerlei diensten aan het bedrijfsleven en de overheid bieden.

(a)  

18.

Bedrijventerrein met kennisintensieve bedrijven, die vaak samenwerken met een universiteit.

(a)  

19.

Een economie gebaseerd op hersenkracht en dienstverlening.

(a)  

20.

De grote kloof tussen banen voor hoof- en voor laagopgeleiden.

(a)  

21.

Een stad met veel werkgelegenheid in creatieve beroepen.

(a)  

22.

Een stad die maximaal gebruik maakt van digitale technologie: computers en internet.

(a)  

23.

Een stad die energieneutraal is en afval hergebruikt, zodat toekomstige generaties er goed kunnen blijven leven.

(a)  

24.

Voorzieningen van een hoge kwaliteit waarvoor mensen veel willen betalen en die een grote klantenkring nodig hebben.

(a)  

25.

Het gescheiden wonen en leven van verschillende bevolkingsgroepen.

(a)  

26.

Het proces waarbij de stedelijke bevolking weer toeneemt.

(a)  

27.

Hoefijzervormig stedelijk gebied.

(a)  

28.

Het proces waarbij in een oudere wijk steeds meer woningen opgeknapt worden, waardoor er mensen met en hoge inkomen komen wonen. Hierdoor strijgen de huizenprijzen en het voorzieningenniveau in de wijk.

(a)  

29.

Een samenleving zo organiseren dat die geschikt is voor de huidige en toekomstige generaties.

(a)  

30.

Een nieuw stadsdeel dat meestal aan de rand van de stad ligt (gebouwd na 1995) en vooral bestaat uit gezinswoningen en dagelijkse voorzieningen.

(a)  

31.

Gebied waarin een aantal steden liggen die goed met elkaar en de regio verbonden zijn.

(a)  

32.

De toename van de stedelijke bevolking ten opzichte van de bevolking op het platteland.

(a)  

33.

Goedkope huurwoningen voor mensen met lagere inkomens.

(a)  

34.

Dit is een typisch voorbeeld van een (a)   -wijk

35.

Houten, Nieuwegein, Almere, Purmerend, Pijnacker... allemaal voorbeelden van: (a)   -kernen uit de jaren '60 en '70

36.

Het begrip dat hierbij past is: ............. ............. samenwerking

(a)  

37.

Dit is een (a)   -flat

38.

Dit is een (a)   -flat

39.

Wat zijn voorbeelden van krimpregio's?

a)

Gelderland, Groningen, Flevoland

b)

Noord-Holland, Limburg,

Drenthe

c)

Noordoost Groningen, Zeeuws Vlaanderen, Zuid-Limburg

40.

Als in de ene wijk de ene bevolkingsgroep woont en in de andere wijk de andere, dan spreek je van ruimtelijke (a)  

41.

Een gebied met bedrijven in de buurt van een Universiteit of Hogeschool noem je een: (a)   (Engelse term)

42.

Als een verlaten bedrijventerrein wordt verbouwd tot nieuwbouwlocatie met een mix van wonen, werken en recreëren , noem je dat:

a)

stadsvernieuwing

b)

herstructurering

c)

gentrification

43.

Welk proces zie je hier in beeld?

(a)  

44.

Welke maatregel kan de gemeente nemen in de openbare ruimte om de sociale cohesie in een wijk te bevorderen?

a)

fitnessapparaten neerzetten in een park

b)

groene daken aanleggen op bushokjes

c)

meer politie op straat

d)

de sociale huurwoningen opknappen

45.

Woninginbraken en fietsendiefstallen zeggen iets over de:

a)

objectieve onveiligheid

b)

subjectieve onveiligheid

46.

Waar komen innovatieve bedrijven vooral voor?

a)

Randstad

b)

In het centrum

c)

In de suburbs

d)

Op scienceparks en 19e-eeuwse wijken

47.

Wat is een kenmerk van een creatieve stad?

a)

Een afname van werkgelegenheid

b)

Een laagopgeleide bevolking

c)

Een hoog brp/hoofd

d)

Veel landbouw en veeteelt

48.

Waar werden in grote aantallen woningen in de Randstad gebouwd tijdens het VINEX-beleid?

a)

In de landelijke gebieden

b)

Aan de rand van de grote steden

c)

In de groeikernen buiten de Randstad

d)

In het historisch centrum

49.

Wat zijn de twee vormen van ruimtelijk beleid in Nederland?

a)

Modernisatiebeleid en traditioneel beleid

b)

Uitbreidingsbeleid en inkrimpingsbeleid

c)

Centralisatiebeleid en decentralisatiebeleid

d)

Spreidingsbeleid en concentratiebeleid

50.

Wat is het gevolg van 'krimp' in sommige delen van Nederland?

a)

Een groeiende economie

b)

Meer werkgelegenheid

c)

Leegstand van woningen, winkels en bedrijfspanden

d)

Toename van de bevolking

51.

Waarom stimuleert de overheid metropoolvorming?

a)

Om de steden te isoleren

b)

Om de concurrentiepositie in Europa te versterken

c)

Om de bevolking te verkleinen

d)

Om de steden te decentraliseren

52.

Wat is metropoolvorming?

a)

Een proces van decentralisatie van stedelijke functies

b)

Een proces van isolatie van steden

c)

Een proces van verkleining van steden

d)

Een proces van globalisering in de stedelijke samenleving, waarbij grootstedelijke functies zich concentreren in één metropool

53.

Wat zijn de twee intercontinentale transportknooppunten in de Randstad?

a)

Schiphol en Parijs

b)

Rotterdamse haven en Berlijn

c)

Schiphol en Rotterdamse haven

d)

Londen en Amsterdam

54.

Wat zijn grootstedelijke functies die een metropool vervult?

a)

Landbouw en veeteelt

b)

Openbaar bestuur, kennis, cultuur, recreatie

c)

Visserij

d)

Bosbouw en houtproductie

55.

Hoeveel inwoners heeft de Randstad?

a)

Ruim 5 miljoen inwoners

b)

Ruim 7 miljoen inwoners

c)

Meer dan 10 miljoen inwoners

d)

Minder dan 1 miljoen inwoners

56.

Wat is een smart city?

a)

Een stad waar geen technologie wordt gebruikt

b)

Een stad waar alleen oude technologie wordt gebruikt

c)

Een stad die maximaal gebruikmaakt van digitale technologie zoals computers en internet

d)

Een stad waar geen internet is

57.

Wat is een duurzame stad?

a)

Een stad die geen rekening houdt met toekomstige generaties

b)

Een stad die veel afval produceert

c)

Een stad die energieneutraal is en afval hergebruikt

d)

Een stad die geen groene ruimtes heeft

58.

Uit welke tijd stamt de volgende wijk:

-         Kleine karakteristieke woningen

-         Eentonige aaneengesloten bebouwing

Smalle straten en recht stratenpatroon

a)

1870-1910

b)

1910-1940

c)

1950-1975

d)

na 1975

59.

Uit welke tijd stamt de volgende wijk:

  Veel hoogbouw (portiek- en galerijflats)

Eentonige bebouwing, vooral rijtjeshuizen

a)

1870-1910

b)

1910-1940

c)

1950-1975

d)

na 1975

60.

Uit welke tijd stamt onderstaande wijk?

-         Voornamelijk eengezinswoningen

-         Speelse, gevarieerde bebouwing

-         Kronkelig stratenpatroon, woonerven

a)

1870-1910

b)

1910-1940

c)

1950-1975

d)

1975-2000

61.

Welke van de volgende kenmerken versterkt het meest de sociale cohesie  in een wijk?

a)

A De bewoners in deze wijk zijn echt heel verschillend

b)

B Dit zijn echte starterswoningen

c)

C Er is veel sociale controle in de wijk.

d)

D Er wonen vooral alleenstaanden in de wijk

62.

Welke uitspraak of uitspraken is/zijn juist?

a)

De kenniseconomie heeft geleid tot de opkomst van creatieve steden in Nederland

b)

Een groot probleem in steden is het vinden van voldoende ruimte voor de creatieve economie.

c)

Verduurzaming van de voormalige havengebieden is niet mogelijk.

d)

Ruimtelijke segregatie heeft geleid tot een duale arbeidsmarkt.

63.

Uit welke tijd stamt de volgende wijk:

  Veel hoogbouw (portiek- en galerijflats)

Eentonige bebouwing, vooral rijtjeshuizen

a)

1870-1910

b)

1910-1940

c)

1950-1975

d)

na 1975

64.

In welke bouwperiode zijn de meeste wijken gebouwd waar nu gentrification plaatsvindt?

  

a)

  Tussen 1870 en 1910

b)

Tussen 1920 en 1940

c)

  Tussen 1950 en 1970

d)

Na 1970

65.

Welke van de volgende zinnen gaan over objectieve sociale veiligheid?

a)

A          Dat fietspad door het park is overdag leuk, maar gisteravond werd mijn vriendin daar door een paar mannen nageroepen.

b)

B          Die camera’s lijken toch echt te werken: mensen voelden zich afgelopen jaar veiliger

c)

C         Sinds de buurtagent wegbezuinigd is, lijkt het of die jongelui zich minder van de regels aantrekken

d)

D         Inbraak en geweldpleging zijn in deze wijk sterk gedaald.

66.

De creatieve sector heeft invloed op de economie van de stad. Welke zin is juist?

a)

A      De invloed is negatief, de creatieve sector kent veel startups die voor het grootste deel mislukken.

b)

B      De invloed is positief, de creatieve sector biedt werk aan werklozen en laagopgeleide mensen.

c)

C      De invloed is positief, de creatieve sector heeft veel hoogopgeleide werknemer die in de stad hun geld uitgeven.

d)

D      De invloed is positief noch negatief, de creatieve sector is buiten de stad gevestigd en heeft weinig invloed.

67.

Welk begrip past niet bij het begrip ‘duurzame stad’?

a)

open data

b)

digitale technologie

c)

energiegebruik

d)

recycling

68.

Welke stelling is juist?

a)

Digitale infrastructuur helpt een stad duurzaam te zijn.

b)

Een smart city kenmerkt zich doordat er een sciencepark is.

c)

In een smart city heb je minder sociale ongelijkheid.

d)

Kleinere steden zijn duurzamer dan grotere steden.

69.

Hoe noem je het fenomeen als een wijk volledig opgeknapt wordt en de leefbaarheid daardoor beter wordt?

a)

Herstructurering

b)

Aanpassingstaak

c)

Re-urbanisatie

d)

Publiek-private samenwerking

70.

'Ik voel mezelf niet veilig na 23:00 in dit park'. Gaat deze zin over objectieve of subjectieve veiligheid?

a)

Objectief

b)

Subjectief

c)

Geen van beide

71.

Bekijk de afbeelding. Wat zien we hier?

a)

Saneren

b)

Restaureren

c)

Renoveren

72.

Wat valt er onder 'de publieke sector'?

a)

Bedrijven

b)

De overheid

c)

Winkels en horeca

73.

Bekijk het plaatje. Wat is een science park?

a)

Een locatie waar universiteiten en bedrijven nauw samenwerken.

b)

Een locatie waar veel chemische proeven gedaan worden.

c)

Een locatie waar alleen maar universiteiten zitten

74.

Uit welke 2 soorten kennis bestaat de kenniseconomie?

a)

Technologische kennis en sociale kennis

b)

Marktkennis en ondernemingskennis

c)

Stadskennis en bestuurskennis

75.

Wat is ruimtelijke segregatie?

a)

Als bevolkingsgroepen gescheiden leven in een stad

b)

Als bevolkingsgroepen gemengd wonen door de hele stad