wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Test jezelf - T9

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Samengestelde zinnen maak je door...

a)

van een zin een zin te maken met een voegwoord.

b)

van twee zinnen een zin te maken met een voegwoord.

2.

Wat zijn voegwoorden?

a)

Dat zijn woorden waarmee je zinnen aan elkaar voegt.

b)

Voegwoorden zijn woorden die een zin vragend maken.

3.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Ik doe er niet aan mee, ........ ik het zaakje niet vertrouw.

a)

mits

b)

dus

c)

omdat

d)

hoewel

4.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Ik ben voor niemand bang, ........ kom maar op!

a)

want

b)

en

c)

maar

d)

dus

5.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


We stoppen met voetballen, ........ de bal is lek.

a)

want

b)

hoewel

c)

maar

d)

indien

6.

Wat is in deze zin het voegwoord: We doen deze les, omdat je er wat van leert.

a)

omdat

b)

We

c)

doen

d)

leert

7.

Veel teksten bestaan uit een:

a)

inleiding, kern en slot

b)

begin, hoofdzaak en bijzaken

c)

begin en eind

d)

inleiding, onderwerp en alinea's

8.
Vaak worden er in het middenstuk verschillende delen van het onderwerp besproken. Dit noemen we
a)
alinea's
b)
inleiding
c)
tussenkopjes
d)
deelonderwerpen
9.

Wat is geen leesstrategie ?

a)

Oriënterend lezen

b)

Zoekend lezen

c)

Oppervlakkig lezen

d)

Globaal lezen

10.

Welke leesstrategie kan je het beste gebruiken als...

je de tekst helemaal goed wilt begrijpen en je de hoofdzaken van een tekst wilt vinden?

a)

zoekend lezen

b)

intensief lezen

c)

kritisch lezen

d)

globaal lezen

11.

Welke leesstrategie kan je het beste gebruiken als….

je het onderwerp wilt vaststellen en snel wilt bepalen of de tekst voor jou interessant is?

a)

globaal lezen

b)

oriënterend lezen

c)

studerend lezen

d)

kritisch lezen

12.

Welke leesstrategie kan je het beste gebruiken als... je deelonderwerpen wilt vaststellen?

a)

globaal lezen

b)

studerend lezen

c)

kritisch lezen

d)

zoekend lezen

13.
Als je heel blij bent, dan
a)
loop je met hoofd in de wolken
b)
loop je met je neus in de wind
c)
loop je voor iemands voeten
d)
ben je betrapt
14.
Als je aan het langste eind trekt, dan
a)
verlies je alles
b)
dan ben je de sterkste bij touwtrekken 
c)
dan ben je de beste
d)
dan ben je de slechtste
15.
Als je door de mand valt dan
a)
ben je een klungel
b)
neem je het voortouw
c)
is de mand kapot
d)
lieg je en word je betrapt
16.
Water naar de zee dragen
a)
Iets doen waar je tegenop ziet
b)
Overbodig werk doen
c)
Iets heel gemakkelijk kunnen doen
d)
Heel hard gillen
17.
Door de zure appel heen bijten
a)
Betrapt worden
b)
Proberen informatie bij iemand los te krijgen
c)
Iets doen waar je tegenop ziet
d)
Iemand voor de gek houden
18.
Het loopt de spuigaten uit
a)
Het is te erg
b)
Overbodig werk doen
c)
Iets doen waar je tegenop ziet
d)
Iemand voor de gek houden
19.
Iemand aan de tand voelen
a)
Heel hard gillen
b)
Iets heel gemakkelijk kunnen doen
c)
Zich ergens heel erg op verheugen
d)
Proberen informatie bij iemand los te krijgen
20.
Iemand om de tuin leiden
a)
Iemand voor de gek houden
b)
Het is te erg
c)
Overbodig werk doen
d)
Iets doen waar je tegenop ziet