Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

MODULE 5 PRODUCEREN IN EEN LANDELIJK GEBIED

Total questions: 55

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

Welk grondgebruik hebben we nodig voor veeteelt?

a)

weides of stallen

b)

akkers of velden

c)

boomgaarden

d)

bossen

2.

welk grondgebruik hebben we nodig voor fruitteelt?

a)

weides of stallen

b)

akkers of velden

c)

boomgaarden

d)

bossen

3.

Welke landbouwactiviteit is er bij het grondgebruik bossen?

a)

veeteelt

b)

graanteelt

c)

bosbouw

d)

fruitteelt

4.

Welke landbouwactiviteit wordt er gedaan op akkers of velden?

a)

veeteelt

b)

groenteteelt

c)

bosbouw

d)

fruitteelt

5.

Aan welke landbouwactiviteit doet men als men varkens kweekt?

a)

fruitteelt

b)

groenteteelt

c)

graanteelt

d)

veeteelt

6.

Aan welke landbouwactiviteit doet men als men appels, kersen, peren teelt?

a)

fruitteelt

b)

graanteelt

c)

bosbouw

d)

veeteelt

7.

Welke producten verkrijg je als je aan veeteelt doet?

a)

melk, kaas, vlees

b)

appels, peren, pruimen

c)

hout

d)

granen of groenten

8.

Welke producten verkrijg je als je aan groenteteelt doet?

a)

tarwe, gerst, maïs, rijst, haver, gierst, rogge

b)

bloemkool, spruitjes, wortelen

c)

kasten, tafels, stoelen,

d)

melk en vlees

9.

Welke geografische landbouwstreek in België heeft veel graanteelt?

a)

Condroz

b)

Kempen

c)

Leemstreek

d)

Haspegauw

10.

Welke geografische landbouwstreek heeft veel varkens-veeteelt?

a)

Polders

b)

Kempen

c)

Ardennen

d)

Lotharingen

11.

Welke geografische landbouwstreek heeft veel bosbouw?

a)

Zandlemig Vlaanderen

b)

Ardennen

c)

Land van Herve

d)

Haspengouw

12.

Welke 2 geografische landbouwstreken hebben veel boomgaarden?

a)

Polders

b)

Haspengauw

c)

Condroz

d)

Land van Herve

13.

Welke geografische landbouwstreek ligt net voor de kust?

a)

Zandlemig Vlaanderen

b)

Kempen

c)

Leemstreek

d)

Polders

14.

In welke geografische landbouwstreek ligt Charleroi, Dinant en Namen?

a)

Condroz

b)

Zandlemig Vlaanderen

c)

Fagne en Famenne

d)

Ardennen

15.

In welk reliëfgebied ligt Charleroi?

a)

Laag België

b)

Hoog-België

c)

Laag plateau

d)

Hoog plateau

16.

In welke reliëfgebied ligt Brugge?

a)

Laag-België

b)

Laag plateau

c)

Hoog plateau

d)

Midden België

17.

Wat is de grootste geografische landbouwstreek van Antwerpen?

a)

Haspengauw

b)

Zandlemig Vlaanderen

c)

Kempen

d)

Polders

18.

Een nederzetting met veel inwoners, dichte bebouwing en veel functies is een

a)

gehucht

b)

dorp

c)

stad

d)

residentiële wijk

19.

Wat ligt er meestal geïsoleerd in de velden?

a)

een alleenstaande woning

b)

een landbouwbedrijf

c)

een residentiële wijk

d)

een gehucht

20.

een aparte wijk buiten het dorp, daterend uit 1950-60 met villa's en open bebouwing is

a)

een residentiële wijk

b)

een landbouwbedrijf

c)

een gehucht

d)

een dorp

21.

een gehucht is een

a)

een nederzetting met veel inwoners, een dichte bebouwing en veel functies

b)

een hele kleine nederzetting met heel weinig inwoners en zonder kerk

c)

een nederzetting met weinig inwoners, halfopen of open bebouwing gegroepeerd rondom een kerk

d)

een aparte wijk buiten het dorp, daterend uit 1950-60 met villa's en open bebouwing

22.

De horizonlijn bij een gebergte is

a)

golvend

b)

vlak/recht

c)

kantig

23.

Welke reliëfvorm hebben we niet in België?

a)

vlakte

b)

heuvels

c)

plateau

d)

gebergte

24.

Bij een plateau is het hoogteverschil

a)

klein

b)

groot

c)

matig

25.

We hebben een steile helling bij een

a)

vlakte

b)

gebergte

c)

heuvelland

26.

Welk grondgebruik domineert bij bocage?

a)

bossen

b)

akkers of velden

c)

weides

27.

Welke afsluitingen heeft een openfield landschap?

a)

aardewegen

b)

hagen

c)

boomrijen

d)

prikkeldraad

28.

Prikkeldraad is de afsluiting bij

a)

Bocage landschap

b)

Openfield landschap

c)

stedelijk landschap

d)

industriëel landschap

29.

Stervorm-wegen is vooral bij

a)

bocage

b)

openfield

30.

De bebouwing bij openfield is vooral

a)

verspreid

b)

gegroeperd

31.

De horizonlijn bij bocage is

a)

kantig

b)

golvend

c)

vlak

d)

effen

32.

In de Polders is het oppervlak vooral

a)

effen

b)

oneffen

33.

Welk perspectief heeft de foto als de fotograaf op een heuvel staat?

a)

horizontale grondfoto

b)

schuine luchtfoto

c)

vertikale luchtfoto

34.

Dit is

a)

een vertikale luchtfoto

b)

een horizontale grondfoto

c)

een vertikale luchtfoto

35.

Welk landbouwlandschap is dit?

a)

openfield landbouwlandschap

b)

bocage landbouwlandschap

c)

industrieel landschap

d)

verstedelijkt landschap

36.

Welke natuurlijke elementen kan je waarnemen op een foto?

a)

bebouwing en infrastructuur

b)

vegetatie en hydrografie

37.

Bebouwing en infrastructuur zijn

a)

artificiële elementen op een foto

b)

natuurlijke elementen op een foto

38.

Dit is een

a)

industriëel landschap

b)

stedelijk landschap

c)

bocage landschap

d)

openfield landschap

39.

Op het middenvlak zien we

a)

hydrografie: een rivier

b)

Bebouwing: Industrie

c)

Vegetatie: bossen

40.

Het Land van Herve ligt in twee provincies?

a)

Namen en Luik

b)

Antwerpen en Limburg

c)

Limburg en Luik

d)

West-Vlaanderen en Antwerpen

41.

Een topografische kaart van België is

a)

een schematische bron

b)

een materiële bron

c)

een mondelinge bron

d)

een geschreven bron

42.

Een tekst geschreven in 2023 over de prehistorie is een

a)

later werk

b)

historische bron

43.

Duid een materiële bron aan

a)

een plan van Charleroi

b)

een foto van een bocage landschap

c)

een oude boerderij

d)

een tekst over Karel de Grote en het feodalisme

44.

De agrarische periode duurt van

a)

de Moderne tijd tot de Hedendaagse tijd

b)

van het Neolithicum tot de Moderne tijd

c)

van het Paleolithicum tot de Moderne tijd

d)

van de Vroegmoderne tijd tot de Hedendaagse tijd

45.

De periode van de Moderene tijd tot de Hedendaagse tijd is

a)

Agrarische periode

b)

Industriële periode

46.

De handploeg werd vooral gebruikt in

a)

de Klassieke Oudheid

b)

de middeleeuwen

c)

de vroegmoderne tijd

d)

het neolithicum

47.

Welk nieuw materiaal gebruikten de Kelten?

a)

hout

b)

ijzer en metaal

c)

dieren

48.

In welke periode leefde de Kelten?

a)

Neolithicum

b)

Vroegmoderne tijd

c)

Klassieke Oudheid

d)

Moderne tijd

49.

Boeren hakken bomen om om landbouwgrond te creëren is

a)

feodalisme

b)

ontbossing

c)

drieslagstelsel

50.

Wat is dit? De leenheer leende gronden aan zijn leenmannen (de boeren). De leenmannen kregen 5%van de opbrengst en de leenheer 95%.

a)

ontbossing

b)

drieslagstelsel

c)

feodalisme

d)

nieuwe dierenploeg

51.

het drieslagstelsels is

a)

De leenheer leende gronden aan zijn leenmannen (de boeren). De leenmannen kregen 5%van de opbrengst en de leenheer 95%.

b)

is een landbouwsysteem waarbij de akker elke drie jaar een jaar braak bleef liggen en deze werd gebruikt als weide.

c)

De boeren hakken alle bomen om, om nieuwe landbrouwgrond te creëren

52.

In de landbouw maakt men in ook gebruik van de stoommachine sinds

a)

Vroegmoderne tijd

b)

de Middeleeuwen

c)

de Moderne tijd

d)

de Hedendaagse periode

53.

In de hedendaagse tijd zijn er ook problemen door de massaproductie

a)

Pesticiden en dierenziekten (varkenspest, blauwe koeienziekte, vogelgriep)

b)

feodalisme

c)

drieslagstelsel

d)

ontbossing

54.

De meeste machines zijn gemechaniseerd. Hierdoor heb je

a)

massaproductie

b)

miniproductie

55.

De landbouwer vandaag heeft

a)

een kleine boerderij en bijna geen ziektes

b)

weinig hectare grond

c)

veel hectare grond

d)

geen strenge politieke productienormen