Font size
Worksheets1KGT Taalverzorging 4/5/6
Total questions: 70
Worksheet time: 35mins
Wat zit er altijd in het werkwoordelijk gezegde?
Persoonsvorm
Voltooid deelwoord
Infinitief
Alle vormen komen altijd voor
Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?
Zij moest een heel stuk lopen om naar school te komen
moest
komen
moest te komen
moest komen
Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?
Ze leest elke dag een paar bladzijdes in haar spannende boek.
(a)
Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?
Ze wil elke avond graag even televisie kijken
wil
wil kijken
kijken
Waar of niet waar?
'Aan het' en 'te' kunnen bij het werkwoordelijk gezegde horen.
Waar
Niet waar
Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?
De boer rijdt de tractor van het erf naar het weiland.
rijdt naar
rijdt van naar
rijdt
rijd
Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?
Merel is haar horloge op school kwijtgeraakt
is
kwijtgeraakt
is kwijtgeraakt op
is kwijtgeraakt
Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?
Haar vriendin heeft het rokje uit de winkel nooit mooi gevonden.
heeft
heeft gevonden
gevonden
heeft uitgevonden
Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?
Waarom wil mijn broertje altijd voetballen op het veldje tegenover ons huis?
waarom
voetballen
wil
wil voetballen
Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?
Zij wil nooit haar moeder helpen met de afwas
(a)
Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?
Zij kan heel mooi tekenen.
kan
kan tekenen
tekenen
kan mooi tekenen
Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?
Rijke mensen kunnen veel geld uitgeven.
rijke
kunnen
rijke kunnen uitgeven
kunnen uitgeven
Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?
Zij heeft haar leugen gelukkig nooit geloofd.
(a)
Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?
Zij moet leren om naar haar moeder te luisteren
(a)
Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?
Ze was naar haar moeder aan het luisteren.
(a)
Noteer het voltooid deelwoord.
In Nederland wordt vaker ........(pinnen).
gepint
gepind
Gisteren heb ik de deur om tien uur.......(sluiten).
gesluit
gesluiten
gesloot
gesloten
Ik was ............(raken) door die opmerking over mijn overleden hondje.
geraakt
gerakt
geraken
geraakd
Tijdens de wedstrijd werd de handdoek in de ring .....(werpen).
gewerpt
gewerpen
geworpen
geworpt
De docent had alle fouten .......(doorstrepen).
gedoorstreept
doorgestrepen
doorgestreept
Heb je haar een kaartje.......(sturen)?
gestuurt
gestuurd
De stallen worden binnenkort ....... (slopen).
gesloopt
gesloopd
Op het feest heeft hij met haar ......(dansen).
gedanst
gedansd
Yasmine heeft zijn haar blauw ........(verven).
gevervd
gevervt
geverfd
geverft
Maud heeft dit weekend goed ........(voetballen).
gevoetbalt
gevoetbald
voetgebald
voetgebalt
Vorige week heb ik met mijn oma in 's-Hertogenbosch ......(lunchen).
geluncht
gelunchet
gelunched
gelunchd
Is het onderstreepte woord een voltooid deelwoord of een persoonsvorm?
De N279 is een aantal jaren geleden verbreed.
voltooid deelwoord
persoonsvorm
Is het onderstreepte woord een persoonsvorm of een voltooid deelwoord?
Jasmijn herkanst morgen haar toets van Nederlands.
persoonsvorm
voltooid deelwoord
Zoek: bijvoeglijk naamwoord(en)
De rode auto reed langs de school.
De
rode
auto
school
Zoek: bijvoeglijk naamwoord(en)
Het Zone College is de gezelligste school van Enschede.
Het
Zone College
gezelligste
Enschede
Zoek: bijvoeglijk naamwoord(en)
In de kantine kan je de lekkerste broodjes krijgen.
kantine
kan
lekkerste
krijgen
Zoek de bijvoeglijk naamwoord(en) in de volgende zin.
De kleinste klas hangt vol met grote posters.
kleinste
hangt
met
grote
Er zijn geen bijvoeglijk naamwoorden
Zoek: bijvoeglijk naamwoord(en)
De houten picknicktafels staan er al jaren.
houten
picknicktafels
staan
jaren
Zoek: bijvoeglijk naamwoord(en)
DJ Martin Garrix is de beste DJ van Nederland.
Martin Garrix
is
beste
Nederland
Er zijn geen bijvoeglijk naamwoorden
Zoek: bijvoeglijk naamwoord(en)
Hij verdient veel geld met het maken en draaien van muziek.
Hij
verdient
veel
muziek
Er zijn geen bijvoeglijk naamwoorden
Zoek: bijvoeglijk naamwoord(en)
De Duitse man woonde in het zonnige Spanje.
De
Duitse
man
zonnige
Spanje
Zoek bijvoeglijk naamwoord(en) in de volgende zin.
Onder de brug ligt een geheime schat
Onder
brug
ligt
geheime
schat
Zoek: bijvoeglijk naamwoord(en)
Iedereen houdt van ijs, behalve mijn kleine zusje.
Iedereen
houdt
ijs
kleine
Er staat geen bijvoeglijk naamwoord in
Zoek: bijvoeglijk naamwoord(en)
In de zee zwemmen veel vissen.
de
zee
veel
vissen
Er staat geen bijvoeglijk naamwoord in
Zoek: bijvoeglijk naamwoorden
De vragen staan in het boek.
vragen
staan
het
boek
Er zijn geen bijvoeglijk naamwoorden
Wat is het bijvoeglijk naamwoord in de volgende zin?
Geef jij me de pittige mosterd even aan?
(a)
Ik weet wat een bijvoeglijk naamwoord is en kan deze vinden in de zin.
Ja, ik kan de bijvoeglijk naamwoorden best goed vinden
Nee, het lukt me nog niet
Het lukt me, maar ik vind het nog wel moeilijk
Super makkelijk, mag ik iets moeilijker werk doen
Huh, wat is een bijvoeglijk naamwoord?
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het moet in de verleden tijd!
Bram (vangen) de bal.
vangt
ving
vong
vangde
Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.
Op vakantie (eten) we elke dag pasta.
(a)
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het moet in de verleden tijd!
Ik (landen) weer met beide benen op de grond.
landden
land
landde
landen
Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.
Wij (ontmoeten) hem voor het eerst op school.
(a)
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het moet in de verleden tijd!
Mijn vriend (morsen) cola over mijn shirt.
morst
marste
morsten
morste
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het moet in de verleden tijd!
Nienke (roepen) dat zij de opdrachten erg moeilijk vond.
roepte
riep
riepte
riepen
Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.
Een Poolse tuinman (smokkelen) planten in zijn onderbroek.
(a)
Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.
Het meisje (liegen) tegen haar vader over haar cijfer.
(a)
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het moet in de verleden tijd!
De docent (zeggen) er nooit iets van.
zei
zegt
zeiden
zeggen
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het is verleden tijd!
De wond (bloeden) erg hevig.
bloedde
bloedt
bloedden
bloeden
Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.
Ik (ontbijten) vroeger altijd bij de McDonalds.
(a)
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het is verleden tijd!
Ik (hopen) al dat je zou komen.
hoopte
hiep
hoopten
hoop
Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.
De jongens (zoeken) naar de allermooiste trekker.
(a)
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het is verleden tijd!
Hij (denken) dat hij die Ferrari wel kon betalen.
denkt
denken
dacht
dachten
Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.
Het huis (branden) helemaal af.
(a)
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het is verleden tijd!
Dat meisje (lijken) wel 2o jaar!
lijkt
leek
lijken
leken
Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.
Ik (vinden) dat echt heel gênant.
(a)
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het is verleden tijd!
De gemeente (plaatsen) de wifibank bij de skatebaan.
plaatsten
plaatst
plaatsen
plaatste
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het is verleden tijd!
Ik (mogen) gisteren op de gitaar van mijn vader spelen.
mogen
mag
mocht
mochten
Benoem de voorzetsels.
Het kleine meisje had de pop achter de bank in de kamer verstopt.
het, de, de, de
achter, in
achter
in
Benoem de voorzetsels.
Moeder keek tevergeefs onder alle stoelen en tafels.
tevergeefs
alle, en
onder
moeder
Benoem de voorzetsels.
Ze vond wel vijf knikkers tussen de kussens op de bank.
wel
vijf, tussen
de, de
tussen, op
Benoem de voorzetsels.
Hier had Karlijn al veel vaker naar gezocht.
Hier
al
vaker
naar
Benoem de voorzetsels.
Kees was via de bank naar de stoel geklommen. Toen zijn de knikkers uit zijn broekzak gevallen.
via
naar, uit
via, naar, uit
via, naar
Benoem de voorzetsels.
Door al het geklauter van de kinderen is het meubilair een beetje versleten.
Door, het
Door, van
al, het, het, een
beetje
Benoem de voorzetsels.
Je mag niet op de bank klauteren met je schoenen aan.
niet
op
op, aan
schoenen
Benoem de voorzetsels.
Tijdens het eten zit ik naast de jarige.
Tijdens
het
naast
Tijdens, naast
Benoem de voorzetsels.
Iedereen zong, behalve oom Jan, want hij zingt echt te vals.
Iedereen, behalve
behalve
behalve, te
echt, te
