wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1KGT Taalverzorging 4/5/6

Total questions: 70

Worksheet time: 35mins

Name
Class
Date
1.

Wat zit er altijd in het werkwoordelijk gezegde?

a)

Persoonsvorm

b)

Voltooid deelwoord

c)

Infinitief

d)

Alle vormen komen altijd voor

2.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?

Zij moest een heel stuk lopen om naar school te komen

a)

moest

b)

komen

c)

moest te komen

d)

moest komen

3.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?

Ze leest elke dag een paar bladzijdes in haar spannende boek.

(a)  

4.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Ze wil elke avond graag even televisie kijken

a)

wil

b)

wil kijken

c)

kijken

5.

Waar of niet waar?

'Aan het' en 'te' kunnen bij het werkwoordelijk gezegde horen.

a)

Waar

b)

Niet waar

6.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

De boer rijdt de tractor van het erf naar het weiland.

a)

rijdt naar

b)

rijdt van naar

c)

rijdt

d)

rijd

7.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Merel is haar horloge op school kwijtgeraakt

a)

is

b)

kwijtgeraakt

c)

is kwijtgeraakt op

d)

is kwijtgeraakt

8.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Haar vriendin heeft het rokje uit de winkel nooit mooi gevonden.

a)

heeft

b)

heeft gevonden

c)

gevonden

d)

heeft uitgevonden

9.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?

Waarom wil mijn broertje altijd voetballen op het veldje tegenover ons huis?

a)

waarom

b)

voetballen

c)

wil

d)

wil voetballen

10.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Zij wil nooit haar moeder helpen met de afwas

(a)  

11.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?

Zij kan heel mooi tekenen.

a)

kan

b)

kan tekenen

c)

tekenen

d)

kan mooi tekenen

12.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Rijke mensen kunnen veel geld uitgeven.

a)

rijke

b)

kunnen

c)

rijke kunnen uitgeven

d)

kunnen uitgeven

13.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Zij heeft haar leugen gelukkig nooit geloofd.



(a)  

14.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Zij moet leren om naar haar moeder te luisteren

(a)  

15.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Ze was naar haar moeder aan het luisteren.

(a)  

16.

Noteer het voltooid deelwoord.

In Nederland wordt vaker ........(pinnen).

a)

gepint

b)

gepind

17.

Gisteren heb ik de deur om tien uur.......(sluiten).

a)

gesluit

b)

gesluiten

c)

gesloot

d)

gesloten

18.

Ik was ............(raken) door die opmerking over mijn overleden hondje.

a)

geraakt

b)

gerakt

c)

geraken

d)

geraakd

19.

Tijdens de wedstrijd werd de handdoek in de ring .....(werpen).

a)

gewerpt

b)

gewerpen

c)

geworpen

d)

geworpt

20.

De docent had alle fouten .......(doorstrepen).

a)

gedoorstreept

b)

doorgestrepen

c)

doorgestreept

21.

Heb je haar een kaartje.......(sturen)?

a)

gestuurt

b)

gestuurd

22.

De stallen worden binnenkort ....... (slopen).

a)

gesloopt

b)

gesloopd

23.

Op het feest heeft hij met haar ......(dansen).

a)

gedanst

b)

gedansd

24.

Yasmine heeft zijn haar blauw ........(verven).

a)

gevervd

b)

gevervt

c)

geverfd

d)

geverft

25.

Maud heeft dit weekend goed ........(voetballen).

a)

gevoetbalt

b)

gevoetbald

c)

voetgebald

d)

voetgebalt

26.

Vorige week heb ik met mijn oma in 's-Hertogenbosch ......(lunchen).

a)

geluncht

b)

gelunchet

c)

gelunched

d)

gelunchd

27.

Is het onderstreepte woord een voltooid deelwoord of een persoonsvorm?

De N279 is een aantal jaren geleden verbreed.

a)

voltooid deelwoord

b)

persoonsvorm

28.

Is het onderstreepte woord een persoonsvorm of een voltooid deelwoord?

Jasmijn herkanst morgen haar toets van Nederlands.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

29.

Zoek: bijvoeglijk naamwoord(en)


De rode auto reed langs de school.

a)

De

b)

rode

c)

auto

d)

school

30.

Zoek: bijvoeglijk naamwoord(en)


Het Zone College is de gezelligste school van Enschede.

a)

Het

b)

Zone College

c)

gezelligste

d)

Enschede

31.

Zoek: bijvoeglijk naamwoord(en)


In de kantine kan je de lekkerste broodjes krijgen.

a)

kantine

b)

kan

c)

lekkerste

d)

krijgen

32.

Zoek de bijvoeglijk naamwoord(en) in de volgende zin.

De kleinste klas hangt vol met grote posters.

a)

kleinste

b)

hangt

c)

met

d)

grote

e)

Er zijn geen bijvoeglijk naamwoorden

33.

Zoek: bijvoeglijk naamwoord(en)


De houten picknicktafels staan er al jaren.

a)

houten

b)

picknicktafels

c)

staan

d)

jaren

34.

Zoek: bijvoeglijk naamwoord(en)


DJ Martin Garrix is de beste DJ van Nederland.

a)

Martin Garrix

b)

is

c)

beste

d)

Nederland

e)

Er zijn geen bijvoeglijk naamwoorden

35.

Zoek: bijvoeglijk naamwoord(en)


Hij verdient veel geld met het maken en draaien van muziek.

a)

Hij

b)

verdient

c)

veel

d)

muziek

e)

Er zijn geen bijvoeglijk naamwoorden

36.

Zoek: bijvoeglijk naamwoord(en)


De Duitse man woonde in het zonnige Spanje.

a)

De

b)

Duitse

c)

man

d)

zonnige

e)

Spanje

37.

Zoek bijvoeglijk naamwoord(en) in de volgende zin.


Onder de brug ligt een geheime schat

a)

Onder

b)

brug

c)

ligt

d)

geheime

e)

schat

38.

Zoek: bijvoeglijk naamwoord(en)


Iedereen houdt van ijs, behalve mijn kleine zusje.

a)

Iedereen

b)

houdt

c)

ijs

d)

kleine

e)

Er staat geen bijvoeglijk naamwoord in

39.

Zoek: bijvoeglijk naamwoord(en)


In de zee zwemmen veel vissen.

a)

de

b)

zee

c)

veel

d)

vissen

e)

Er staat geen bijvoeglijk naamwoord in

40.

Zoek: bijvoeglijk naamwoorden


De vragen staan in het boek.

a)

vragen

b)

staan

c)

het

d)

boek

e)

Er zijn geen bijvoeglijk naamwoorden

41.

Wat is het bijvoeglijk naamwoord in de volgende zin?


Geef jij me de pittige mosterd even aan?

(a)  

42.

Ik weet wat een bijvoeglijk naamwoord is en kan deze vinden in de zin.

a)

Ja, ik kan de bijvoeglijk naamwoorden best goed vinden

b)

Nee, het lukt me nog niet

c)

Het lukt me, maar ik vind het nog wel moeilijk

d)

Super makkelijk, mag ik iets moeilijker werk doen

e)

Huh, wat is een bijvoeglijk naamwoord?

43.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het moet in de verleden tijd!


Bram (vangen) de bal.

a)

vangt

b)

ving

c)

vong

d)

vangde

44.

Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.


Op vakantie (eten) we elke dag pasta.

(a)  

45.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het moet in de verleden tijd!


Ik (landen) weer met beide benen op de grond.

a)

landden

b)

land

c)

landde

d)

landen

46.

Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.


Wij (ontmoeten) hem voor het eerst op school.

(a)  

47.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het moet in de verleden tijd!


Mijn vriend (morsen) cola over mijn shirt.

a)

morst

b)

marste

c)

morsten

d)

morste

48.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het moet in de verleden tijd!


Nienke (roepen) dat zij de opdrachten erg moeilijk vond.

a)

roepte

b)

riep

c)

riepte

d)

riepen

49.

Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.


Een Poolse tuinman (smokkelen) planten in zijn onderbroek.

(a)  

50.

Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.


Het meisje (liegen) tegen haar vader over haar cijfer.

(a)  

51.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het moet in de verleden tijd!


De docent (zeggen) er nooit iets van.

a)

zei

b)

zegt

c)

zeiden

d)

zeggen

52.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het is verleden tijd!


De wond (bloeden) erg hevig.

a)

bloedde

b)

bloedt

c)

bloedden

d)

bloeden

53.

Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.


Ik (ontbijten) vroeger altijd bij de McDonalds.

(a)  

54.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het is verleden tijd!


Ik (hopen) al dat je zou komen.

a)

hoopte

b)

hiep

c)

hoopten

d)

hoop

55.

Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.


De jongens (zoeken) naar de allermooiste trekker.

(a)  

56.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het is verleden tijd!


Hij (denken) dat hij die Ferrari wel kon betalen.

a)

denkt

b)

denken

c)

dacht

d)

dachten

57.

Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.


Het huis (branden) helemaal af.

(a)  

58.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het is verleden tijd!


Dat meisje (lijken) wel 2o jaar!

a)

lijkt

b)

leek

c)

lijken

d)

leken

59.

Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.


Ik (vinden) dat echt heel gênant.

(a)  

60.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het is verleden tijd!

De gemeente (plaatsen) de wifibank bij de skatebaan.

a)

plaatsten

b)

plaatst

c)

plaatsen

d)

plaatste

61.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het is verleden tijd!


Ik (mogen) gisteren op de gitaar van mijn vader spelen.

a)

mogen

b)

mag

c)

mocht

d)

mochten

62.

Benoem de voorzetsels.

Het kleine meisje had de pop achter de bank in de kamer verstopt.

a)

het, de, de, de

b)

achter, in

c)

achter

d)

in

63.

Benoem de voorzetsels.

Moeder keek tevergeefs onder alle stoelen en tafels.

a)

tevergeefs

b)

alle, en

c)

onder

d)

moeder

64.

Benoem de voorzetsels.

Ze vond wel vijf knikkers tussen de kussens op de bank.

a)

wel

b)

vijf, tussen

c)

de, de

d)

tussen, op

65.

Benoem de voorzetsels.

Hier had Karlijn al veel vaker naar gezocht.

a)

Hier

b)

al

c)

vaker

d)

naar

66.

Benoem de voorzetsels.

Kees was via de bank naar de stoel geklommen. Toen zijn de knikkers uit zijn broekzak gevallen.

a)

via

b)

naar, uit

c)

via, naar, uit

d)

via, naar

67.

Benoem de voorzetsels.

Door al het geklauter van de kinderen is het meubilair een beetje versleten.

a)

Door, het

b)

Door, van

c)

al, het, het, een

d)

beetje

68.

Benoem de voorzetsels.

Je mag niet op de bank klauteren met je schoenen aan.

a)

niet

b)

op

c)

op, aan

d)

schoenen

69.

Benoem de voorzetsels.

Tijdens het eten zit ik naast de jarige.

a)

Tijdens

b)

het

c)

naast

d)

Tijdens, naast

70.

Benoem de voorzetsels.

Iedereen zong, behalve oom Jan, want hij zingt echt te vals.

a)

Iedereen, behalve

b)

behalve

c)

behalve, te

d)

echt, te