wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

elementen vlakke figuren

Total questions: 71

Worksheet time: 2hrs 47mins

Name
Class
Date
1.

Welke vlakke figuur is dit?

a)

trapezium

b)

parallellogram

c)

ruit

d)

rechthoek

e)

vierkant

2.

Welke vlakke figuur is dit?

a)

trapezium

b)

parallellogram

c)

ruit

d)

rechthoek

e)

vierkant

3.

Welke vlakke figuur is dit?

a)

trapezium

b)

parallellogram

c)

ruit

d)

rechthoek

e)

vierkant

4.

Welke vlakke figuur is dit?

a)

cirkel

b)

ellips

c)

driehoek

d)

vierhoek

e)

vijfhoek

5.

Welke vlakke figuur is dit?

a)

trapezium

b)

parallellogram

c)

ruit

d)

rechthoek

e)

vierkant

6.

Welke vlakke figuur is dit?

a)

cirkel

b)

ellips

c)

driehoek

d)

vierhoek

e)

vijfhoek

7.

Welke vlakke figuur is dit?

a)

trapezium

b)

parallellogram

c)

ruit

d)

rechthoek

e)

vierkant

8.

Welke vlakke figuur is dit?

a)

cirkel

b)

ellips

c)

driehoek

d)

vierhoek

e)

vijfhoek

9.

Welke vlakke figuur is dit?

a)

trapezium

b)

parallellogram

c)

ruit

d)

rechthoek

e)

vierkant

10.

Welke vlakke figuur is dit?

a)

trapezium

b)

parallellogram

c)

ruit

d)

rechthoek

e)

vierkant

11.

Welke vlakke figuur is dit?

a)

cirkel

b)

ellips

c)

driehoek

d)

vierhoek

e)

vijfhoek

12.

Welke vlakke figuur is dit?

a)

trapezium

b)

parallellogram

c)

ruit

d)

rechthoek

e)

vierkant

13.

Welke vlakke figuur is dit?

a)

cirkel

b)

ellips

c)

driehoek

d)

vierhoek

e)

vijfhoek

14.

Welke vlakke figuur is dit?

a)

trapezium

b)

parallellogram

c)

ruit

d)

rechthoek

e)

vierkant

15.

Welke vlakke figuur is dit?

a)

trapezium

b)

parallellogram

c)

ruit

d)

rechthoek

e)

vierkant

16.

Welke vlakke figuur is dit?

a)

cirkel

b)

ellips

c)

driehoek

d)

vierhoek

e)

vijfhoek

17.
Hoeveel graden zijn de vier hoeken van het vlakke figuur PQRS bij elkaar opgeteld?
a)
90⁰
b)
180⁰
c)
360⁰
d)
560⁰
18.
Wat is de naam van het vlakke figuur PQRS?
a)
Vierhoek
b)
Gelijkbenig Trapezium
c)
Parallellogram
d)
Ruit
19.
Bereken ∠C
a)
210o
b)
30o
c)
20o
d)
40o
20.
Welk figuur heeft:
- 4 hoeken
- 4 even lange zijden
- geen rechte hoeken
a)
vierkant
b)
rechthoek
c)
ruit
d)
vlieger
21.
Welk figuur heeft:
- 4 hoeken
- 2 paar evenwijdige zijden
- geen rechte hoeken
a)
trapezium
b)
parallellogram
c)
rechthoek
d)
ruit
22.
Wat is de naam van dit vlakke figuur?
a)
rechthoekige gelijkbenige driehoek
b)
rechthoekige driehoek
c)
gelijkzijdige driehoek
d)
gelijkbenige driehoek
23.
Wat is de naam van dit vlakke figuur?
a)
rechthoekige gelijkbenige driehoek
b)
rechthoekige driehoek
c)
gelijkzijdige driehoek
d)
gelijkbenige driehoek
24.

Vul de meest passende naam in.

Kies uit: trapezium, vierkant, ruit, parallellogram, vierhoek of rechthoek.


Een vierhoek waarvan de overstaande zijden en hoeken gelijk zijn is, een ... .

(a)  

25.

Vul de meest passende naam in.

Kies uit: trapezium, vierkant, ruit, parallellogram, vierhoek of rechthoek.


Een vierhoek met vier gelijke hoeken, is een ... .

(a)  

26.

Vul de meest passende naam in.

Kies uit: trapezium, vierkant, ruit, parallellogram, vierhoek of rechthoek.


Een vierhoek waarvan twee overstaande zijden evenwijdig zijn, is een ... .

(a)  

27.

Vul de meest passende naam in.

Kies uit: trapezium, vierkant, ruit, parallellogram, vierhoek of rechthoek.


Een parallellogram met gelijke zijden is een ... .

(a)  

28.

Vul de meest passende naam in.

Kies uit: trapezium, vierkant, ruit, parallellogram, vierhoek of rechthoek.


Een vierhoek met twee gelijke overstaande zijden is een ... .

(a)  

29.

Vul de meest passende naam in.

Kies uit: trapezium, vierkant, ruit, parallellogram, vierhoek of rechthoek.


Een ruit waarvan de hoeken 90° zijn, is een ... .

(a)  

30.

Vul de meest passende naam in.

Kies uit: trapezium, vierkant, ruit, parallellogram, vierhoek of rechthoek.


Een vierhoek waarvan de opstaande zijden evenwijdig zijn, is een ... .

(a)  

31.

De overstaande zijden zijn evenwijdig bij ..

a)

een parallellogram

b)

een rechthoek

c)

een ruit

d)

een vierkant

e)

een trapezium

32.

De overstaande zijden zijn gelijk bij ..

a)

een parallellogram

b)

een rechthoek

c)

een ruit

d)

een vierkant

e)

een trapezium

33.

De overstaande hoeken zijn gelijk bij ...

a)

een parallellogram

b)

een rechthoek

c)

een ruit

d)

een vierkant

e)

een trapezium

34.

De diagonalen snijden elkaar middendoor bij ...

a)

een parallellogram

b)

een rechthoek

c)

een ruit

d)

een vierkant

e)

een trapezium

35.

De diagonalen zijn gelijk bij ...

a)

een parallellogram

b)

een rechthoek

c)

een ruit

d)

een vierkant

e)

een trapezium

36.

De diagonalen staan loodrecht op elkaar bij ...

a)

een parallellogram

b)

een rechthoek

c)

een ruit

d)

een vierkant

e)

een trapezium

37.

Benoem de volgende driehoeken volgens de grootte van de hoeken en zijden. Duid beide correcte benamingen aan.

a)

een ongelijkbenige driehoek

b)

een rechthoekige driehoek

c)

een gelijkbenige driehoek

d)

een gelijkzijdige driehoek

e)

een stomphoekige driehoek

38.

Benoem de volgende driehoeken volgens de grootte van de hoeken en zijden. Duid beide correcte benamingen aan.

a)

een ongelijkbenige driehoek

b)

een rechthoekige driehoek

c)

een gelijkbenige driehoek

d)

een gelijkzijdige driehoek

e)

een scherphoekige driehoek

39.

Benoem de volgende driehoeken volgens de grootte van de hoeken en zijden. Duid beide correcte benamingen aan.

a)

een ongelijkbenige driehoek

b)

een rechthoekige driehoek

c)

een gelijkbenige driehoek

d)

een gelijkzijdige driehoek

e)

een scherphoekige driehoek

40.

Vul de grootte van de ontbrekende hoek(en) in. Vergeet de eenheid (°) niet mee te noteren.

(a)  

41.

Vul de grootte van de ontbrekende hoek(en) in. Vergeet de eenheid (°) niet mee te noteren.

(a)  

42.

Vul de grootte van de ontbrekende hoek(en) in. Vergeet de eenheid (°) niet mee te noteren.

(a)  

43.

Vul de grootte van de ontbrekende hoek(en) in. Vergeet de eenheid (°) niet mee te noteren.

(a)  

44.

In een driehoek zijn de som van de hoeken samen ...

a)

360°

b)

180°

c)

270°

d)

90°

45.

Recht tegenover even lange zijden liggen ... hoeken.

a)

even grote

b)

grote

c)

even kleine

d)

kleine

46.

In een driehoek is de lengte van elke zijde ...... de som van de lengten van de twee andere zijden.

a)

kleiner dan

b)

groter dan

c)

gelijk aan

47.

In een rechthoekige driehoek is de som van de 2 scherpe hoeken steeds gelijk aan ... .

a)

180°

b)

90°

c)

360°

d)

270°

48.

In een gelijkbenige rechthoekige driehoek is de tophoek ... en de basishoeken zijn elk ... .

a)

90° en 45°

b)

180° en 90°

c)

180° en 45°

d)

45° en 90°

49.

Als een driehoek gelijkbenig is, is hij ook gelijkzijdig.

a)

Waar

b)

Niet waar

50.

Een stomphoekige driehoek is nooit gelijkbenig.

a)

Waar

b)

Niet waar

51.

Elke gelijkzijdige driehoek is scherphoekig.

a)

Waar

b)

Niet waar

52.

Als de drie hoeken van een driehoek even groot zijn, is de driehoek gelijkzijdig.

a)

Waar

b)

Niet waar

53.

Als de driehoek gelijkzijdig is, dan zijn de drie hoeken van een driehoek even groot.

a)

Waar

b)

Niet waar

54.

Er bestaat een rechthoekige driehoek met een hoek van 100°.

a)

Waar

b)

Niet waar

55.

Een driehoek met hoeken van 30° en 55° is stomphoekig.

a)

Waar

b)

Niet waar

56.

De schuine zijde van een rechthoekige driehoek is steeds de langste zijde.

a)

Waar

b)

Niet waar

57.

Wat is een gelijkzijdige driehoek?

a)
b)
c)
d)
58.

Wat is een gelijkbenige driehoek?

a)
b)
c)
d)
59.

Wat is een gelijkbenige rechthoekige driehoek?

a)
b)
c)
d)
60.

Wat zijn alle eigenschappen van een rechthoek?

a)

alle zijden zijn even lang

b)

twee paar even lange zijden

c)

twee paar evenwijdige zijden

d)

alle hoeken zijn recht

61.

Wat zijn alle eigenschappen van een ruit?

a)

alle zijden zijn even lang

b)

twee paar even lange zijden

c)

twee paar evenwijdige zijden

d)

twee paar gelijke hoeken

62.

Wat zijn alle eigenschappen van een gelijkbenige rechthoekige driehoek?

a)

alle zijden zijn even lang

b)

twee even lange zijden

c)

twee evenwijdige zijden

d)

één hoek is 90° en de andere twee zijn 45°

63.

Wat stelt rr   voor in de cirkel hiernaast?

(a)  

64.

Geef het correcte begrip voor dd   in de cirkel.

(a)  

65.

Een trapezium is een ...

a)

ruimtefiguur met 2 paar evenwijdige zijden.

b)

vlakke figuur met 2 paar evenwijdige zijden.

c)

vlakke figuur met minstens 1 paar evenwijdige zijden.

d)

ruimtefiguur met minstens 1 paar evenwijdige zijden.

66.

waar zie je de gevraagde figuur?

a)
b)
c)
67.

waar zie je de gevraagde figuur?

a)
b)
c)
68.

Duid de niet-veelhoeken aan.

a)
b)
c)
d)
69.

Duid de veelhoeken aan.

a)
b)
c)
d)
70.

Duid de veelhoeken aan.

a)
b)
c)
d)
e)
71.

Duid de niet-veelhoeken aan.

a)
b)
c)
d)
e)