wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voornaamwoorden

Total questions: 49

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

Dit voornaamwoord verwijst naar een persoon of dier of ding.

a)

alle

b)

persoonlijk

c)

bezittelijk

d)

aanwijzend

2.

Hoe heet het voornaamwoord dat verwijst naar een bezit van iemand? Het ... voornaamwoord

(a)  

3.

Hoe zeg je het?

"Meneer, u vergeet ... tas."

(a)  

4.

Vul aan: "Het ei is van Arto, het is ..."

(a)  

5.

Dat boek is van jullie, het is ...

a)

de jullieë

b)

die van jullie

c)

dat van jullie

d)

de hunne

6.

Is deze zin correct?

"Nemen jullie jullie spullen maar!"

a)

juist

b)

fout

7.

Het voornaamwoord dat je als onderwerp of lijdend voorwerp kan gebruiken of na voorzetsels is het (a)   voornaamwoord

8.

Typ het persoonlijk voornaamwoord uit volgende zin:

"Hij versprak zich waardoor de oude man zijn lach niet meer kon inhouden."

(a)  

9.

Vul de zin aan met het juiste persoonlijk voornaamwoord.

'De koe, ... staat in de wei.'

(a)  

10.

Kies uit: hen of hun.

Ik zie ...

(a)  

11.

Ik geef de pen aan ...

(a)  

12.

Ik geef (a)   een cadeau.

13.

Vul de zin aan:

"Ik heb ... dat al 10 keer gezegd, jongen!"

(a)  

14.

Duid aan welke voornaamwoorden 'haar' allemaal kan zijn.

a)

persoonlijk

b)

bezittelijk

c)

wederkerend

d)

aanwijzend

15.

Hoe heet het voornaamwoord dat terugverwijst naar het onderwerp van je zin? bv. 'Hij verslikt zich'.

a)

persoonlijk

b)

bezittelijk

c)

wederkerend

d)

wederkerig

16.

Is deze zin correct?

"Vergist u u niet, mevrouw?"

a)

juist

b)

fout

17.

Is de zin correct?

"Hij heeft hem gewassen, want hij voelde zich vies."

a)

juist

b)

fout

18.

Welk soort voornaamwoord is het vetgedrukte?

"We lachten ons te pletter.

(a)  

19.

Hoe heten de voornaamwoorden 'elkaar' en 'mekaar'? Het zijn ... voornaamwoorden.

(a)  

20.

Hoe heet het voornaamwoord dat verwijst naar iets of iemand in het algemeen, zonder dat het echt duidelijk is? Het is het ... voornaamwoord.

(a)  

21.

Schrijf het onbepaald voornaamwoord op uit de volgende zin:

'Er was niemand te bekennen en toch hadden ze elkaar verteld dat het daar was."

(a)  

22.

Schrijf het onbepaald voornaamwoord op uit de volgende zin:

'Geef me nog wat melk, alsjeblieft."

(a)  

23.

Schrijf het onbepaald voornaamwoord op uit de volgende zin:

'Weet jij nog iets van die misdaad?"

(a)  

24.

Hoe heet het voornaamwoord dat altijd in een vraagzin staat? Het ... voornaamwoord.

(a)  

25.

Welke van deze zijn vragende voornaamwoorden?

a)

wie

b)

wat

c)

welke

d)

wiens

26.

Staat in de volgende zin een vragend voornaamwoord?

"Hoe is dat gebeurd?"

a)

ja

b)

nee

27.

Vul de zin aan met het juiste vragend voornaamwoord:

"... heeft daar ingebroken?"

(a)  

28.

Hoe heet het voornaamwoord dat iets of iemand aanwijst? Het ... voornaamwoord.

(a)  

29.

Vul het juiste aanwijzend voornaamwoord aan in de zin.

"Waarom planten we ... boompje hier niet meteen?"

(a)  

30.

Welk van onderstaande aanwijzende voornaamwoorden is correct in de zin?

".... grote boeken daar zijn veel te zwaar voor mij om te dragen."

a)

Die

b)

Zulke

c)

Deze

d)

Zo'n

31.

Welk van de aanwijzende voornaamwoorden past in deze zin?

".... metaal is niet geschikt voor brievenbussen."

a)

Zulk

b)

Zo'n

c)

Zulke

d)

Die

32.

Welk van de aanwijzende voornaamwoorden past in deze zin?

".... weer is niet tof bij een kampvuur."

a)

Zulk

b)

Zo'n

c)

Zulke

d)

Die

33.

Vul de zin aan het juiste aanwijzend voornaamwoord.

"... kat ligt zalig te ontspannen op mijn schoot."

(a)  

34.

Het aanwijzend voornaamwoord staat ... het zelfstandig naamwoord waar het naar verwijst.

a)

voor

b)

na

35.

Duid de aanwijzende voornaamwoorden aan die verwijzen naar iets dichtbij.

a)

Die

b)

Dit

c)

Dat

d)

Deze

36.

Hoe heet het voornaamwoord dat gaat over het woord waar het net na staat?

Het ... voornaamwoord.

(a)  

37.

Vul de zin aan met het juiste betrekkelijk voornaamwoord.

"Het meisje ... daar zit, is lief."

(a)  

38.

Vul de zin aan met het juiste betrekkelijk voornaamwoord.

"De jongen ... daar staat, is heel leuk."

(a)  

39.

Vul de zin aan met het juiste betrekkelijk voornaamwoord.

"Het kindje aan ... ik een lolly gaf, is heel blij.

(a)  

40.

Vul de zin aan met het juiste betrekkelijk voornaamwoord.

"Een toets vind ik niet leuk, ... begrijpelijk is."

(a)  

41.

Vul de zin aan met het juiste betrekkelijk voornaamwoord.

"Alles ... ik heb, geef ik weg."

(a)  

42.

Vul de zin aan met het juiste betrekkelijk voornaamwoord.

"Het leukste ... er is, is zwemmen."

(a)  

43.

Welk soort voornaamwoord is het vetgedrukte?

"Wie heeft dit gevraagd?"

a)

betrekkelijk

b)

aanwijzend

c)

vragend

d)

onbepaald

44.

Welk soort voornaamwoord is het vetgedrukte?

"Die man bij het deurtje ziet er eng uit."

a)

betrekkelijk

b)

aanwijzend

c)

vragend

d)

onbepaald

45.

Welk soort voornaamwoord is het vetgedrukte?

"De man die bij het deurtje staat, ziet er eng uit."

a)

betrekkelijk

b)

aanwijzend

c)

vragend

d)

onbepaald

46.

Welk soort voornaamwoord is het vetgedrukte?

"Heb je wat nootjes voor mij?"

a)

betrekkelijk

b)

aanwijzend

c)

vragend

d)

onbepaald

47.

Welk soort voornaamwoord is dit?

"Er was iets aan de hand."

a)

persoonlijk

b)

bezittelijk

c)

aanwijzend

d)

onbepaald

48.

Welk soort voornaamwoord is dit?

"Bespaar ons dit onheil."

a)

persoonlijk

b)

bezittelijk

c)

aanwijzend

d)

onbepaald

49.

Welk soort voornaamwoord is 'wat' hier?

"Wat ik met niet kan inbeelden, is hoe hij gewonnen heeft."

a)

vragend

b)

betrekkelijk