Font size
WorksheetsHerhaling woordleer
Total questions: 100
Worksheet time: 2hrs 40mins
'Met de zomer in aantocht, is het tijd om de barbecue boven te halen.'
In deze zin staan... zelfstandige naamwoorden.
2
3
4
5
'Met de zomer in aantocht, is het tijd om de barbecue boven te halen.'
De werkwoorden in deze zin zijn...?
is
is en halen
halen
is, halen en barbecue
De heerlijke vuurkruiden die ik op de hete kolen strooide, maken iedereen lekker jaloers.
De bijvoeglijke naamwoorden zijn...?
heerlijke
hete
lekker
jaloers
'De heerlijke vuurkruiden die ik op de hete kolen strooide, maken iedereen lekker jaloers.'
Wat zijn bijwoorden?
heerlijke
hete
lekker
jaloers
'De heerlijke vuurkruiden die ik op de hete kolen strooide, maken iedereen lekker jaloers.'
Hoeveel voornaamwoorden staan er in de zin?
1
2
3
4
'De heerlijke vuurkruiden die ik op de hete kolen strooide, maken iedereen lekker jaloers.'
Welk betrekkelijk voornaamwoord herken je?
(a)
'Op de barbecue van Stef liggen naast vier kleine worstjes, twee kippenbillen en enkele ribbetjes te grillen.'
Hoeveel telwoorden tel je in deze zin?
1
2
3
4
'Op de barbecue van Stef liggen naast vier kleine worstjes, twee kippenbillen en enkele ribbetjes te grillen.'
Geef de voorzetsels.
op
vier
naast
van
Wat voor woordsoort is het onderlijnde woord?
Ik kan niet meer.
voorzetsel
werkwoord
wederkerend voornaamwoord
bijwoord
Wat voor woordsoort is het onderlijnde woord?
Elise kreunde die woorden met elke trap op haar pedalen.
werkwoord
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
rangtelwoord
Wat voor woordsoort is het onderlijnde woord?
Al meer dan drie uur stroomde de regen omlaag.
voorzetsel
bijwoord
aanwijzend voornaamwoord
bijvoeglijk naamwoord
Wat voor woordsoort is het onderlijnde woord?
Al meer dan drie uur stroomde de regen omlaag.
voorzetsel
bijwoord
aanwijzend voornaamwoord
bijvoeglijk naamwoord
Haar wielrennersbroekje sopte op het harde zadel.
voorzetsel
bijwoord
werkwoord
telwoord
Ze bleef alleen achter.
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
bijwoord
voorzetsel
Ik was me.
wederkerend voornaamwoord
wederkerig voornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
bijwoord
Welke zijn de lidwoorden?
ik, hij, wij
het, een, de
fiets, fietst, fietsen
Welk soort woord is "Tom"?
een lidwoord
een zelfstandig naamwoord
een werkwoord
een bijvoeglijk naamwoord
Duidt alle bijvoeglijke naamwoorden aan.
fiets
feest
dapper
een
Wat is het werkwoord in de volgende zin? Staf mag met de fiets naar oma.
Staf
fiets
naar
mag
Onder de houten bank kruipt een muisje. Wat is in deze zin een bijvoeglijk naamwoord?
(a)
Hoeveel zelfstandige naamwoorden tel je in de volgende zin? Norah leest vijf boeken van Harry Potter in één jaar.
4
3
6
5
Welke woorden in de volgende zin zijn bijvoeglijke naamwoorden? De dappere jongen sprong over de hoge muur.
jongen
dappere
sprong
hoge
muur
Er waren veel bezoekers.
We hebben geen geld.
Gisteren at ik een salade.
Huilend kwam ze thuis.
'Huilend' is een..
Pv
Voltooid deelwoord
Onvoltooid deelwoord
Stam
Wat is juist?
Een schitterend rapport.
Een schitterende rapport.
Wat is het verkleinwoord van 'spook'?
Het spookje
De spookje
Het spookske
Wat is juist?
Een knappe resultaat
Een knap resultaat
Wat is de persoonsvorm in deze zin:
De jongens hebben gisterenavond heel hard gewerkt.
de jongens
hebben
hard
gewerkt
Daarna gingen ze terug naar huis.
Voegwoord
Voorzetsel
Werkwoord
Zelfstandig naamwoord
Alles had een kleur gekregen, behalve de sneeuw.
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Lidwoord
Werkwoord
Tenslotte bleef voor de sneeuw geen kleur over.
Voegwoord
Werkwoord
Aanwijzend voornaamwoord
Voorzetsel
Toen ging de sneeuw naar de roos en smeekte: 'Mag ik een beetje van jouw rode kleur?'
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Bijwoord
Voorzetsel
Het lieve bloempje heeft geantwoord: 'Tuurlijk mag dat.'
Hoofdwerkwoord
Zelfstandig naamwoord
Voorzetsel
Hulpwerkwoord
Welk woord zegt iets over het werkwoord of het bijvoeglijk naamwoord?
Voorzetsel
Voornaamwoord
Bijwoord
Voegwoord
Volgend schooljaar zijn er weer nieuwe vakken en uitdagingen.
Bijwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Werkwoord
Zelfstandig naamwoord
Welk voornaamwoord moet ingevuld worden?: Hij zei dat voor hem ... belangrijkste bezit de televisie is.
mijn
zijn
jullie
hun
Welk voornaamwoord moet ingevuld worden?: ... redder hielp me heel goed.
Die/Dat
Dit/Deze
Deze/Die
Dat/Dit
Welk voornaamwoord moet ingevuld worden?: Ze kleedt ... aan.
me/mij
je/u
jullie
zich
Benoem het aangeduide woord:
Vind je deze broek leuker dan die daar?
voorzetsel
bijvoeglijk naamwoord
telwoord
voornaamwoord
Benoem het aangeduide woord:
Kan het zijn dat uw boek daar nog ligt?
voornaamwoord
tussenwerpsel
lidwoord
voorzetsel
Benoem het aangeduide woord:
Help je je broer even?
bijwoord
Bezittelijk voornaamwoord
telwoord
tussenwerpsel
De delen aan, op en uit van scheidbare werkwoorden als aanvoeren, opmaken en uitzenden benoem je als …
voorzetsel
bijvoeglijk naamwoord
bijwoord
tussenwerpsel
‘Piep,’ zei de muis, ‘pieppiep’, maar de mus antwoordde niet.
Bijwoord
Tussenwerpsel
Bijvoeglijk naamwoord
Voorzetsel
‘Piep,’ zei de muis, ‘pieppiep’, maar de mus antwoordde niet.
Bijwoord
Tussenwerpsel
Bijvoeglijk naamwoord
Voorzetsel
Deksels, wat hoor ik toch voor vreemde piep bij het achterwiel van mijn fiets?
Bijwoord
Tussenwerpsel
Bijvoeglijk naamwoord
Voorzetsel
Klets, die klap kwam deksels hard aan, man.
Bijwoord
Tussenwerpsel
Zelfstandig naamwoord
Voorzetsel
Dankzij de grote bedrijfswinsten loopt de eigenaar aardig binnen.
Bijwoord
Tussenwerpsel
Zelfstandig naamwoord
Voorzetsel
Dit groepje meisjes sluit altijd bepaalde klasgenootjes buiten.
Bijwoord
Tussenwerpsel
Zelfstandig naamwoord
Voorzetsel
Ondanks de waarschuwingen skieden veel mensen buiten de piste.
Bijwoord
Tussenwerpsel
Zelfstandig naamwoord
Voorzetsel
Zonder pardon werden de zakmessen in beslag genomen.
Bijwoord
Tussenwerpsel
Zelfstandig naamwoord
Voorzetsel
Pardon, mag ik er even langs?
Bijwoord
Tussenwerpsel
Zelfstandig naamwoord
Voorzetsel
Ik lette niet goed op en liet zo het glas vallen: boink.
Bijwoord
Tussenwerpsel
Zelfstandig naamwoord
Voorzetsel
Helaas, in de deksels van deze gietijzeren pannen zit een behoorlijke barst.
Bijwoord
Tussenwerpsel
Zelfstandig naamwoord
Voorzetsel
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
De vriend van Lyra, Roger, verdwijnt.
voorzetsel
onbepaald lidwoord
bepaald lidwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
De vriend van Lyra, Roger, verdwijnt.
bijwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
De vriend van Lyra, Roger, verdwijnt.
bepaald lidwoord
onbepaald voornaamwoord
voorzetsel
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
De vriend van Lyra, Roger, verdwijnt.
aanspreking
persoonlijk voornaamwoord
zelfstandig naamwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
Hun zoektocht leidt hen naar de bleke schoonheid van het Noorden.
bijvoeglijk naamwoord
wederkerig voornaamwoord
zelfstandig naamwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
Een groep wetenschappers voert er verschrikkelijk afschuwelijke experimenten uit.
bijwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
Een groep wetenschappers voert er verschrikkelijk afschuwelijke experimenten uit.
bijwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
Het gouden kompas is het eerste deel van de trilogie geschreven door Philip Pullman.
bijvoeglijk naamwoord
bijwoord
werkwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
Wauw, dit boek is zo spannend!
voorzetsel
bijwoord
bijvoeglijk naamwoord
Over welk woord geeft het bijwoord info?
Het is hoogstens twee uur fietsen naar het buitenverblijf
fietsen
twee
twee uur
buitenverblijf
Over welk woord geeft het bijwoord info?
Oma's fiets was heel erg toegetakeld.
Oma
fiets
heel
toegetakeld
Over welk woord geeft het bijwoord info?
Oma's fiets was heel erg toegetakeld.
Oma
fiets
erg
toegetakeld
Welk betrekkelijk voornaamwoord past in de zin?
We kiezen een datum ... voor allebei goed is.
die
dat
wat
Wat is de woordsoort van het onderstreepte woord?
Die kleurrijke trui staat je beeldig.
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
onbepaald voornaamwoord
Wat is de woordsoort van het onderstreepte woord?
Er zit een kat in de boom.
onbepaald voornaamwoord
telwoord
lidwoord
Wat zijn voegwoorden?
Dat zijn woorden waarmee je zinnen aan elkaar voegt.
Voegwoorden zijn woorden die een zin vragend maken.
Wat is het voegwoord?
Wanneer ik Femke zie, zal ik het haar vragen.
wanneer
zal
zie
Wat is het voegwoord?
Zodra het startschot klinkt, starten de schaatsers.
klinkt
starten
zodra
Welk voegwoord moet worden ingevuld?
........ het nu mag of niet, we doen het!
Dus
Echter
Of
Zolang
Noteer het voegwoord zonder hoofdletter. Indien er geen voegwoord is typ je het woord geen.
Op een mooie morgen hield de wind ermee op.
(a)
Noteer het voegwoord zonder hoofdletter. Indien er geen voegwoord is typ je het woord geen.
Hij blies niet langer en geen briesje bracht hij voort.
(a)
Noteer het voegwoord zonder hoofdletter. Indien er geen voegwoord is typ je het woord geen.
De mensen van de vallei merkten het niet eens omdat ze alleen nog keken naar de modelmachines.
(a)
Wat is het bijwoord?
De jongen rende hard.
jongen
rende
hard
de
Benoem het bijwoord.
De auto rammelt erg.
auto
rammelt
erg
de
Benoem het bijwoord.
Dat is een bijzonder mooie fiets.
bijzonder
mooie
fiets
Dat
Benoem het bijwoord.
Ik vind dat een heel rare uitleg.
vind
heel
rare
uitleg
Benoem het bijwoord.
Hij koopt snel een nieuwe pen.
koopt
snel
nieuwe
pen
Benoem het bijwoord.
Hij typt de zinnen verkeerd.
typt
zinnen
verkeerd
Hij
Benoem het bijwoord.
Dat was een enorm slechte grap.
enorm
slechte
grap
was
Benoem het bijwoord.
We zagen het verschrikkelijk mooie vuurwerk.
zagen
verschrikkelijk
mooie
vuurwerk
Benoem het bijwoord.
Dit is een zeer moeilijke som.
Dit
is
moeilijke
zeer
som
Benoem de bijwoorden.
Achteraf weet ze dat ze beter had moeten oefenen.
Achteraf, had
ze, ze
beter, oefenen
Achteraf, beter
Wat is het voorzetsel in onderstaande zin?
Ik ben benieuwd naar de cijfers.
ben
benieuwd
naar
de
Wat is het voorzetsel in onderstaande zin?
De pen ligt op de tafel.
de
ligt
op
tafel
Wat is het voorzetsel/ zijn de voorzetsels in onderstaande zin?
Ik ging helemaal op in het taalspelletje.
op
in
op, in
op, in, het
Wat is het voorzetsel/ zijn de voorzetsels in onderstaande zin?
Op de kast ligt een mooi boek.
op
op, de
ligt
een
Wat is het voorzetsel/ zijn de voorzetsels in onderstaande zin?
Ik ga met de trein naar mijn werk.
met
naar
met, naar
met, naar, mijn
Wat is het voorzetsel in onderstaande zin?
Hij reisde de hele wereld over.
reisde
hele
over
Wat is het voorzetsel in onderstaande zin?
Onder het kleed lag veel stof.
het
lag
veel
onder
Wat is het voorzetsel/ zijn de voorzetsels in onderstaande zin?
De inbreker stond achter de deur.
stond
achter
stond, achter
stond, achter, de
Wat is het voorzetsel/ zijn de voorzetsels in onderstaande zin?
Op het aanrecht ligt een theezakje.
op
het
op, het
het, ligt
Wat is het voorzetsel/ zijn de voorzetsels in onderstaande zin?
Onder de auto ligt een snoeppapiertje.
onder, ligt
onder
ligt
onder, de, ligt
Wat is het voorzetsel in onderstaande zin?
Ik ga morgen naar mijn oma.
ga
morgen
naar
mijn
Wat is het voorzetsel in onderstaande zin?
De meisjes kijken elkaar verbaasd aan.
De
aan
verbaasd
Deze zin bevat geen voorzetsel
Wat is het voorzetsel in onderstaande zin?
Ik ga maar af op wat de dokter zegt.
af
op
wat
Deze zin heeft geen voorzetsel.
