wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoordsspelling: verleden tijd

Total questions: 101

Worksheet time: 2hrs 41mins

Name
Class
Date
1.

Gisteren (leiden) hij een groep toeristen uit Hongkong rond.

(a)  

2.

Hij (sparen) al zijn zakgeld voor zijn droomauto.

(a)  

3.

Ik (zwemmen) vanmorgen in zee.

(a)  

4.

Wie (vertellen) jou al die leugens?

(a)  

5.

De dierenarts (doden) het gewonde dier onmiddellijk.

(a)  

6.

Hij (snijden) de worteltjes in schijfjes.

(a)  

7.

Wie (vermoorden) onze klassenleraar?

(a)  

8.

Ik (verwonden) me aan de omheining.

(a)  

9.

Het (lijken) erop dat hij loog.

(a)  

10.

Ze (praten) voortdurend over Lucas.

(a)  

11.

Ik ben blij dat je me niet (verraden).

(a)  

12.

Hoeveel (vragen) voor dat schilderij?

(a)  

13.

Hij (raden) meteen dat jij het was.

(a)  

14.

De kogel (treffen) haar recht in het hart.

(a)  

15.

Hij (praten) nooit met haar.

(a)  

16.

Schrijf het werkwoord in de onvoltooid verleden tijd. Kijk goed naar het onderwerp.

Hij (steken) de pen terug in zijn pennenzak.

(a)  

17.

Ik (verzinnen) het verhaal ter plekke.

(a)  

18.

Wie (bedenken) dat gekke idee?

(a)  

19.

Wij (zijn) helemaal alleen in die winkel.

(a)  

20.

Tijdens de goocheltruc (verdwijnen) 2 konijnen.

(a)  

21.

Vorige week (sterven) mijn goudvis.

(a)  

22.

Wie (regeren) vroeger in België?

(a)  

23.

De lerares (verplichten) de leerling naar voren te komen.

(a)  

24.

Mijn zussen en ik (zorgen) goed voor oma.

(a)  

25.

Ik (wonen) het liefst op het platteland.

(a)  

26.

Ik (beslissen) om meer te studeren voor Nederlands.

(a)  

27.

De politieagent (noteren) mijn klacht.

(a)  

28.

Na de grondige voorbereiding, (hoeven) wij niks meer te doen.

(a)  

29.

Hij (gebruiken) een potlood om te schrijven.

(a)  

30.

De leraar (aanduiden) de leerstof ... .

(a)  

31.

Wie (verraden) de schuldige?

(a)  

32.

Niemand (antwoorden) op de vraag.

(a)  

33.

Hij (lusten) die soep duidelijk niet.

(a)  

34.

De mensen (passeren) langs de winkels.

(a)  

35.

Wat een slechte film! Ik (vinden) er niks aan.

(a)  

36.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het moet in de verleden tijd!


Bram (vangen) de bal.

a)

vangt

b)

ving

c)

vong

d)

vangde

37.

Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.


Op vakantie (eten) we elke dag pasta.

(a)  

38.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het moet in de verleden tijd!


Ik (landen) weer met beide benen op de grond.

a)

landden

b)

land

c)

landde

d)

landen

39.

Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.


Wij (ontmoeten) hem voor het eerst op school.

(a)  

40.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het moet in de verleden tijd!


Mijn vriend (morsen) cola over mijn shirt.

a)

morst

b)

marste

c)

morsten

d)

morste

41.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het moet in de verleden tijd!


Nienke (roepen) dat zij de opdrachten erg moeilijk vond.

a)

roepte

b)

riep

c)

riepte

d)

riepen

42.

Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.


Een Poolse tuinman (smokkelen) planten in zijn onderbroek.

(a)  

43.

Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.


Het meisje (liegen) tegen haar vader over haar cijfer.

(a)  

44.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het moet in de verleden tijd!


De docent (zeggen) er nooit iets van.

a)

zei

b)

zegt

c)

zeiden

d)

zeggen

45.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het is verleden tijd!


De wond (bloeden) erg hevig.

a)

bloedde

b)

bloedt

c)

bloedden

d)

bloeden

46.

Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.


Ik (ontbijten) vroeger altijd bij de McDonalds.

(a)  

47.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het is verleden tijd!


Ik (hopen) al dat je zou komen.

a)

hoopte

b)

hiep

c)

hoopten

d)

hoop

48.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het is verleden tijd!


Hij (denken) dat hij die Ferrari wel kon betalen.

a)

denkt

b)

denken

c)

dacht

d)

dachten

49.

Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.


Het huis (branden) helemaal af.

(a)  

50.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het is verleden tijd!


Dat meisje (lijken) wel 2o jaar!

a)

lijkt

b)

leek

c)

lijken

d)

leken

51.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het is verleden tijd!

De gemeente (plaatsen) de wifibank bij de skatebaan.

a)

plaatsten

b)

plaatst

c)

plaatsen

d)

plaatste

52.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het is verleden tijd!

De gemeente (plaatsen) de wifibank bij de skatebaan.

a)

plaatsten

b)

plaatst

c)

plaatsen

d)

plaatste

53.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het is verleden tijd!


Ik (mogen) gisteren op de gitaar van mijn vader spelen.

a)

mogen

b)

mag

c)

mocht

d)

mochten

54.

abonneren

Ik ... me gisteren op zonneland.

(a)  

55.

besteden

Liam ... veel tijd aan zijn huiswerk.

(a)  

56.

haasten

De directeur ... zich naar het toilet.

(a)  

57.

verbieden

De juf ... het gebruik van gsm's in de les.

(a)  

58.

vertalen

Mohammed ... de tekst heel vlot.

(a)  

59.

eten

Wij ... gezellig onze boterhammen op op het plein.

(a)  

60.

kaften

Bij het begin van het schooljaar ... papa al mijn boeken.

(a)  

61.

woeden

Er ... een cycloon in de Filipijnen.

(a)  

62.

binden

Ik ... mijn turnzak nochtans goed vast op mijn fiets.

(a)  

63.

vluchten

De inbreker ... toen hij de politie zag.

(a)  

64.

treffen

Jammer genoeg ... Warre nooit het doel.

(a)  

65.

zwaaien

De koningin ... naar haar onderdanen.

(a)  

66.

zoeken

De politie ... uren naar de daders.

(a)  

67.

bespreken

Tijdens het oudercontact ... we de punten van Jef.

(a)  

68.

dansen

De jongens ... op de allerlaatste hit.

(a)  

69.

(tennissen)

Waar ...... het duo dit weekend?

a)

tenniste

b)

teniste

c)

tennisde

d)

Tenniste

70.

(mailen)

....... er veel mensen naar aanleiding van het rapport

a)

Maildde

b)

mailden

c)

Maildden

d)

Mailden

71.

(beëindigen)

We ....... de feestdag met een dans

a)

beeindigden

b)

beëindigen

c)

beëindigden

d)

beëndigden

72.

(missen)

........ jullie je ouders toen jullie op wereldreis waren?

a)

Misten

b)

Mistten

c)

miste

d)

misstten

73.

(slaan)

Mijn kleine broertje ....... sloeg de kat op zijn kop.

a)

slaagdde

b)

sloeg

c)

Sloeg

d)

Slaagte

74.

(grijpen)

De vampier ....... zijn kans bij het bij het slachtoffer.

a)

greep

b)

grijpptte

c)

grijptte

d)

graapte

75.

Het meisje ......... (barsten) in tranen uit gisteren.

a)

barste

b)

barstte

c)

barstten

d)

barst

76.

De stagiair is met zijn stage .............. (stoppen).

a)

gestopt

b)

gestopd

77.

Meneer Van Dongen heeft een stapel SO's ................. (verbranden).

a)

verbrand

b)

verbrandt

c)

verbrandd

d)

geverbrand

78.

Gisteren ................ (zoeken) hij een hele tijd naar jou.

a)

zoekt

b)

zoekte

c)

zocht

79.

De leerlingen uit de tweede klas hebben een culturele middag ............ (beleven)

a)

beleeft

b)

beleefd

c)

beleefte

d)

beleefde

80.

De docenten .............. (discussiëren) over de proefwerkweek.

a)

discussieerden

b)

discussieerde

c)

discussieerten

d)

discussieerte

81.

De school wordt na een lange tijd ............ (verbouwen).

a)

verbouwt

b)

verbouwte

c)

verbouwd

d)

verbouwde

82.

Afgelopen week ............ (stellen) de docent het nakijken uit.

a)

stelt

b)

stelde

c)

stelden

83.

De kinderen ............... (schateren) vrijdagavond van het lachen.

a)

schateren

b)

schaterde

c)

schaterden

84.

De hond heeft heel de avond op de grond ................ (slapen).

a)

slapen

b)

geslaapt

c)

geslaapd

d)

geslapen

85.

Sinterklaas ............ (delen) cadeautjes aan de kinderen uit.

a)

deelt

b)

deelde

c)

deelte

d)

deelden

86.

De pieten werden door een grimeuse .............. (grimeren).

a)

gegrimeert

b)

gegrimeren

c)

gegrimeerd

87.

Het kopen van pepernoten .......... (kosten) de stagiaire vier euro.

a)

kost

b)

koste

c)

kostte

d)

kostten

88.

De Pakjespiet ............... (pakken) de cadeautjes in met prachtig inpakpapier.

a)

pakten

b)

pakte

c)

pakt

d)

pak

89.

Heb ik jouw vraag op deze manier ................ (beantwoorden)?

a)

beantwoord

b)

beantwoordt

c)

beantwoordde

90.

Mijn zusje heeft drie sigaretten ............... (roken).

a)

roken

b)

rookt

c)

geroken

d)

gerookt

91.

De tante van Sophie .......... (betuttelen) mijn moeder te veel.

a)

betuttelt

b)

betuttelte

c)

betuttelde

d)

betuttelden

92.

Haar vader is op en neer ............. (rijden) om zijn dochters te halen.

a)

rijden

b)

gerijden

c)

gerijd

d)

gereden

93.

Vanwege hun verkoudheid .............. (kuchen) de leerlingen tijdens de toets.

a)

kuchen

b)

kuchde

c)

kuchte

d)

kuchten

94.

Ze heeft het antwoord op haar vraag ............. (googelen)

a)

googelt

b)

gegoogeld

c)

gegogelt

d)

gegoogelen

95.

DE VERLEDEN TIJD

(veroordelen)

De jongeren (a)   het vandalisme in de buurt.

96.

HET VOLTOOID DEELWOORD

(verhuizen)

Onze buren zijn vorig jaar naar Italië (a)   .

97.

Julia __________ de hond van de buren _________ (knuffelen).

(voltooid verleden tijd)

a)

knuffelde

b)

had geknuffeld

c)

heeft geknuffeld

d)

heeft geknuffelt

98.

Jullie ... (kiezen, VVT).

(a)  

99.

In welke tijd staat onderstaande zin?


Het eerste Nederlandse snoep was gemaakt van suikerriet.

a)

OTT

b)

OVT

c)

VTT

d)

VVT

100.

In welke tijd staat onderstaande zin?


Aan het begin van de zestiende eeuw mengden drogisten rietsuiker met water en soms cacao.

a)

OTT

b)

OVT

c)

VTT

d)

VVT

101.

In welke tijd staat onderstaande zin?


Dat hebben ze in eerste instantie verkocht als medicijn tegen verkoudheid.

a)

OTT

b)

OVT

c)

VTT

d)

VVT