Font size
WorksheetsWerkwoordsspelling: verleden tijd
Total questions: 101
Worksheet time: 2hrs 41mins
Gisteren (leiden) hij een groep toeristen uit Hongkong rond.
(a)
Hij (sparen) al zijn zakgeld voor zijn droomauto.
(a)
Ik (zwemmen) vanmorgen in zee.
(a)
Wie (vertellen) jou al die leugens?
(a)
De dierenarts (doden) het gewonde dier onmiddellijk.
(a)
Hij (snijden) de worteltjes in schijfjes.
(a)
Wie (vermoorden) onze klassenleraar?
(a)
Ik (verwonden) me aan de omheining.
(a)
Het (lijken) erop dat hij loog.
(a)
Ze (praten) voortdurend over Lucas.
(a)
Ik ben blij dat je me niet (verraden).
(a)
Hoeveel (vragen) voor dat schilderij?
(a)
Hij (raden) meteen dat jij het was.
(a)
De kogel (treffen) haar recht in het hart.
(a)
Hij (praten) nooit met haar.
(a)
Schrijf het werkwoord in de onvoltooid verleden tijd. Kijk goed naar het onderwerp.
Hij (steken) de pen terug in zijn pennenzak.
(a)
Ik (verzinnen) het verhaal ter plekke.
(a)
Wie (bedenken) dat gekke idee?
(a)
Wij (zijn) helemaal alleen in die winkel.
(a)
Tijdens de goocheltruc (verdwijnen) 2 konijnen.
(a)
Vorige week (sterven) mijn goudvis.
(a)
Wie (regeren) vroeger in België?
(a)
De lerares (verplichten) de leerling naar voren te komen.
(a)
Mijn zussen en ik (zorgen) goed voor oma.
(a)
Ik (wonen) het liefst op het platteland.
(a)
Ik (beslissen) om meer te studeren voor Nederlands.
(a)
De politieagent (noteren) mijn klacht.
(a)
Na de grondige voorbereiding, (hoeven) wij niks meer te doen.
(a)
Hij (gebruiken) een potlood om te schrijven.
(a)
De leraar (aanduiden) de leerstof ... .
(a)
Wie (verraden) de schuldige?
(a)
Niemand (antwoorden) op de vraag.
(a)
Hij (lusten) die soep duidelijk niet.
(a)
De mensen (passeren) langs de winkels.
(a)
Wat een slechte film! Ik (vinden) er niks aan.
(a)
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het moet in de verleden tijd!
Bram (vangen) de bal.
vangt
ving
vong
vangde
Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.
Op vakantie (eten) we elke dag pasta.
(a)
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het moet in de verleden tijd!
Ik (landen) weer met beide benen op de grond.
landden
land
landde
landen
Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.
Wij (ontmoeten) hem voor het eerst op school.
(a)
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het moet in de verleden tijd!
Mijn vriend (morsen) cola over mijn shirt.
morst
marste
morsten
morste
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het moet in de verleden tijd!
Nienke (roepen) dat zij de opdrachten erg moeilijk vond.
roepte
riep
riepte
riepen
Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.
Een Poolse tuinman (smokkelen) planten in zijn onderbroek.
(a)
Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.
Het meisje (liegen) tegen haar vader over haar cijfer.
(a)
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het moet in de verleden tijd!
De docent (zeggen) er nooit iets van.
zei
zegt
zeiden
zeggen
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het is verleden tijd!
De wond (bloeden) erg hevig.
bloedde
bloedt
bloedden
bloeden
Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.
Ik (ontbijten) vroeger altijd bij de McDonalds.
(a)
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het is verleden tijd!
Ik (hopen) al dat je zou komen.
hoopte
hiep
hoopten
hoop
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het is verleden tijd!
Hij (denken) dat hij die Ferrari wel kon betalen.
denkt
denken
dacht
dachten
Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.
Het huis (branden) helemaal af.
(a)
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het is verleden tijd!
Dat meisje (lijken) wel 2o jaar!
lijkt
leek
lijken
leken
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het is verleden tijd!
De gemeente (plaatsen) de wifibank bij de skatebaan.
plaatsten
plaatst
plaatsen
plaatste
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het is verleden tijd!
De gemeente (plaatsen) de wifibank bij de skatebaan.
plaatsten
plaatst
plaatsen
plaatste
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Denk erom het is verleden tijd!
Ik (mogen) gisteren op de gitaar van mijn vader spelen.
mogen
mag
mocht
mochten
abonneren
Ik ... me gisteren op zonneland.
(a)
besteden
Liam ... veel tijd aan zijn huiswerk.
(a)
haasten
De directeur ... zich naar het toilet.
(a)
verbieden
De juf ... het gebruik van gsm's in de les.
(a)
vertalen
Mohammed ... de tekst heel vlot.
(a)
eten
Wij ... gezellig onze boterhammen op op het plein.
(a)
kaften
Bij het begin van het schooljaar ... papa al mijn boeken.
(a)
woeden
Er ... een cycloon in de Filipijnen.
(a)
binden
Ik ... mijn turnzak nochtans goed vast op mijn fiets.
(a)
vluchten
De inbreker ... toen hij de politie zag.
(a)
treffen
Jammer genoeg ... Warre nooit het doel.
(a)
zwaaien
De koningin ... naar haar onderdanen.
(a)
zoeken
De politie ... uren naar de daders.
(a)
bespreken
Tijdens het oudercontact ... we de punten van Jef.
(a)
dansen
De jongens ... op de allerlaatste hit.
(a)
(tennissen)
Waar ...... het duo dit weekend?
tenniste
teniste
tennisde
Tenniste
(mailen)
....... er veel mensen naar aanleiding van het rapport
Maildde
mailden
Maildden
Mailden
(beëindigen)
We ....... de feestdag met een dans
beeindigden
beëindigen
beëindigden
beëndigden
(missen)
........ jullie je ouders toen jullie op wereldreis waren?
Misten
Mistten
miste
misstten
(slaan)
Mijn kleine broertje ....... sloeg de kat op zijn kop.
slaagdde
sloeg
Sloeg
Slaagte
(grijpen)
De vampier ....... zijn kans bij het bij het slachtoffer.
greep
grijpptte
grijptte
graapte
Het meisje ......... (barsten) in tranen uit gisteren.
barste
barstte
barstten
barst
De stagiair is met zijn stage .............. (stoppen).
gestopt
gestopd
Meneer Van Dongen heeft een stapel SO's ................. (verbranden).
verbrand
verbrandt
verbrandd
geverbrand
Gisteren ................ (zoeken) hij een hele tijd naar jou.
zoekt
zoekte
zocht
De leerlingen uit de tweede klas hebben een culturele middag ............ (beleven)
beleeft
beleefd
beleefte
beleefde
De docenten .............. (discussiëren) over de proefwerkweek.
discussieerden
discussieerde
discussieerten
discussieerte
De school wordt na een lange tijd ............ (verbouwen).
verbouwt
verbouwte
verbouwd
verbouwde
Afgelopen week ............ (stellen) de docent het nakijken uit.
stelt
stelde
stelden
De kinderen ............... (schateren) vrijdagavond van het lachen.
schateren
schaterde
schaterden
De hond heeft heel de avond op de grond ................ (slapen).
slapen
geslaapt
geslaapd
geslapen
Sinterklaas ............ (delen) cadeautjes aan de kinderen uit.
deelt
deelde
deelte
deelden
De pieten werden door een grimeuse .............. (grimeren).
gegrimeert
gegrimeren
gegrimeerd
Het kopen van pepernoten .......... (kosten) de stagiaire vier euro.
kost
koste
kostte
kostten
De Pakjespiet ............... (pakken) de cadeautjes in met prachtig inpakpapier.
pakten
pakte
pakt
pak
Heb ik jouw vraag op deze manier ................ (beantwoorden)?
beantwoord
beantwoordt
beantwoordde
Mijn zusje heeft drie sigaretten ............... (roken).
roken
rookt
geroken
gerookt
De tante van Sophie .......... (betuttelen) mijn moeder te veel.
betuttelt
betuttelte
betuttelde
betuttelden
Haar vader is op en neer ............. (rijden) om zijn dochters te halen.
rijden
gerijden
gerijd
gereden
Vanwege hun verkoudheid .............. (kuchen) de leerlingen tijdens de toets.
kuchen
kuchde
kuchte
kuchten
Ze heeft het antwoord op haar vraag ............. (googelen)
googelt
gegoogeld
gegogelt
gegoogelen
DE VERLEDEN TIJD
(veroordelen)
De jongeren (a) het vandalisme in de buurt.
HET VOLTOOID DEELWOORD
(verhuizen)
Onze buren zijn vorig jaar naar Italië (a) .
Julia __________ de hond van de buren _________ (knuffelen).
(voltooid verleden tijd)
knuffelde
had geknuffeld
heeft geknuffeld
heeft geknuffelt
Jullie ... (kiezen, VVT).
(a)
In welke tijd staat onderstaande zin?
Het eerste Nederlandse snoep was gemaakt van suikerriet.
OTT
OVT
VTT
VVT
In welke tijd staat onderstaande zin?
Aan het begin van de zestiende eeuw mengden drogisten rietsuiker met water en soms cacao.
OTT
OVT
VTT
VVT
In welke tijd staat onderstaande zin?
Dat hebben ze in eerste instantie verkocht als medicijn tegen verkoudheid.
OTT
OVT
VTT
VVT
