Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets Duurzame Aarde (klas 2) 4.1 en 4.2 en 4.3

Total questions: 35

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

welke vorm van energie is een fossiele brandstof?

a)

windenergie

b)

zonne-energie

c)

aardolie

d)

kernenergie

2.

Wat is de minst ecologische manier van reizen?

a)
b)
c)
d)
3.

Voorbeelden van duurzame maatregelen zijn:

a)

Windenergie, isoleren

b)

Kolencentrales, zonne-energie

c)

Auto's op diesel, vliegen

4.

Het moment van Earth Overshoot Day is in Nederland tegenwoordig

a)

Februari

b)

April

c)

Juni

d)

Augustus

5.

Bekijk de figuur. In de figuur zie je dat de ecologische voetafdruk van de gemiddelde Nederlander schommelt. Wat is daar de reden voor?

a)

Mensen eten het ene jaar meer dan het andere jaar.

b)

Als het economisch beter gaat, groeit de voetafdruk.

c)

Er worden soms meer kinderen geboren.

d)

De draagkracht schommelt, waardoor de ecologische voetafdruk ook schommelt.

6.

Wat is een ecologische voetafdruk?

a)

De schoenafdruk die je achterlaat op de grond tijdens het wandelen.

b)

De ruimte die er per persoon beschikbaar is op aarde.

c)

De hoeveelheid grond die er per persoon beschikbaar is in België.

7.

Wat ik koop in de winkel heeft een invloed op mijn ecologische voetafdruk.

a)

Juist

b)

Fout

8.

Als ik een langere wandeling maak, vergroot mijn ecologische voetafdruk.

a)

Juist

b)

Fout

9.

Is de ecologische voetafdruk van de gemiddelde mens groter of kleiner dan waar we recht op hebben?

a)

groter

b)

kleiner

10.

Elektriciteit die opgewekt wordt uit duurzame energiebronnen. Deze energie raakt nooit op

a)

Groene energie

b)

Hernieuwbare energie

c)

Duurzame energie

11.

Het maximumaantal mensen dat in een gebied of op aarde kan leven zonder schade aan te richten aan het ecosysteem

a)

Duurzame bevolking

b)

Draagkracht

c)

Milieugebruiksruimte

12.

Op welke twee manieren kan er meer voedsel geproduceerd worden?

a)

Schaalvergroting

b)

Minder weggooien

c)

Biologische landbouw

d)

Intensivering

13.

Wat zou er gebeuren als we niet op een duurzamere manier voedsel gaan produceren?

a)

Er ontstaat milieu-uitputting, voor volgende generaties zijn er dan geen natuurlijke hulpbronnen meer beschikbaar

b)

Veel mensen verliezen hun werk, omdat er al teveel voedsel wordt geproduceerd.

c)

Er blijft geen ruimte meer over voor biologische landbouw

d)

Er is geen ruimte meer voor schaalvergroting.

14.

Plastic, nylon en piepschuim zijn voorbeelden van....

a)

Natuurlijke producten

b)

Kunststoffen

15.

Bij recycling worden....

a)

Afvalproducten hergebruikt

b)

Afvalproducten gebruikt als grondstoffen voor nieuwe producten

c)

Afvalproducten verbrand in een verbrandingsoven

d)

Afvalproducten bij de ROVA gestort

16.
Wat zijn de twee belangrijkste kernmerken van duurzame energiebronnen?
a)

1. Onuitputbaar en goedkoop.

b)

2. Uitputbaar en duur.

c)

3. Ze raken niet op en vervuilen niet.

d)

4. Schoon en uitputbaar.

17.

Welke kenmerken horen bij biologische landbouw?

a)

Er zijn alleen maar monoculturen

b)

Het milieu wordt zoveel mogelijk ontzien

c)

Er wordt geen kunstmest gebruikt, alleen stalmest.

d)

Intensieve veehouderij

e)

Er worden geen chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt

18.

Genetische modificatie is het aanpassen van de genen van planten om ze te verbeteren.

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

Bio-industrie is....

a)

Schone industrie

b)

veel dieren op een klein stukje grond, slechte omstandigheden

c)

weinig dieren op een klein stukje grond, goede omstandigheden

d)

hier worden alleen biologische groenten gekweekt

20.

2 dieren kruisen om met de beste eigenschappen verder te fokken noem je....

a)

genetische modificatie

b)

fokken

c)

veredeling

d)

transgeen

21.

Afval scheiden in huis is een druppel op de gloeiende plaat.

a)

Feit

b)

Fabel

22.

Nadat het afval gescheiden ingezameld is, gaat al het afval weer op een hoop.

a)

Feit

b)

Fabel

23.

Sorteer het afval:

a)

GFT

b)

PMD

c)

KGA

d)

RESTAFVAL

e)

CONTAINERPARK

24.

Sorteer het afval:

a)

GFT

b)

PMD

c)

KGA

d)

RESTAFVAL

e)

PAPIER EN KARTON

25.

Sorteer het afval:

a)

GFT

b)

PMD

c)

KGA

d)

RESTAFVAL

e)

PAPIER EN KARTON

26.

Wat betekent dit plaatje?

a)

Het product is duurzaam

b)

Het product is te recyclen

c)

Het product is schadelijk voor het milieu

d)

Het product is schadelijk voor de mens

27.

Wat kan jij doen voor de duurzaamheid van onze planeet?

a)

Producten kopen met een ecolabel, geen plastiek zakjes meer gebruiken, seizoensproducten kopen, drank in glazen flessen kopen

b)

Zonnepanelen plaatsen, producten met ecolabel kopen, winter en zomer ramen ramen openzetten voor verluchting, seizoensproducten kopen.

c)

Drank in glazen flessen kopen, zonnepanelen plaatsen, goedkope kleding kopen, producten met ecolabel kopen.

28.

Waarom is het eten van veel rundvlees niet erg duurzaam?

a)

Het kost erg weinig water om vlees te produceren

b)

Wereldwijd gaan mensen steeds meer vlees eten

c)

Het verbouwen van voer voor de dieren neemt geen ruimte in beslag

d)

Koeien stoten een zeer zwak broeikasgas uit.

29.

Bekijk de figuur. Welk begrip past het best erbij?

a)

Biologische landbouw

b)

Genetische modificatie

c)

Monocultuur

d)

Milieuvervuiling

30.

Bekijk de figuur. Wat wordt er bedoeld met de hoeveelheden soja die in de figuur zijn weergegeven?

a)

Het is de hoeveelheid sojamelk die in ieder product verwerkt is.

b)

Het gewicht staat voor de hoeveelheid soja die het desbetreffende dier eet.

c)

Soja is een ingrediënt van alle producten die er staan.

d)

Per product is die hoeveelheid soja benodigd als bijvoorbeeld veevoer.

31.

Wat is milieu-uitputting?

a)

Het vervuilen van onze leefomgeving door afval in de kringlopen achter te laten, hierdoor raken de kringlopen verstoord

b)

Het uit het milieu halen van stoffen in zo’n tempo dat het milieu het niet kan herstellen

c)

De door mens veroorzaakte verandering in het milieu waardoor de leefgebieden van planten en dieren kleiner worden of zelfs verdwijnen

d)

De vermoeidheid van mensen afkomstig uit een bepaald milieu

32.

Zonne-energie en windenergie zijn.... energiebronnen.

a)

Dure

b)

Duurzame

c)

Radioactieve

d)

Nieuwe

33.
aardolie, aardgas en steenkool zijn fossiele brandstoffen.
a)
juist
b)
fout
34.

Wat wordt er bedoeld met schaalvergroting?

a)

Snellere productie van vlees.

b)

Van een dier komt meer vlees.

c)

Er is wereldwijd meer ruimte voor landbouw.

d)

Er zijn minder boerenbedrijven, maar de bedrijven die er zijn worden steeds groter.

35.

Door minder weg te gooien en meer te hergebruiken vergroot je jouw afvalvoetafdruk.

a)

Juist

b)

onjuist