wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

LES 11 Economie en organisatie

Total questions: 40

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Duid de inkomsten aan.

a)

Geld van je studentenjob

b)

Zakgeld

c)

Geld voor een klusje

d)

Je koopt een nieuwe gsm

e)

Je brengt een bezoek aan een pretpark

2.

Duid de uitgaven aan.

a)

Zakgeld

b)

Spaargeld

c)

Geld voor nieuwe schoenen

d)

Je koopt een nieuwe laptop

3.

Een budget is in balans als...

a)

Jouw inkomsten groter zijn dan jouw uitgaven.

b)

Jouw uitgaven groter zijn dan jouw inkomsten.

c)

Met jouw rekening onder nul gaan.

d)

Geld om een iets te kopen.

4.

Duid de goederen aan.

a)
b)
c)
d)
5.

Duid de diensten aan.

a)
b)
c)
d)
6.

Wat is een bedrijfskolom?

a)

Een schematisch overzicht van de stappen die een product of dienst doorloopt.

b)

Een detailhandel die goederen aan de consument verkoopt.

c)

De kortste weg tussen producent en consument.

7.

Wat voor behoefte staat op de foto?

a)

Primaire behoefte

b)

Secundaire behoefte

c)

Geen behoefte

8.

Wat voor behoefte staat op de foto?

a)

Primaire behoefte

b)

Secundaire behoefte

c)

Geen behoefte

9.

Antwoord met bediende, arbeider, handelaar, ambachtsman of vrij beroep.

Charlotte Kiekeboe gaat langs bij Cleo, die heeft een kledingzaak.

Cleo is dan ook een (a)  

10.

Antwoord met bediende, arbeider, handelaar, ambachtsman of vrij beroep.

Onlangs werd Moemoe opgenomen in het ziekenhuis. Zij had een probleem met haar maag. Gelukkig was dokter Zonderbloem daar om haar te genezen. Hij werkt als zelfstandig arts in het ziekhuis. Het gaat hier om een ...

(a)  

11.

Antwoord met bediende, arbeider, handelaar, ambachtsman of vrij beroep.

Op de laatste afbeelding zie je een Missy, zij werkt in hetzelfde bedrijf als Marcel Kiekeboe. Zij werkt op de klantendienst van het bedrijf.

Missy is een ...

(a)  

12.

Wat is bijdrage sociale zekerheid?

a)

een verplichte belasting op je loon

b)

een vrijwillige bijdrage voor solidariteit

c)

een verplichte bijdrage voor de solidariteit

d)

een vrijwillige belasting

13.

Wie moet de bijdrage sociale zekerheid betalen?

a)

Iedereen

b)

Iedereen die een inkomen heeft

c)

Bedienden, arbeiders, jobstudenten

d)

bedienden, arbeiders, zelfstandigen

14.

De bijdrage sociale zekerheid wordt afgetrokken van:

a)

je belastbaar loon

b)

je brutoloon

c)

je basisloon

d)

je nettoloon

15.

De bijdrage sociale zekerheid (in %) is dezelfde voor iedereen.

a)

Waar

b)

Niet waar

16.

Wat is bedrijfsvoorheffing?

a)

een belasting die wordt afgetrokken van je nettoloon

b)

een belasting die wordt afgetrokken van je basisloon

c)

een belasting die wordt afgetrokken van je brutoloon

d)

een belasting die wordt afgetrokken van je belastbaar loon

17.

Het nettoloon is:

(correct volgorde is van belang)

a)

je brutoloon min bedrijfsvoorheffing min sociale bijdrage

b)

je brutoloon min basisloon met bedrijfsvoorheffing

c)

je brutoloon min basisloon min sociale bijdrage

d)

je brutoloon min sociale bijdrage min bedrijfsvoorheffing

18.

Twee mensen met hetzelfde basisloon kunnen verschillende nettolonen hebben omdat:

a)

hun sociale bijdrage verschilt

b)

hun bedrijfsvoorheffing verschilt

c)

hun brutoloon verschilt

19.

Welk bedrag per maand staat er vermeld in je arbeidscontract?

a)

je uurloon

b)

je brutoloon

c)

je nettoloon

20.

Welke van onderstaande voorbeelden zijn extralegale voordelen? Meerdere antwoorden zijn mogelijk

a)

ecocheques

b)

bedrijfswagen

c)

maaltijdcheques

d)

vakantiegeld

21.

Om welk betaalmiddel gaat het hier?

Duid alle mogelijke oplossingen aan

a)

cash geld

b)

debetkaart

c)

kredietkaart

d)

chartaal geld

e)

giraal geld

22.

Om welk betaalmiddel gaat het hier?

Duid alle mogelijk antwoorden aan.

a)

cash geld

b)

debetkaart

c)

kredietkaart

d)

giraal geld

e)

chartaal geld

23.

Betalen met de app kan enkel via de bankautomaat.

a)

fout

b)

juist

24.

Wanneer een klant betaalt zonder tussenkomst van een financiële instelling, spreek je van...

a)

Rechtstreekse betaling

b)

Onrechtstreekse betaling

c)

Geen rechtstreekse of onrechtstreekse betaling

25.

Een debetkaart is een voorbeeld van...

a)

Rechtstreekse betaling

b)

Onrechtstreekse betaling

c)

Geen rechtstreekse of onrechtstreekse betaling

26.

Muntstukken en biljetten zijn voorbeelden van...

a)

Rechtstreekse betaling

b)

Onrechtstreekse betaling

c)

Geen rechtstreekse of onrechtstreekse betaling

27.

Lowie zijn inkomen blijft gelijk, maar de prijzen stijgen... welk antwoord is juist?

a)

Lowie heeft meer koopkracht

b)

Lowie heeft minder koopkracht

28.

Juist of fout?

Door inflatie daalt de koopkracht van je geld.

a)

JUIST

b)

FOUT

29.

Wie bepaald de vraag naar een product?

a)

De producent

b)

De consument

c)

De aanbieder

30.

Het geheel van vraag een aanbod naar een product:

a)

De markt

b)

De producent

c)

Het marktaandeel

31.

Welke curve kan deze lijn zijn?

a)

een aanbodcurve

b)

een vraagcurve

32.

Wat kan een oorzaak zijn van de verschuiving van de vraaglijn naar rechts?

a)

De prijs van het product is gestegen

b)

De prijs van het product is gedaald

c)

Het inkomen van consumenten is gestegen

d)

Het inkomen van consumenten is gedaald

33.

Wat kan een oorzaak zijn van de verschuiving van de aanbodlijn naar links?

a)

De prijs van het product is gestegen

b)

De prijs van het product is gedaald

c)

De prijs van grondstoffen zijn gedaald

d)

De prijs van grondstoffen zijn gestegen

34.

Een verschuiving van de vraaglijn naar links kan zijn ontstaan doordat ...

a)

Het product is populairder geworden.

b)

Het besteedbaar inkomen van consumenten is toegenomen.

c)

Het product is minder populair geworden.

d)

Een substitutiegoed is duurder geworden.

35.

Als vraag is groter dan aanbod:

a)

Daalt de prijs

b)

Stijgt de prijs

36.

Door een mislukte oogst:

a)

verschuift de aanbodlijn naar links

b)

verschuift de aanbodlijn naar rechts

c)

verschuift de vraaglijn naar links

d)

verschuift de vraaglijn naar rechts.

37.

Duid aan wat er onmiddellijk zal gebeuren op de grafiek.
Gezien de hoge energieprijzen en het feit dat er heel veel energie nodig is om bakstenen en dakpannen te produceren, zal ... hiervan veranderen.

a)

de vraag

b)

het aanbod

38.

Duid aan wat er onmiddellijk zal gebeuren op de grafiek.
Gezien de hoge energieprijzen en het feit dat er heel veel energie nodig is om bakstenen en dakpannen te produceren.

a)
b)
c)
39.

Volgens Testaankoop is de zonnecrème van het Kruidvat de beste koop. Wat zal er gebeuren op de markt van de zonnecrème van het Kruidvat?

a)

De vraag zal stijgen.

b)

De vraag zal dalen.

c)

Het aanbod zal stijgen.

d)

Het aanbod zal dalen.

40.

Volgens Testaankoop is de zonnecrème van het Kruidvat de beste koop. Wat zal er gebeuren op de markt van de zonnecrème van het Kruidvat?

a)
b)
c)