Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

pluriforme samenleving 1

Total questions: 18

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Het kenmerkende van een subcultuur is dat een subcultuur:

a)

afwijkt van de dominante cultuur.

b)

botst met de dominante cultuur.

c)

altijd maar kort bestaat.

d)

weinig tolerantie kent.

2.

Ajax-supporters in Rotterdam:

a)

vormen een subcultuur

b)

zijn een voorbeeld van een etnische subcultuur.

c)

behoren tot de dominante cultuur van Rotterdam.

d)

wijzen pluriformiteit af.

3.

Hieronder staan drie cultuurkenmerken.

Welk(e) kenmerk(en) hoort of horen bij de Nederlandse pluriforme samenleving?

I.    Er is culturele diversiteit.

II.    Een dominante cultuur ontbreekt.

III.   Mensen hebben verschillende levensovertuigingen.

a)

Alleen kenmerk I.

b)

Alleen kenmerk III.

c)

De kenmerken I en III.

d)

Alle kenmerken.

4.

I. Verschillen tussen mannen en vrouwen zijn alleen biologisch bepaald.

II.    Rolpatronen veranderen door de tijd heen.

a)

I is juist, II is onjuist.

b)

I is onjuist, II is juist.

c)

I en II zijn beide juist.

d)

I en II zijn beide onjuist.

 

5.

Christelijke en islamitische opvattingen over rolpatronen kunnen bosten met de dominante Nederlandse cultuur op het gebied van emancipatie.

a)

juist

b)

onjuist

6.

Christelijke en islamitische opvattingen over rolpatronen kunnen bosten met de dominante Nederlandse cultuur op basis van artikel 1 in de grondwet.

a)

juist

b)

onjuist

7.

Christelijke en islamitische opvattingen over rolpatronen kunnen bosten met de dominante Nederlandse cultuur op het gebied van gelijkheid.

a)

juist

b)

onjuist

8.

Socialisatie is essentieel om te functioneren in een samenleving. Welke uitspraak is onjuist?

a)

Bij socialisatie zijn altijd socialiserende instituties nodig.

b)

Socialisatie vindt plaats door imitatie, informatie en oriëntatie.

c)

Imitatie zien we vooral bij kinderen.

d)

Door socialisatie vindt internalisatie plaats.

9.

De socialiserende institutie(s) waar kinderen mee te maken krijgen, zijn:

I.    het gezin.

II.    de massamedia.

III.   de school.

IV.   de overheid.

a)

Alleen I.

b)

I en III.

c)

I, II en III.

d)

I, II, III en IV

10.

   I.    Cultuuroverdracht gebeurt via de socialiserende instituties.

II.    Als de socialisatie geslaagd is, eindigt de sociale controle.

a)

I is juist, II is onjuist.

b)

I is onjuist, II is juist.

c)

I en II zijn beide juist.

d)

I en II zijn beide onjuist

11.

Wanneer begint en wanneer eindigt socialisatie?

a)

Vanaf je geboorte totdat je een persoonlijke identiteit hebt.

b)

Vanaf je geboorte totdat je volwassen bent geworden.

c)

Vanaf het moment dat je kunt lezen tot het moment dat je je opleiding hebt afgerond.

d)

Socialisatie duurt je hele leven lang.

12.

Bij internalisatie:

a)

is er sprake van onvolledige socialisatie.

b)

gedragen mensen zich zoals de omgeving van hen verwacht.

c)

staat de persoonlijke identiteit centraal.

13.

Een dominante cultuur bestaat uit een kleine groep mensen.

a)

juist

b)

onjuist

14.

I. Alleen subculturen veranderen, de dominante cultuur blijft altijd dezelfde cultuurkenmerken behouden.

II. Een religieuze subcultuur kan per land en per generatie verschillend zijn

a)

1 is onjuist

2 is juist

b)

1 is juist

2 onjuist

15.
  1. 1. Een individualistische cultuur benadrukt vooral de sociale identiteit.

  2. 2. De Nederlandse dominante cultuur is collectivistisch, omdat de normen en waarden van die cultuur voor veel mensen gelden.

a)

I is juist, II is onjuist

b)

I is onjuist, II is juist.

c)

I en II zijn beide juist.

d)

I en II zijn beide onjuist.

16.

I . Een kennismigrant is een hoogopgeleide gastarbeider

II. een vluchteling is een migrant

a)

I is juist

II is onjuist

b)

II is juist

I is onjuist

c)

I en II zijn beide

juist

d)

I en II zijn beide onjuist

17.

In welke van onderstaande situaties voldoet de gezinsvorming aan de voorwaarden?

a)

De Nederlandse Samir (26) trouwt met de Koerdische Lamyae (23), die het basisexamen inburgering haalt.

Hun gezamenlijke inkomen is gelijk aan het minimumloon.

b)

De Nederlandse Samir (25) trouwt met de Koerdische Lamyae (24), die het basisexamen inburgering haalt.

Hun gezamenlijke inkomen is 110 procent van het minimumloon.

c)

De Nederlandse Samir (22) trouwt met de Koerdische Lamyae (17), die het basisexamen inburgering haalt.

Hun gezamenlijke inkomen is 120 procent van het minimumloon.

d)

De Nederlandse Samir (26) trouwt met de Koerdische Lamyae (21), die het basisexamen inburgering haalt.

Hun gezamenlijke inkomen is 130 procent van het minimumloon.

18.

Wat is een motief voor segregatie?

a)

Het vereenvoudigt de sociale controle tussen bevolkingsgroepen.

b)

Het vermindert conflicten tussen sociale groepen.

c)

Het verbetert de eigen groepsidentiteit of levensstijl.

d)

Het vergemakkelijkt de integratie.