wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Eindtoets taalbeschouwing

Total questions: 66

Worksheet time: 33mins

Name
Class
Date
1.

Welke woord mist van deze trap?

Eng - Enger - ...

(a)  

2.

Welke woord mist van deze trap?

... - Natter - Natst

(a)  

3.

Welke woord mist van deze trap?

Leuk - Leuker - ...

(a)  

4.

Welke woord mist van deze trap?

Groot - ... - Grootst

(a)  

5.

Wat komt er bij de tweede trap bij het woord?

(voorbeeld: diep - dieper - diepst)

a)

-st

b)

-er

c)

-ha

d)

-ste

6.

Wat komt er bij de derde trap achter het woord?

(voorbeeld: diep - dieper - diepst)

a)

-st

b)

-er

c)

-er

d)

niks

7.
Welke trap is goed?
a)
weinig-minder-minst
b)
weinig-weiniger-weinigst
8.
Welke trap is goed?
a)
veel-meer-meest
b)
veel-veler-veelst
9.
Welke trap is goed?
a)
aardig-aardiger-aardigst
b)
aardig-liever-liefst
10.
Welke trap is goed?
a)
goed-beter-best
b)
goed-goeder-goedst
11.

Heeft jouw zus een zacht kussen? (Wat is het bijvoeglijk naamwoord?)

a)

zus

b)

zacht

c)

heeft

12.

Mijn opa heeft een rode auto.(Wat is het bijvoeglijk naamwoord?)

a)

opa

b)

rode

c)

auto

13.

De lieve vrouw brengt koekjes. (Wat is het bijvoeglijk naamwoord?)

a)

lieve

b)

vrouw

c)

koekjes

14.

Klik het zelfstandig naamwoord aan in onderstaande zin:


Het gedicht is prachtig.

a)

prachtig

b)

het

c)

gedicht

d)

is

15.

Klik het zelfstandig naamwoord aan in onderstaande zin:


Ik hou erg van boeken.

a)

Ik

b)

boeken

c)

hou

d)

erg

16.

Klik het zelfstandig naamwoord aan in onderstaande zin:


Piet loopt daar.

a)

Piet

b)

loopt

c)

daar

17.

Klik het zelfstandig naamwoord/ de zelfstandige naamwoorden aan in onderstaande zin:


Vader is vijf jaar voorzitter geweest.

a)

vader

b)

voorzitter

c)

vader en voorzitter

d)

vijf jaar en vader

18.

Klik de zelfstandige naamwoorden aan in onderstaande zin:


Moeder gaat koekjes bakken.

a)

bakken en koekjes

b)

moeder en bakken

c)

moeder en koekjes

19.

Klik het zelfstandig naamwoord aan in onderstaande zin:


Ga jij wel eens naar Amsterdam?

a)

jij

b)

eens

c)

wel

d)

Amsterdam

20.

Klik de zelfstandige naamwoorden aan in onderstaande zin:


De aardige jongen redde een straatkatje en verzorgde het dier goed.

a)

aardige, jongen, dier

b)

jongen, straatkatje, dier

c)

aardige, jongen, straatkatje

d)

jongen, verzorgde, dier, straatkatje

21.

Klik het zelfstandig naamwoord/ de zelfstandige naamwoorden aan in onderstaande zin:


Het huis werd door de nieuwe bewoners verbouwd.

a)

huis, bewoners

b)

huis, nieuwe bewoners

c)

huis

d)

nieuwe bewoners

22.

Vul aan: koud, (a)   , koudst

23.

Vul aan: mooi, mooier, ...

(a)  

24.

Benoem het aangeduide woord.

Je kan het vragen aan de directeur.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

geen van deze opties

25.

Benoem het aangeduide woord.

Ze gaf het cadeautje aan Simon.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

geen van deze opties

26.

Benoem het aangeduide woord.

Dit is de trap naar het lokaal.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

geen van deze opties

27.

Benoem het zelfstandig naamwoord.

In Spanje eten de mensen later dan wij gewoon zijn.

a)

eigennaam

b)

soortnaam

28.

Roze of groene zin?
Papa heeft thuis een nieuwe muur gebouwd.

a)

Roze zin (zegt wat het onderwerp is of wordt)

b)

Groene zin (zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt)

29.

Roze of groene zin?
Dat paard is al een lange tijd heel erg ziek.

a)

Roze zin (zegt wat het onderwerp is of wordt)

b)

Groene zin (zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt)

30.

Roze of groene zin?
Hij nam de telefoon op en riep heel luid.

a)

Roze zin (zegt wat het onderwerp is of wordt)

b)

Groene zin (zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt)

31.

Roze of groene zin?
Werden jouw ouders vroeger ook zo blij van toetsen?

a)

Roze zin (zegt wat het onderwerp is of wordt)

b)

Groene zin (zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt)

32.

Roze of groene zin?
Werden jouw ouders vroeger ook zo blij van toetsen?

a)

Roze zin (zegt wat het onderwerp is of wordt)

b)

Groene zin (zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt)

33.

Is het volgende woord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig?

middel

a)

mannelijk

b)

vrouwelijk

c)

onzijdig

34.

Is het volgende woord een de-woord of een het-woord?

borstel

a)

de-woord

b)

het-woord

35.

Kies het juiste verwijswoord.

De meisjes dat / die daar lopen, zitten bij mij in de klas. Hun / Zij kunnen goed voetballen.

a)

dat, Hun

b)

die, Hun

c)

dat, Zij

d)

die, Zij

36.

Welk woord in de volgende zin is een verwijswoord?

- Twee weken lang werd er vergaderd, tot alle landen akkoord waren. Dat was erg moeilijk. Want elk land wou voor zichzelf haalbare doelen stellen.

a)

Dat

b)

Want

37.

Welk woord in de volgende zin is een signaalwoord?

- Twee weken lang werd er vergaderd, tot alle landen akkoord waren. Dat was erg moeilijk. Want elk land wou voor zichzelf haalbare doelen stellen.

a)

Dat

b)

Want

38.

Waarnaar verwijst 'Dat'?

- Iedereen op school heeft een B-bot. Dat is een pratende robot

(a)  

39.

Waarnaar verwijst 'Die'?

- Imke Courtois selecteerde acht kinderen. Die zijn allemaal erg goed in hun eigen sport.

(a)  

40.

Welk verband geeft het signaalwoord ‘Toch’ aan?

- Volwassenen hebben er minder last van. Toch hebben zij dezelfde bacteriën in hun mond.

a)

reden

b)

oorzaak

c)

tegenstelling

41.

'Hij' is een ...

- De Luikse ingenieur Georges Nagelmackers had een droom. Hij wilde lange treinreizen in Europa mogelijk maken.

a)

signaalwoord

b)

verwijswoord

c)

werkwoord

42.

Welk verband geeft het signaalwoord ‘Daardoor’ aan?

- Niet alleen het corona-, maar ook andere virussen werden doorgegeven. Daardoor zijn er heel veel zieken.

a)

reden

b)

tegenstelling

c)

oorzaak

d)

gevolg

43.

Waarnaar verwijst 'Zij'?

- De telefoons van huisartsen rinkelen de hele dag door. Zij moeten mensen met covid-19 helpen.

(a)  

44.

'Daarom' is een ...

- Het is een feest van hoop en licht. Daarom worden er veel kaarsjes aangestoken.

a)

signaalwoord

b)

verwijswoord

c)

werkwoord

45.

Het leger werft meer personeel, omdat ... vaker wordt ingezet.

a)

hij

b)

zij

c)

het

46.

Ik vind de hondennaam Binky lelijk, maar ... is helemaal in.

a)

hij

b)

zij

c)

het

47.

Ooit leefde hier veel wild, maar ... is verjaagd door de toeristen.

a)

deze

b)

die

c)

dit

d)

dat

48.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?

Mijn tante houdt niet van winkelen, maar mijn moeder vindt het heel erg leuk.

a)

tijd

b)

reden

c)

tegenstelling

d)

opsomming

49.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?


Mijn oom is heel erg avontuurlijk. Mijn tante daarentegen is helemaal niet avontuurlijk en wil niet graag nieuwe dingen beleven.

a)

opsomming

b)

volgorde

c)

voorbeeld

d)

tegenstelling

50.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?


Ik heb besloten om vanmiddag naar de kapper te gaan, omdat ik mijn haren nu echt te lang vind .

a)

opsomming

b)

tegenstelling

c)

tijd

d)

reden

51.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Eerst deed ik mijn pyjama aan en vervolgens poetste ik mijn tanden. Daarna stapte ik in bed en uiteindelijk viel ik weer in slaap.

a)

reden

b)

tegenstelling

c)

tijd

d)

voorbeeld

52.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Ik ben geboren in de 20e eeuw. Drie jaren later, in de 21e eeuw, is mijn broertje geboren.

a)

opsomming

b)

tijd

c)

reden

d)

tegenstelling

53.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?

Omdat mijn buren een hele mooie en fijne auto hebben , wil ik zo'n zelfde auto.

a)

reden

b)

voorbeeld

c)

volgorde

d)

tegenstelling

54.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Mijn moeder wil groenten en fruit kopen. Verder brood en daarnaast wat broodbeleg en tot slot een paar toetjes.

a)

tijd

b)

opsomming

c)

voorbeeld

d)

reden

55.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband (tijds)volgorde?

a)

doordat

b)

eerst

c)

en

d)

bijvoorbeeld

56.

De vakantie kan ons niet lang genoeg duren!

Wat is in deze zin het onderwerp?

a)

De vakantie

b)

vakantie

c)

ons

d)

ons niet

57.

De rode auto rijdt snel.

Welke woordsoort?

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een werkwoord

c)

een bijvoeglijk naamwoord

d)

een lidwoord

58.

De rode auto rijdt snel.

Welke woordsoort?

a)

een werkwoord

b)

een zelfstandig naamwoord

c)

een lidwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

59.

De rode auto rijdt snel.

Welke woordsoort?

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een lidwoord

c)

een werkwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

60.

We logeerden in het grote kasteel van Filot.

Welke woordsoort?

a)

een werkwoord

b)

een zelfstandig naamwoord

c)

een bijvoeglijk naamwoord.

61.

We logeerden in het grote kasteel van Filot.

a)

een werkwoord

b)

een zelfstandig naamwoord

c)

een bijvoeglijk naamwoord

62.

Wat is de pv: Mijn vader viert zijn verjaardag morgen.

a)

Mijn vader

b)

viert

c)

zijn

d)

morgen

63.

Wat is de pv: Wat is jouw naam?

a)

Wat

b)

is

c)

jouw

d)

naam

64.

Wat is de pv: Hebben jullie veel pepernoten gegeten?

a)

Hebben

b)

jullie

c)

pepernoten

d)

gegeten

65.

Wat is de pv: Ik help jou altijd op vrijdag.

a)

Ik

b)

help

c)

jou

d)

op vrijdag

66.

Wat is de pv: Ze hebben de fiets niet binnen gezet

a)

hebben

b)

gezet

c)

Ze

d)

de fiets