Font size
WorksheetsEindtoets taalbeschouwing
Total questions: 66
Worksheet time: 33mins
Welke woord mist van deze trap?
Eng - Enger - ...
(a)
Welke woord mist van deze trap?
... - Natter - Natst
(a)
Welke woord mist van deze trap?
Leuk - Leuker - ...
(a)
Welke woord mist van deze trap?
Groot - ... - Grootst
(a)
Wat komt er bij de tweede trap bij het woord?
(voorbeeld: diep - dieper - diepst)
-st
-er
-ha
-ste
Wat komt er bij de derde trap achter het woord?
(voorbeeld: diep - dieper - diepst)
-st
-er
-er
niks
Heeft jouw zus een zacht kussen? (Wat is het bijvoeglijk naamwoord?)
zus
zacht
heeft
Mijn opa heeft een rode auto.(Wat is het bijvoeglijk naamwoord?)
opa
rode
auto
De lieve vrouw brengt koekjes. (Wat is het bijvoeglijk naamwoord?)
lieve
vrouw
koekjes
Klik het zelfstandig naamwoord aan in onderstaande zin:
Het gedicht is prachtig.
prachtig
het
gedicht
is
Klik het zelfstandig naamwoord aan in onderstaande zin:
Ik hou erg van boeken.
Ik
boeken
hou
erg
Klik het zelfstandig naamwoord aan in onderstaande zin:
Piet loopt daar.
Piet
loopt
daar
Klik het zelfstandig naamwoord/ de zelfstandige naamwoorden aan in onderstaande zin:
Vader is vijf jaar voorzitter geweest.
vader
voorzitter
vader en voorzitter
vijf jaar en vader
Klik de zelfstandige naamwoorden aan in onderstaande zin:
Moeder gaat koekjes bakken.
bakken en koekjes
moeder en bakken
moeder en koekjes
Klik het zelfstandig naamwoord aan in onderstaande zin:
Ga jij wel eens naar Amsterdam?
jij
eens
wel
Amsterdam
Klik de zelfstandige naamwoorden aan in onderstaande zin:
De aardige jongen redde een straatkatje en verzorgde het dier goed.
aardige, jongen, dier
jongen, straatkatje, dier
aardige, jongen, straatkatje
jongen, verzorgde, dier, straatkatje
Klik het zelfstandig naamwoord/ de zelfstandige naamwoorden aan in onderstaande zin:
Het huis werd door de nieuwe bewoners verbouwd.
huis, bewoners
huis, nieuwe bewoners
huis
nieuwe bewoners
Vul aan: koud, (a) , koudst
Vul aan: mooi, mooier, ...
(a)
Benoem het aangeduide woord.
Je kan het vragen aan de directeur.
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
werkwoord
geen van deze opties
Benoem het aangeduide woord.
Ze gaf het cadeautje aan Simon.
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
werkwoord
geen van deze opties
Benoem het aangeduide woord.
Dit is de trap naar het lokaal.
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
werkwoord
geen van deze opties
Benoem het zelfstandig naamwoord.
In Spanje eten de mensen later dan wij gewoon zijn.
eigennaam
soortnaam
Roze of groene zin?
Papa heeft thuis een nieuwe muur gebouwd.
Roze zin (zegt wat het onderwerp is of wordt)
Groene zin (zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt)
Roze of groene zin?
Dat paard is al een lange tijd heel erg ziek.
Roze zin (zegt wat het onderwerp is of wordt)
Groene zin (zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt)
Roze of groene zin?
Hij nam de telefoon op en riep heel luid.
Roze zin (zegt wat het onderwerp is of wordt)
Groene zin (zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt)
Roze of groene zin?
Werden jouw ouders vroeger ook zo blij van toetsen?
Roze zin (zegt wat het onderwerp is of wordt)
Groene zin (zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt)
Roze of groene zin?
Werden jouw ouders vroeger ook zo blij van toetsen?
Roze zin (zegt wat het onderwerp is of wordt)
Groene zin (zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt)
Is het volgende woord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig?
middel
mannelijk
vrouwelijk
onzijdig
Is het volgende woord een de-woord of een het-woord?
borstel
de-woord
het-woord
Kies het juiste verwijswoord.
De meisjes dat / die daar lopen, zitten bij mij in de klas. Hun / Zij kunnen goed voetballen.
dat, Hun
die, Hun
dat, Zij
die, Zij
Welk woord in de volgende zin is een verwijswoord?
- Twee weken lang werd er vergaderd, tot alle landen akkoord waren. Dat was erg moeilijk. Want elk land wou voor zichzelf haalbare doelen stellen.
Dat
Want
Welk woord in de volgende zin is een signaalwoord?
- Twee weken lang werd er vergaderd, tot alle landen akkoord waren. Dat was erg moeilijk. Want elk land wou voor zichzelf haalbare doelen stellen.
Dat
Want
Waarnaar verwijst 'Dat'?
- Iedereen op school heeft een B-bot. Dat is een pratende robot
(a)
Waarnaar verwijst 'Die'?
- Imke Courtois selecteerde acht kinderen. Die zijn allemaal erg goed in hun eigen sport.
(a)
Welk verband geeft het signaalwoord ‘Toch’ aan?
- Volwassenen hebben er minder last van. Toch hebben zij dezelfde bacteriën in hun mond.
reden
oorzaak
tegenstelling
'Hij' is een ...
- De Luikse ingenieur Georges Nagelmackers had een droom. Hij wilde lange treinreizen in Europa mogelijk maken.
signaalwoord
verwijswoord
werkwoord
Welk verband geeft het signaalwoord ‘Daardoor’ aan?
- Niet alleen het corona-, maar ook andere virussen werden doorgegeven. Daardoor zijn er heel veel zieken.
reden
tegenstelling
oorzaak
gevolg
Waarnaar verwijst 'Zij'?
- De telefoons van huisartsen rinkelen de hele dag door. Zij moeten mensen met covid-19 helpen.
(a)
'Daarom' is een ...
- Het is een feest van hoop en licht. Daarom worden er veel kaarsjes aangestoken.
signaalwoord
verwijswoord
werkwoord
Het leger werft meer personeel, omdat ... vaker wordt ingezet.
hij
zij
het
Ik vind de hondennaam Binky lelijk, maar ... is helemaal in.
hij
zij
het
Ooit leefde hier veel wild, maar ... is verjaagd door de toeristen.
deze
die
dit
dat
Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?
Mijn tante houdt niet van winkelen, maar mijn moeder vindt het heel erg leuk.
tijd
reden
tegenstelling
opsomming
Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?
Mijn oom is heel erg avontuurlijk. Mijn tante daarentegen is helemaal niet avontuurlijk en wil niet graag nieuwe dingen beleven.
opsomming
volgorde
voorbeeld
tegenstelling
Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?
Ik heb besloten om vanmiddag naar de kapper te gaan, omdat ik mijn haren nu echt te lang vind .
opsomming
tegenstelling
tijd
reden
Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?
Eerst deed ik mijn pyjama aan en vervolgens poetste ik mijn tanden. Daarna stapte ik in bed en uiteindelijk viel ik weer in slaap.
reden
tegenstelling
tijd
voorbeeld
Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?
Ik ben geboren in de 20e eeuw. Drie jaren later, in de 21e eeuw, is mijn broertje geboren.
opsomming
tijd
reden
tegenstelling
Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?
Omdat mijn buren een hele mooie en fijne auto hebben , wil ik zo'n zelfde auto.
reden
voorbeeld
volgorde
tegenstelling
Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?
Mijn moeder wil groenten en fruit kopen. Verder brood en daarnaast wat broodbeleg en tot slot een paar toetjes.
tijd
opsomming
voorbeeld
reden
Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband (tijds)volgorde?
doordat
eerst
en
bijvoorbeeld
De vakantie kan ons niet lang genoeg duren!
Wat is in deze zin het onderwerp?
De vakantie
vakantie
ons
ons niet
De rode auto rijdt snel.
Welke woordsoort?
een zelfstandig naamwoord
een werkwoord
een bijvoeglijk naamwoord
een lidwoord
De rode auto rijdt snel.
Welke woordsoort?
een werkwoord
een zelfstandig naamwoord
een lidwoord
een bijvoeglijk naamwoord
De rode auto rijdt snel.
Welke woordsoort?
een zelfstandig naamwoord
een lidwoord
een werkwoord
een bijvoeglijk naamwoord
We logeerden in het grote kasteel van Filot.
Welke woordsoort?
een werkwoord
een zelfstandig naamwoord
een bijvoeglijk naamwoord.
We logeerden in het grote kasteel van Filot.
een werkwoord
een zelfstandig naamwoord
een bijvoeglijk naamwoord
Wat is de pv: Mijn vader viert zijn verjaardag morgen.
Mijn vader
viert
zijn
morgen
Wat is de pv: Wat is jouw naam?
Wat
is
jouw
naam
Wat is de pv: Hebben jullie veel pepernoten gegeten?
Hebben
jullie
pepernoten
gegeten
Wat is de pv: Ik help jou altijd op vrijdag.
Ik
help
jou
op vrijdag
Wat is de pv: Ze hebben de fiets niet binnen gezet
hebben
gezet
Ze
de fiets
