wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Elektriciteit Klas 3

Total questions: 23

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

je ziet hier een schakeling. Wat wijst het pijltje aan?

a)

Batterij

b)

krokodillen tangen

c)

schakelaar

d)

gebroken draad

2.

Wanneer kan er in een stroomkring stroom lopen?

a)

Als het rode draad in de plus kant zit en het zwarte draad in de min kant

b)

Als er genoeg isolatoren in de stroomkring zitten

c)

Alleen als de stroomkring gesloten is

d)

Alle drie de antwoorden zijn juist

3.

Ik draai 1 lampje uit deze schakeling. Wat gebeurt er met de andere 6 lampen?

a)

Alle lampjes gaan uit

b)

De andere 6 lampjes gaan allemaal iets harder branden

c)

Er gebeurt helemaal niets

d)

Alleen de lampjes die voor de lamp staan die eruit is gedraaid, werken nog.

4.

Ik heb een schakeling met 1 lamp, die veel licht geeft.

Nu voeg ik een tweede lamp toe aan de schakeling (zoals in het plaatje rechts). Wat gebeurt er met het licht van de lampen?

a)

Allebei de lampen blijven even fel branden als in de schakeling links.

b)

Allebei de lampen branden niet.

c)

Allebei de lampen branden half zo fel als bij de schakeling links.

d)

Lamp 1 brand net zo fel als bij de linker schakeling, omdat het alle stroom verbruikt en lamp 2 staat uit.

5.
Welke zin over het schakelschema in het plaatje klopt?  Het getoonde schakelschema is een:
a)
Parallelschakeling met 2 lampjes en 1 spanningsbron
b)
Parralelschakeling met 2 schakelaars en 1 spanningsbron
c)
Serieschakeling met 2 lampjes en een weerstand
d)
Serieschakeling met 2 lampjes en 1 spanningsbron
6.
Hoeveel stroomkringen heeft het schakelschema in het plaatje?
a)
3
b)
5
c)
6
d)
7
7.
Met welke schakeling bepaal je spanning over het lampje en de stroomsterkte door het lampje?
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
8.
De spanning die een stopcontact in je huis geeft is....
a)
12 V
b)
24 V
c)
110 V
d)
230 V
9.
Wat voor schakeling wordt in de afbeelding weergegeven?
a)
Een serieschakeling
b)
Een parallelschakeling
10.
Welke eenheid hoort bij spanning?
a)
Ampère
b)
Watt
c)
Wattuur
d)
Volt
11.

Op de meeste wandcontactdozen staat een spanning van ?

a)

12V

b)

16A

c)

220V

d)

230V

12.

Om het vermogen te berekenen gebruiken wij de formule:

a)

U = I  RU\ =\ I\ \cdot\ R

b)

I = U  RI\ =\ U\ \cdot\ R

c)

P = U  IP\ =\ U\ \cdot\ I

d)

U = P IU\ =\ P\cdot\ I

13.

Wat is de eenheid van capaciteit?

(a)  

14.

Wat is de netspanning in Nederland?

(a)  

15.

De batterij heeft een spanning van 5 volt. de ampèremeter meet een stroomsterkte van 2 ampère. De voltmeter geeft aan dat er over lampje 2 een spanning van 3 volt staat. Wat is de spanning over lampje 3?

a)

3 V

b)

2 V

c)

5 V

d)

2,5 V

16.

Voor een parallelschakeling geldt: De spanning is ____________ en de stoomsterkte is _______________.

a)

gelijk en gelijk

b)

verdeeld en verdeeld

c)

gelijk en verdeeld

d)

verdeeld en gelijk

17.

Voor een serieschakeling geldt: De spanning is ___________ en de stroomsterkte is_________________.

a)

gelijk en gelijk

b)

verdeeld en verdeeld

c)

gelijk en verdeeld

d)

verdeeld en gelijk

18.

Wat is geen eenheid van vermogen?

a)

watt

b)

kilowatt

c)

joule/seconde

d)

kilowattuur

19.

Een wasmachine werkt op een spanning van 230 volt. De stoomsterkte door de wasmachine is 8 A. Wat is het vermogen van de wasmachine?

(a)  

20.

Hoeveel energie gebruikt een computer van 400 Watt als hij 3 kwartier aanstaat?

(a)  

21.

Bij welke schakeling branden de meeste lampjes wanneer beide schakelaars open staan.

a)

De linker schakeling

b)

De rechter schakeling

c)

Bij beide schakelingen branden even veel lampjes

22.

Het vermogen is de energie die een apparaat .........

a)

per seconde verbruikt

b)

nodig heeft

c)

per minuut verbruikt

d)

oplevert

23.

Een oplaadbare batterij heeft een capaciteit van 2100 mAh en levert een spanning van 1,5 V. Je gebruikt de batterij in een zaklamp. Door de zaklamp gaat een stroom van 0,1 A.

Bereken na hoeveel uur je de batterij moet opladen.

(a)