Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Campus 2a: Herhalingsoefeningen examen 3

Total questions: 167

Worksheet time: 53mins

Name
Class
Date
1.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Ik ga straks eerst naar huis, dan ga ik mijn huiswerk maken en daarna ga ik tv-kijken.

a)

Opsommend

b)

Chronologisch

c)

Beschrijvend

d)

Vergelijkend

e)

Oorzaak-gevolg

2.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Net als zij heeft hij jarenlang in het buitenland gewoond.

a)

Vergelijkend

b)

Beschrijvend

c)

Oorzaak-gevolg

d)

Opsommend

e)

Chronologisch

3.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Hij viel van zijn fiets, doordat hij teveel gedronken had.

a)

Opsommend

b)

Chronologisch

c)

Oorzaak-gevolg

d)

Beschrijvend

e)

Vergelijkend

4.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'daardoor'?

a)

Opsommend

b)

Oorzaak-gevolg

c)

Chronologisch

d)

Beschrijvend

e)

Vergelijkend

5.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'evenals'?

a)

Vergelijkend

b)

Opsommend

c)

Chronologisch

d)

Beschrijvend

e)

Oorzaak-gevolg

6.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'vervolgens'?

a)

Opsommend

b)

Oorzaak-gevolg

c)

Chronologisch

d)

Vergelijkend

e)

Beschrijvend

7.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'bovendien'?

a)

Chronologisch

b)

Opsommend

c)

Vergelijkend

d)

Beschrijvend

e)

Oorzaak-gevolg

8.

Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?


Mijn mama heeft de hond gisteren gevoederd.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

bijwoordelijke bepaling

d)

onderwerp

9.

Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?


Gisteren heb ik haar een klap gegeven.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

bijwoordelijke bepaling

d)

onderwerp

10.

Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?


Twee weken heb ik het oorlogsmuseum van Bastogne bezocht.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

bijwoordelijke bepaling

d)

onderwerp

11.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Voor we van start gaan, wil ik de afspraken even ... (= doorlezen) .

(a)  

12.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

De politie kon niet ... (= ontdekken) wie de aanrijding had veroorzaakt.

(a)  

13.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

De burgemeester neemt ... (= handelingen met een bepaald doel) om de omgeving van het park veiliger te maken.

(a)  

14.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Kunt u me wat ... (= uitleg) geven bij deze vraag? Ik begrijp ze niet.

(a)  

15.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Mijn beste vriendin gelooft in de ... (= het zeggen van wat er gaat gebeuren) die ze in horoscopen vindt.

(a)  

16.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Voor mij ging de ... (= verhaal waarop je op een informatieve manier over iets vertelt) van de spreker te snel.

(a)  

17.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

De trainer vond mijn sandalen niet ... (= bruikbaar) voor een voetbalmatch.

(a)  

18.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Er was amper ... (= wisselwerking) tussen de leerlingen en de leraar.

(a)  

19.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

De Morgen ... (= iets dat je geschreven hebt openbaar maken) vandaag opnieuw een artikel over de klimaattop.

(a)  

20.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Papa kon ... (= bijna niet) geloven dat ik geslaagd was.

(a)  

21.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

De hele heisa rond de verdwenen pennenzak berust op een ... (= een vergissing) .

(a)  

22.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Ik kan me slechts ... (= stukjes) van het gesprek herinneren.

(a)  

23.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Tijdens de ... (= wat je in het openbaar vertelt wanneer je iets hebt meegemaakt) van het slachtoffer werd het muisstil in de zaal.

(a)  

24.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Door het lawaai van de buren kan ik ... niet ... (= je aandacht richten op).

(a)  

25.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Voor het herstel van je naaimachine contacteer je best een ... (= specialist).

(a)  

26.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Hoeveel ... (= wanneer je iets probeert te doen) heb jij ondernomen voor je geslaagd was voor je rijexamen?

(a)  

27.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Ik wil ook mijn steentje ... (= toevoegen) voor het goede doel.

(a)  

28.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Mama vindt het niet meer dan ... (= vanzelfsprekend) dat de oudsten het meest geduld hebben.

(a)  

29.

Benoem het onderstreepte voornaamwoord.

Ik vertrek morgen.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

vragend voornaamwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

30.

Benoem het onderstreepte voornaamwoord.

Deze man doet echt raar.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

vragend voornaamwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

31.

Benoem het onderstreepte voornaamwoord.

Mijn ouders zijn echt streng.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

vragend voornaamwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

32.

Benoem het onderstreepte voornaamwoord.

Het park is groot. Dat is de favoriete plek van elke inwoner.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

vragend voornaamwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

33.

Welk voornaamwoord moet ingevuld worden?

... gaat morgen naar Disneyland.

a)

Hij/Zij

b)

Ons

c)

Ik

d)

Wij

34.

Welk voornaamwoord moet ingevuld worden?

Hij zei dat voor hem ... belangrijkste bezit de televisie is.

a)

mijn

b)

zijn

c)

jullie

d)

hun

35.

Welk voornaamwoord moet ingevuld worden?

... redder hielp me heel goed.

a)

Die/Dat

b)

Dit/Deze

c)

Deze/Die

d)

Dat/Dit

36.

Benoem het onderstreepte voornaamwoord.

Daarom wil ik graag weten welk cijfer ik gehaald heb.

a)

aanwijzend voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

vragend voornaamwoord

d)

persoonlijk voornaamwoord

37.

Benoem het onderstreepte voornaamwoord.

Ouders willen jullie tijd niet verspillen aan fietsen.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

vragend voornaamwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

38.

Benoem het onderstreepte voornaamwoord.

Daarom mogen jullie vaak met de bus naar school.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

vragend voornaamwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

39.

Benoem het onderstreepte voornaamwoord.

Ik wil deze toetsen morgen bespreken.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

vragend voornaamwoord

40.

Benoem het onderstreepte voornaamwoord.

Die leerling die daar loopt gaat naar het secretariaat.

a)

aanwijzend voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

vragend voornaamwoord

41.

Wat is het bezittelijk voornaamwoord in deze zin?

Heb je mijn nieuwe bril al gezien?

a)

je

b)

al

c)

mijn

d)

gezien

42.

Wat is het bezittelijk voornaamwoord in deze zin?

Dat zijn onze jassen.

a)

dat

b)

onze

c)

jassen

d)

zijn

43.

Noteer de bezittelijke voornaamwoorden uit deze zin.

Ik heb de spelcomputer van jouw zusje geleend, maar ze wil haar spelcomputer graag terug.

(a)  

44.

Noteer de bezittelijke voornaamwoorden uit deze zin.

Mijn kamer is een grote bende, terwijl zijn kamer erg schoon is.

(a)  

45.

Benoem het onderstreepte voornaamwoord.

Heb jij gisteren naar die film gekeken?

a)

vragend voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

bezittelijk voornaamwoord

46.

Benoem het onderstreepte voornaamwoord.

Wie heeft mijn schoenen gezien?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

vragend voornaamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

47.

Benoem het onderstreepte voornaamwoord.

Heb je je vergist met het maken van die som?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

48.

Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord:

Naar welke supermarkt ga jij meestal?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

persoonlijk voornaamwoord

49.

Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord:

Ga je soms naar Lidl?

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

voorzetsel

c)

tussenwerpsel

d)

voegwoord

50.

Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord:

Straks lezen we een interessante tekst over Julies allereerste tv-spot.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

51.

Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord:

Straks lezen we een interessante tekst over Julies allereerste tv-spot.

a)

aanwijzend voornaamwoord

b)

onbepaald voornaamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

werkwoord

52.

Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord:

Straks lezen we een interessante tekst over Julies allereerste tv-spot.

a)

tussenwerpsel

b)

voorzetsel

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

telwoord

53.

Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord:

Naar welke supermarkt ga jij meestal?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

persoonlijk voornaamwoord

54.

Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord:

Ga je soms naar Lidl?

a)

betrekkelijk voornaamwoord

b)

voorzetsel

c)

tussenwerpsel

d)

voegwoord

55.

Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord:

Straks lezen we een interessante tekst over Julies allereerste tv-spot.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

betrekkelijk voornaamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

56.

Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord:

Straks lezen we een interessante tekst over Julies allereerste tv-spot.

a)

aanwijzend voornaamwoord

b)

telwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

werkwoord

57.

Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord:

Straks lezen we een interessante tekst over Julies allereerste tv-spot.

a)

tussenwerpsel

b)

voorzetsel

c)

bijwoord

d)

telwoord

58.

Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.

controle

(a)  

59.

Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.

eclair

(a)  

60.

Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.

comite

(a)  

61.

Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.

hotel

(a)  

62.

Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.

pate

(a)  

63.

Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.

etage

(a)  

64.

Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.

voliere

(a)  

65.

Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.

cafe

(a)  

66.

Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.

scene

(a)  

67.

Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.

a volonte

(a)  

68.

Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.

enquete

(a)  

69.

Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.

creme fraiche

(a)  

70.

Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.

etalage

(a)  

71.

Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.

deja vu

(a)  

72.

Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.

creche

(a)  

73.

Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.

compote

(a)  

74.

Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.

ragout

(a)  

75.

Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.

bechamelsaus

(a)  

76.

Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.

maitresse

(a)  

77.

Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.

genant

(a)  

78.

Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.

au serieux

(a)  

79.

Om welke soort zin gaat het?

De proefjes die we tijdens de lessen deden, vond ik spectaculair.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

80.

Om welke soort zin gaat het?

Toen we naar school fietsten, zagen we een vrouw die viel op het voetpad.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

81.

Om welke soort zin gaat het?

Om twee uur 's nachts was het muisstil op straat.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

82.

In welke zin is een bijvoeglijk naamwoord vetgedrukt?

a)

Die lieve hond poepte op straat.

b)

Die lieve hond poepte op straat.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

83.

In welke zin is het zelfstandig naamwoord vetgedrukt?

a)

Die lieve hond poepte op straat.

b)

Die lieve hond poepte op straat.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

84.

In welke zin is een voorzetsel vetgedrukt?

a)

Die lieve hond poepte op straat.

b)

Die lieve hond poepte op straat.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

85.

In welke zin is het bepaalde lidwoord vetgedrukt?

a)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

b)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

c)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

d)

nergens

86.

In welke zin is het bezittelijk voornaamwoord vetgedrukt?

a)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

b)

nergens

c)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

d)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

87.

In welke zin is een onbepaald hoofdtelwoord vetgedrukt?

a)

nergens

b)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

c)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

d)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

88.

In welke zin is een zelfstandig naamwoord (eigennaam) vetgedrukt?

a)

In het café 'De halve maan', wordt wekelijks opgetreden.

b)

In het café 'De halve maan', wordt wekelijks opgetreden.

c)

In het café 'De halve maan', wordt wekelijks opgetreden.

d)

nergens

89.

In welke zin is een persoonlijk voornaamwoord vetgedrukt?

a)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

b)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

c)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

d)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

90.

Waar is een bijwoord vetgedrukt?

a)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

b)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

c)

nergens

d)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

91.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?

De vriend van Lyra, Roger, verdwijnt.

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

persoonlijk voornaamwoord

92.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?

De vriend van Lyra, Roger, verdwijnt.

a)

voorzetsel

b)

onbepaald lidwoord

c)

bepaald lidwoord

93.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?

De vriend van Lyra, Roger, verdwijnt.

a)

bijwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

94.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?

De vriend van Lyra, Roger, verdwijnt.

a)

bepaald lidwoord

b)

voegwoord

c)

voorzetsel

95.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?

De vriend van Lyra, Roger, verdwijnt.

a)

tussenwerpsel

b)

persoonlijk voornaamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

96.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?

Hun zoektocht leidt hen naar de bleke schoonheid van het Noorden.

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

aanwijzend voornaamwoord

c)

persoonlijk voornaamwoord

97.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?

Hun zoektocht leidt hen naar de bleke schoonheid van het Noorden.

a)

bijwoord

b)

tussenwerpsel

c)

bijvoeglijk naamwoord

98.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?

Hun zoektocht leidt hen naar de bleke schoonheid van het Noorden.

a)

voorzetsel

b)

onbepaald lidwoord

c)

bepaald lidwoord

99.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?

Wauw, dit boek is zo spannend!

a)

voorzetsel

b)

aanspreking

c)

tussenwerpsel

100.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?

Wauw, dit boek is zo spannend!

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

betrekkelijk voornaamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

101.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?

Wauw, dit boek is zo spannend!

a)

voorzetsel

b)

bijwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

102.

Joris draait de bal sierlijk in de hoek.

a)

bijwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

103.

Zet de persoonsvorm van deze zin in de onvoltooid verleden tijd.

Ik meld de diefstal bij de politie.

(a)  

104.

Zet de persoonsvorm van deze zin in de onvoltooid verleden tijd.

Een kaartje voor de dierentuin kost 12 euro.

(a)  

105.

Zet de persoonsvorm van deze zin in de onvoltooid verleden tijd.

De meester luidt de bel na de pauze.

(a)  

106.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

De twee vrouwen (organiseren) een barbecue in de tuin.

(a)  

107.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

Hij (genezen) snel.

(a)  

108.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

Ik (treffen) hem zo aan.

(a)  

109.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

Wij (bedriegen) haar.

(a)  

110.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

Mike (raden) gisteren het aantal dropjes in de pot.

(a)  

111.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

Ik (vullen) gisteren de vaas met bloemen.

(a)  

112.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

Jij (beloven) gisteren dat je een tekening voor opa zou maken.

(a)  

113.

Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

Ik (vermoeden) dat je niet graag zwemt.

(a)  

114.

Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

Ik (vinden) sushi erg lekker.

(a)  

115.

Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

Tomas (besteden) weinig tijd aan zijn schoolwerk.

(a)  

116.

Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

(Branden) die kaars de hele dag?

(a)  

117.

Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

Tim (vieren) zijn verjaardag vandaag.

(a)  

118.

Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

's Nachts (treden) het spookdier in actie.

(a)  

119.

Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

Hij (houden) van speelfilms.

(a)  

120.

Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

(Rijden) jij morgen met mij mee?

(a)  

121.

Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

(Worden) je ook gek van dat werkje?

(a)  

122.

Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

Waarom (antwoorden) je oma niet op dat bericht?

(a)  

123.

Wat is de functie van het onderstreepte zinsdeel?

Hij heeft de bloemen vers water gegeven.

a)

LV

b)

MV

c)

NWD

d)

O

124.

Wat is de functie van het onderstreepte zinsdeel?

Ik heb een cadeautje aan Peter gegeven.

a)

BWB

b)

O

c)

LV

d)

MV

125.

Wat is de functie van het onderstreepte zinsdeel?

Hij is morgen jarig.

a)

MV

b)

NWD

c)

O

d)

LV

126.

Wat is de functie van het onderstreepte zinsdeel?

Deze som heb ik de kinderen wel 1000x uitgelegd!

a)

NWD

b)

O

c)

LV

d)

MV

127.

Wat is de functie van het onderstreepte zinsdeel?

Hij heeft de jongen een nieuwe job aangeboden.

a)

BWB

b)

O

c)

LV

d)

MV

128.

Wat is de functie van het onderstreepte zinsdeel?

Ik heb haar niet uitgenodigd.

a)

O

b)

LV

c)

MV

d)

NWD

129.

Wat is de functie van het onderstreepte zinsdeel?

De enorme regenbuien zetten ons terras onder water.

a)

MV

b)

BWB

c)

O

d)

LV

130.

Wat is het onderwerp in onderstaande zin?

Dit wist je vast niet!

a)

dit

b)

je

c)

wist

d)

niet

131.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?

Bij de afdaling van een berg ontdekten toeristen een gletsjerlijk.

a)

toeristen

b)

bij de afdaling

c)

bij de afdaling van een berg

d)

een gletsjerlijk

132.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?

Ik vertel mijn ouders elke dag een leugen.

a)

een leugen

b)

elke dag

c)

mijn ouders

d)

ik

133.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?

Anne is een lieve dame.

a)

Anne

b)

Een lieve dame

c)

Geen LV mogelijk

134.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?

Fleur verklapt een geheimpje aan haar beste vriendin.

a)

een geheimpje

b)

niet mogelijk

c)

Fleur

d)

aan haar beste vriendin

135.

Wat is het meewerkend voorwerp in onderstaande zin?

Aan de buitenlandse meisjes geeft de coach een extra training.

a)

de coach

b)

een extra training

c)

geeft

d)

aan de buitenlandse meisjes

136.

Wat is het lijdend voorwerp?

Jongens in de puberteit zoeken uitdagingen.

a)

Jongens

b)

in de puberteit

c)

uitdagingen

d)

zoeken

137.

Wat is het meewerkend voorwerp?

De leerkrachten leren jullie nieuwe dingen aan.

a)

nieuwe dingen

b)

leren aan

c)

geen mogelijk

d)

jullie

138.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Plotseling hoorden we een hoge pieptoon.

a)

plotseling

b)

hoorden

c)

pieptoon

d)

een hoge pieptoon

139.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Jens kreeg veel cadeautjes voor zijn verjaardag.

a)

Jens

b)

voor zijn verjaardag

c)

cadeautjes

d)

veel cadeautjes

140.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Mijn oma vindt het schilderij van Jeroen Bosch heel mooi.

a)

het schilderij

b)

mijn oma

c)

het schilderij van Jeroen Bosch

d)

heel mooi

141.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

De politie nam de insluiper mee naar het bureau.

a)

De politie

b)

de insluiper

c)

het bureau

d)

naar het bureau

142.

Zoek het onderwerp.

Niemand was bij de intocht van Sinterklaas onder de indruk van de rode Pieten.

a)

de intocht van Sinterklaas

b)

de rode Pieten

c)

de indruk

d)

niemand

143.

Zoek het onderwerp:

Zijn complete platenverzameling heeft mijn opa aan zijn liefste kleinkind gegeven.

a)

platenverzameling

b)

zijn complete platenverzameling

c)

mijn opa

d)

zijn liefste kleinkind

144.

Zoek het meewerkend voorwerp:

Marion heeft de straatmuzikant haar laatste wisselgeld gegeven.

a)

Marion

b)

de straatmuzikant

c)

haar wisselgeld

d)

haar laatste wisselgeld

145.

Wat is het onderwerp?

Wie dit ziet, wordt bang.

a)

Wie

b)

bang

c)

wie dit ziet

d)

wie dit

146.

Wat is het lijdend voorwerp?

Columbus ontdekte Amerika in 1492.

a)

Columbus

b)

Amerika

c)

in 1492

147.

Wat is het onderwerp in deze zin?

Welke resultaten kloppen echt?

a)

Welke

b)

resultaten

c)

welke resultaten

d)

kloppen

148.

Noteer de bezitsvorm:

de jas van Mila = ... jas

(a)  

149.

Noteer de bezitsvorm:

de pen van Max = ... pen

(a)  

150.

Noteer de bezitsvorm:

de bank van Viktor = ... bank

(a)  

151.

Noteer de bezitsvorm:

de knuffel van Lowie = ... knuffels

(a)  

152.

Noteer het meervoud:

baby

(a)  

153.

Noteer het meervoud:

smiley

(a)  

154.

Noteer het meervoud:

café

(a)  

155.

Noteer het meervoud:

cadeau

(a)  

156.

Noteer het meervoud:

taxi

(a)  

157.

Noteer de afkorting:

dat wil zeggen

(a)  

158.

Noteer de afkorting:

namelijk

(a)  

159.

Noteer de afkorting:

Europese Unie

(a)  

160.

Noteer de afkorting:

plastieken flessen, metalen verpakkingen en drankkartons

(a)  

161.

Noteer de afkorting:

voornamelijk

(a)  

162.

Noteer de afkorting:

circa

(a)  

163.

Noteer de afkorting:

onder andere

(a)  

164.

Noteer de afkorting:

liter

(a)  

165.

Noteer de afkorting:

eventueel

(a)  

166.

Noteer de afkorting:

bijvoorbeeld

(a)  

167.

Noteer de afkorting:

uur

(a)