WorksheetsCampus 2a: Herhalingsoefeningen examen 3
Total questions: 167
Worksheet time: 53mins
Van welk verband is sprake in de volgende zin?
Ik ga straks eerst naar huis, dan ga ik mijn huiswerk maken en daarna ga ik tv-kijken.
Opsommend
Chronologisch
Beschrijvend
Vergelijkend
Oorzaak-gevolg
Van welk verband is sprake in de volgende zin?
Net als zij heeft hij jarenlang in het buitenland gewoond.
Vergelijkend
Beschrijvend
Oorzaak-gevolg
Opsommend
Chronologisch
Van welk verband is sprake in de volgende zin?
Hij viel van zijn fiets, doordat hij teveel gedronken had.
Opsommend
Chronologisch
Oorzaak-gevolg
Beschrijvend
Vergelijkend
Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'daardoor'?
Opsommend
Oorzaak-gevolg
Chronologisch
Beschrijvend
Vergelijkend
Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'evenals'?
Vergelijkend
Opsommend
Chronologisch
Beschrijvend
Oorzaak-gevolg
Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'vervolgens'?
Opsommend
Oorzaak-gevolg
Chronologisch
Vergelijkend
Beschrijvend
Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'bovendien'?
Chronologisch
Opsommend
Vergelijkend
Beschrijvend
Oorzaak-gevolg
Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?
Mijn mama heeft de hond gisteren gevoederd.
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
bijwoordelijke bepaling
onderwerp
Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?
Gisteren heb ik haar een klap gegeven.
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
bijwoordelijke bepaling
onderwerp
Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?
Twee weken heb ik het oorlogsmuseum van Bastogne bezocht.
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
bijwoordelijke bepaling
onderwerp
Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.
Voor we van start gaan, wil ik de afspraken even ... (= doorlezen) .
(a)
Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.
De politie kon niet ... (= ontdekken) wie de aanrijding had veroorzaakt.
(a)
Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.
De burgemeester neemt ... (= handelingen met een bepaald doel) om de omgeving van het park veiliger te maken.
(a)
Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.
Kunt u me wat ... (= uitleg) geven bij deze vraag? Ik begrijp ze niet.
(a)
Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.
Mijn beste vriendin gelooft in de ... (= het zeggen van wat er gaat gebeuren) die ze in horoscopen vindt.
(a)
Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.
Voor mij ging de ... (= verhaal waarop je op een informatieve manier over iets vertelt) van de spreker te snel.
(a)
Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.
De trainer vond mijn sandalen niet ... (= bruikbaar) voor een voetbalmatch.
(a)
Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.
Er was amper ... (= wisselwerking) tussen de leerlingen en de leraar.
(a)
Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.
De Morgen ... (= iets dat je geschreven hebt openbaar maken) vandaag opnieuw een artikel over de klimaattop.
(a)
Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.
Papa kon ... (= bijna niet) geloven dat ik geslaagd was.
(a)
Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.
De hele heisa rond de verdwenen pennenzak berust op een ... (= een vergissing) .
(a)
Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.
Ik kan me slechts ... (= stukjes) van het gesprek herinneren.
(a)
Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.
Tijdens de ... (= wat je in het openbaar vertelt wanneer je iets hebt meegemaakt) van het slachtoffer werd het muisstil in de zaal.
(a)
Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.
Door het lawaai van de buren kan ik ... niet ... (= je aandacht richten op).
(a)
Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.
Voor het herstel van je naaimachine contacteer je best een ... (= specialist).
(a)
Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.
Hoeveel ... (= wanneer je iets probeert te doen) heb jij ondernomen voor je geslaagd was voor je rijexamen?
(a)
Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.
Ik wil ook mijn steentje ... (= toevoegen) voor het goede doel.
(a)
Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.
Mama vindt het niet meer dan ... (= vanzelfsprekend) dat de oudsten het meest geduld hebben.
(a)
Benoem het onderstreepte voornaamwoord.
Ik vertrek morgen.
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
vragend voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
Benoem het onderstreepte voornaamwoord.
Deze man doet echt raar.
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
vragend voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
Benoem het onderstreepte voornaamwoord.
Mijn ouders zijn echt streng.
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
vragend voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
Benoem het onderstreepte voornaamwoord.
Het park is groot. Dat is de favoriete plek van elke inwoner.
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
vragend voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
Welk voornaamwoord moet ingevuld worden?
... gaat morgen naar Disneyland.
Hij/Zij
Ons
Ik
Wij
Welk voornaamwoord moet ingevuld worden?
Hij zei dat voor hem ... belangrijkste bezit de televisie is.
mijn
zijn
jullie
hun
Welk voornaamwoord moet ingevuld worden?
... redder hielp me heel goed.
Die/Dat
Dit/Deze
Deze/Die
Dat/Dit
Benoem het onderstreepte voornaamwoord.
Daarom wil ik graag weten welk cijfer ik gehaald heb.
aanwijzend voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
vragend voornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
Benoem het onderstreepte voornaamwoord.
Ouders willen jullie tijd niet verspillen aan fietsen.
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
vragend voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
Benoem het onderstreepte voornaamwoord.
Daarom mogen jullie vaak met de bus naar school.
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
vragend voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
Benoem het onderstreepte voornaamwoord.
Ik wil deze toetsen morgen bespreken.
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
vragend voornaamwoord
Benoem het onderstreepte voornaamwoord.
Die leerling die daar loopt gaat naar het secretariaat.
aanwijzend voornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
vragend voornaamwoord
Wat is het bezittelijk voornaamwoord in deze zin?
Heb je mijn nieuwe bril al gezien?
je
al
mijn
gezien
Wat is het bezittelijk voornaamwoord in deze zin?
Dat zijn onze jassen.
dat
onze
jassen
zijn
Noteer de bezittelijke voornaamwoorden uit deze zin.
Ik heb de spelcomputer van jouw zusje geleend, maar ze wil haar spelcomputer graag terug.
(a)
Noteer de bezittelijke voornaamwoorden uit deze zin.
Mijn kamer is een grote bende, terwijl zijn kamer erg schoon is.
(a)
Benoem het onderstreepte voornaamwoord.
Heb jij gisteren naar die film gekeken?
vragend voornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
Benoem het onderstreepte voornaamwoord.
Wie heeft mijn schoenen gezien?
persoonlijk voornaamwoord
vragend voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
Benoem het onderstreepte voornaamwoord.
Heb je je vergist met het maken van die som?
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord:
Naar welke supermarkt ga jij meestal?
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
persoonlijk voornaamwoord
Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord:
Ga je soms naar Lidl?
bezittelijk voornaamwoord
voorzetsel
tussenwerpsel
voegwoord
Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord:
Straks lezen we een interessante tekst over Julies allereerste tv-spot.
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord:
Straks lezen we een interessante tekst over Julies allereerste tv-spot.
aanwijzend voornaamwoord
onbepaald voornaamwoord
bijvoeglijk naamwoord
werkwoord
Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord:
Straks lezen we een interessante tekst over Julies allereerste tv-spot.
tussenwerpsel
voorzetsel
bezittelijk voornaamwoord
telwoord
Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord:
Naar welke supermarkt ga jij meestal?
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
persoonlijk voornaamwoord
Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord:
Ga je soms naar Lidl?
betrekkelijk voornaamwoord
voorzetsel
tussenwerpsel
voegwoord
Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord:
Straks lezen we een interessante tekst over Julies allereerste tv-spot.
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
betrekkelijk voornaamwoord
zelfstandig naamwoord
Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord:
Straks lezen we een interessante tekst over Julies allereerste tv-spot.
aanwijzend voornaamwoord
telwoord
bijvoeglijk naamwoord
werkwoord
Benoem de woordsoort van het onderstreepte woord:
Straks lezen we een interessante tekst over Julies allereerste tv-spot.
tussenwerpsel
voorzetsel
bijwoord
telwoord
Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.
controle
(a)
Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.
eclair
(a)
Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.
comite
(a)
Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.
hotel
(a)
Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.
pate
(a)
Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.
etage
(a)
Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.
voliere
(a)
Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.
cafe
(a)
Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.
scene
(a)
Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.
a volonte
(a)
Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.
enquete
(a)
Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.
creme fraiche
(a)
Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.
etalage
(a)
Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.
deja vu
(a)
Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.
creche
(a)
Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.
compote
(a)
Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.
ragout
(a)
Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.
bechamelsaus
(a)
Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.
maitresse
(a)
Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.
genant
(a)
Schrijf je dit woord met of zonder accent(en)? Noteer dit woord correct.
au serieux
(a)
Om welke soort zin gaat het?
De proefjes die we tijdens de lessen deden, vond ik spectaculair.
enkelvoudige zin
samengestelde zin
Om welke soort zin gaat het?
Toen we naar school fietsten, zagen we een vrouw die viel op het voetpad.
enkelvoudige zin
samengestelde zin
Om welke soort zin gaat het?
Om twee uur 's nachts was het muisstil op straat.
enkelvoudige zin
samengestelde zin
In welke zin is een bijvoeglijk naamwoord vetgedrukt?
Die lieve hond poepte op straat.
Die lieve hond poepte op straat.
Die lieve hond poepte op straat.
Die lieve hond poepte op straat.
In welke zin is het zelfstandig naamwoord vetgedrukt?
Die lieve hond poepte op straat.
Die lieve hond poepte op straat.
Die lieve hond poepte op straat.
Die lieve hond poepte op straat.
In welke zin is een voorzetsel vetgedrukt?
Die lieve hond poepte op straat.
Die lieve hond poepte op straat.
Die lieve hond poepte op straat.
Die lieve hond poepte op straat.
In welke zin is het bepaalde lidwoord vetgedrukt?
Heeft het leuke jongetje haar gepest?
Heeft het leuke jongetje haar gepest?
Heeft het leuke jongetje haar gepest?
nergens
In welke zin is het bezittelijk voornaamwoord vetgedrukt?
Heeft het leuke jongetje haar gepest?
nergens
Heeft het leuke jongetje haar gepest?
Heeft het leuke jongetje haar gepest?
In welke zin is een onbepaald hoofdtelwoord vetgedrukt?
nergens
Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.
Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.
Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.
In welke zin is een zelfstandig naamwoord (eigennaam) vetgedrukt?
In het café 'De halve maan', wordt wekelijks opgetreden.
In het café 'De halve maan', wordt wekelijks opgetreden.
In het café 'De halve maan', wordt wekelijks opgetreden.
nergens
In welke zin is een persoonlijk voornaamwoord vetgedrukt?
Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.
Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.
Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.
Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.
Waar is een bijwoord vetgedrukt?
Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.
Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.
nergens
Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
De vriend van Lyra, Roger, verdwijnt.
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
persoonlijk voornaamwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
De vriend van Lyra, Roger, verdwijnt.
voorzetsel
onbepaald lidwoord
bepaald lidwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
De vriend van Lyra, Roger, verdwijnt.
bijwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
De vriend van Lyra, Roger, verdwijnt.
bepaald lidwoord
voegwoord
voorzetsel
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
De vriend van Lyra, Roger, verdwijnt.
tussenwerpsel
persoonlijk voornaamwoord
zelfstandig naamwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
Hun zoektocht leidt hen naar de bleke schoonheid van het Noorden.
bezittelijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
Hun zoektocht leidt hen naar de bleke schoonheid van het Noorden.
bijwoord
tussenwerpsel
bijvoeglijk naamwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
Hun zoektocht leidt hen naar de bleke schoonheid van het Noorden.
voorzetsel
onbepaald lidwoord
bepaald lidwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
Wauw, dit boek is zo spannend!
voorzetsel
aanspreking
tussenwerpsel
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
Wauw, dit boek is zo spannend!
persoonlijk voornaamwoord
betrekkelijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
Wauw, dit boek is zo spannend!
voorzetsel
bijwoord
bijvoeglijk naamwoord
Joris draait de bal sierlijk in de hoek.
bijwoord
bijvoeglijk naamwoord
Zet de persoonsvorm van deze zin in de onvoltooid verleden tijd.
Ik meld de diefstal bij de politie.
(a)
Zet de persoonsvorm van deze zin in de onvoltooid verleden tijd.
Een kaartje voor de dierentuin kost 12 euro.
(a)
Zet de persoonsvorm van deze zin in de onvoltooid verleden tijd.
De meester luidt de bel na de pauze.
(a)
Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.
De twee vrouwen (organiseren) een barbecue in de tuin.
(a)
Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.
Hij (genezen) snel.
(a)
Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.
Ik (treffen) hem zo aan.
(a)
Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.
Wij (bedriegen) haar.
(a)
Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.
Mike (raden) gisteren het aantal dropjes in de pot.
(a)
Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.
Ik (vullen) gisteren de vaas met bloemen.
(a)
Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.
Jij (beloven) gisteren dat je een tekening voor opa zou maken.
(a)
Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
Ik (vermoeden) dat je niet graag zwemt.
(a)
Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
Ik (vinden) sushi erg lekker.
(a)
Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
Tomas (besteden) weinig tijd aan zijn schoolwerk.
(a)
Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
(Branden) die kaars de hele dag?
(a)
Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
Tim (vieren) zijn verjaardag vandaag.
(a)
Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
's Nachts (treden) het spookdier in actie.
(a)
Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
Hij (houden) van speelfilms.
(a)
Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
(Rijden) jij morgen met mij mee?
(a)
Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
(Worden) je ook gek van dat werkje?
(a)
Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
Waarom (antwoorden) je oma niet op dat bericht?
(a)
Wat is de functie van het onderstreepte zinsdeel?
Hij heeft de bloemen vers water gegeven.
LV
MV
NWD
O
Wat is de functie van het onderstreepte zinsdeel?
Ik heb een cadeautje aan Peter gegeven.
BWB
O
LV
MV
Wat is de functie van het onderstreepte zinsdeel?
Hij is morgen jarig.
MV
NWD
O
LV
Wat is de functie van het onderstreepte zinsdeel?
Deze som heb ik de kinderen wel 1000x uitgelegd!
NWD
O
LV
MV
Wat is de functie van het onderstreepte zinsdeel?
Hij heeft de jongen een nieuwe job aangeboden.
BWB
O
LV
MV
Wat is de functie van het onderstreepte zinsdeel?
Ik heb haar niet uitgenodigd.
O
LV
MV
NWD
Wat is de functie van het onderstreepte zinsdeel?
De enorme regenbuien zetten ons terras onder water.
MV
BWB
O
LV
Wat is het onderwerp in onderstaande zin?
Dit wist je vast niet!
dit
je
wist
niet
Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?
Bij de afdaling van een berg ontdekten toeristen een gletsjerlijk.
toeristen
bij de afdaling
bij de afdaling van een berg
een gletsjerlijk
Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?
Ik vertel mijn ouders elke dag een leugen.
een leugen
elke dag
mijn ouders
ik
Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?
Anne is een lieve dame.
Anne
Een lieve dame
Geen LV mogelijk
Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?
Fleur verklapt een geheimpje aan haar beste vriendin.
een geheimpje
niet mogelijk
Fleur
aan haar beste vriendin
Wat is het meewerkend voorwerp in onderstaande zin?
Aan de buitenlandse meisjes geeft de coach een extra training.
de coach
een extra training
geeft
aan de buitenlandse meisjes
Wat is het lijdend voorwerp?
Jongens in de puberteit zoeken uitdagingen.
Jongens
in de puberteit
uitdagingen
zoeken
Wat is het meewerkend voorwerp?
De leerkrachten leren jullie nieuwe dingen aan.
nieuwe dingen
leren aan
geen mogelijk
jullie
Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?
Plotseling hoorden we een hoge pieptoon.
plotseling
hoorden
pieptoon
een hoge pieptoon
Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?
Jens kreeg veel cadeautjes voor zijn verjaardag.
Jens
voor zijn verjaardag
cadeautjes
veel cadeautjes
Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?
Mijn oma vindt het schilderij van Jeroen Bosch heel mooi.
het schilderij
mijn oma
het schilderij van Jeroen Bosch
heel mooi
Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?
De politie nam de insluiper mee naar het bureau.
De politie
de insluiper
het bureau
naar het bureau
Zoek het onderwerp.
Niemand was bij de intocht van Sinterklaas onder de indruk van de rode Pieten.
de intocht van Sinterklaas
de rode Pieten
de indruk
niemand
Zoek het onderwerp:
Zijn complete platenverzameling heeft mijn opa aan zijn liefste kleinkind gegeven.
platenverzameling
zijn complete platenverzameling
mijn opa
zijn liefste kleinkind
Zoek het meewerkend voorwerp:
Marion heeft de straatmuzikant haar laatste wisselgeld gegeven.
Marion
de straatmuzikant
haar wisselgeld
haar laatste wisselgeld
Wat is het onderwerp?
Wie dit ziet, wordt bang.
Wie
bang
wie dit ziet
wie dit
Wat is het lijdend voorwerp?
Columbus ontdekte Amerika in 1492.
Columbus
Amerika
in 1492
Wat is het onderwerp in deze zin?
Welke resultaten kloppen echt?
Welke
resultaten
welke resultaten
kloppen
Noteer de bezitsvorm:
de jas van Mila = ... jas
(a)
Noteer de bezitsvorm:
de pen van Max = ... pen
(a)
Noteer de bezitsvorm:
de bank van Viktor = ... bank
(a)
Noteer de bezitsvorm:
de knuffel van Lowie = ... knuffels
(a)
Noteer het meervoud:
baby
(a)
Noteer het meervoud:
smiley
(a)
Noteer het meervoud:
café
(a)
Noteer het meervoud:
cadeau
(a)
Noteer het meervoud:
taxi
(a)
Noteer de afkorting:
dat wil zeggen
(a)
Noteer de afkorting:
namelijk
(a)
Noteer de afkorting:
Europese Unie
(a)
Noteer de afkorting:
plastieken flessen, metalen verpakkingen en drankkartons
(a)
Noteer de afkorting:
voornamelijk
(a)
Noteer de afkorting:
circa
(a)
Noteer de afkorting:
onder andere
(a)
Noteer de afkorting:
liter
(a)
Noteer de afkorting:
eventueel
(a)
Noteer de afkorting:
bijvoorbeeld
(a)
Noteer de afkorting:
uur
(a)
