Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bijvoegelijk naamwoord

Total questions: 34

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Noteer het juiste bijvoeglijke naamwoord.

Koppel met Down-syndroom viert 25 jaar huwelijk met een (groot / grote) feest.

(a)  

2.

Noteer het juiste bijvoeglijke naamwoord.

Het was geen (gemakkelijk/gemakkelijke) beslissing, 25 jaar geleden, toen Kris en Paul in het huwelijk traden.

(a)  

3.

Noteer het juiste bijvoeglijke naamwoord.

Beiden zijn geboren met het syndroom van Down en niet iedereen zag een (mooi/mooie) toekomst.

(a)  

4.

Noteer het juiste bijvoeglijke naamwoord.

Onlangs vierden ze hun huwelijksverjaardag met een (echt/echte) feest.

(a)  

5.

Noteer het juiste bijvoeglijke naamwoord.

Iedereen vindt Kris en Paul (prachtig/prachtige) koppel.

(a)  

6.

Noteer het juiste bijvoeglijke naamwoord.

Het werd een (onvergetelijk/onvergetelijke) avond.

(a)  

7.

Noteer het juiste bijvoeglijke naamwoord.

De openingsdans was een (prachtig/prachtige) moment.

(a)  

8.

Noteer het juiste bijvoeglijke naamwoord.

"Ze voelen (totaal/totale) liefde voor elkaar", aldus Susan, de zus van Kris.

(a)  

9.

Noteer het juiste bijvoeglijke naamwoord.

Zij zijn het bewijs dat mensen met een beperking ook tot een (geslaagd/geslaagde) huwelijk kunnen komen.

(a)  

10.

Lees de zin. Bekijk de woorden die je krijgt en duid de zelfstandige naamwoorden aan.

Gisteren heeft moeder bij Mediamarkt een nieuwe televisie voor vader moeten kopen.

a)

moeder

b)

Mediamarkt

c)

nieuwe

d)

voor

e)

moeten

11.

Lees de zin. Bekijk de woorden die je krijgt en duid de bijvoeglijke naamwoorden aan.

Gisteren heeft moeder bij Mediamarkt een nieuwe televisie voor vader moeten kopen.

a)

moeder

b)

Mediamarkt

c)

nieuwe

d)

voor

e)

moeten

12.

Lees de zin. Bekijk de woorden die je krijgt en duid de zelfstandige naamwoorden aan.

Ze wilden een barbecue kopen voor de jarige collega.

a)

ze

b)

wilden

c)

een

d)

barbecue

e)

jarige

13.

Lees de zin. Bekijk de woorden die je krijgt en duid de bijvoeglijke naamwoorden aan.

Ze wilden een barbecue kopen voor de jarige collega.

a)

ze

b)

wilden

c)

een

d)

barbecue

e)

jarige

14.

Lees de zin. Bekijk de woorden die je krijgt en duid de zelfstandige naamwoorden aan.

De wilde paddenstoelen in het bos waren buitengewoon giftig.

a)

wilde

b)

paddenstoelen

c)

bos

d)

buitengewoon

e)

giftig

15.

Lees de zin. Bekijk de woorden die je krijgt en duid de bijvoeglijke naamwoorden aan.

De wilde paddenstoelen in het bos waren buitengewoon giftig.

a)

wilde

b)

paddenstoelen

c)

bos

d)

buitengewoon

e)

giftig

16.

Lees de zin. Bekijk de woorden die je krijgt en duid de zelfstandige naamwoorden aan.

Heeft Roos dat moeilijke examen voor Nederlands nooit in het schooljaar gehaald?

a)

Roos

b)

moeilijke

c)

examen

d)

Nederlands

e)

gehaald

17.

Lees de zin. Bekijk de woorden die je krijgt en duid de bijvoeglijke naamwoorden aan.

Heeft Roos dat moeilijke examen voor Nederlands nooit in het schooljaar gehaald?

a)

Roos

b)

moeilijke

c)

examen

d)

Nederlands

e)

gehaald

18.

Lees de zin. Bekijk de woorden die je krijgt en duid de zelfstandige naamwoorden aan.

De gouden ring bleek erg kostbaar te zijn.

a)

gouden

b)

ring

c)

bleek

d)

erg

e)

kostbaar

19.

Lees de zin. Bekijk de woorden die je krijgt en duid de bijvoeglijke naamwoorden aan.

De gouden ring bleek erg kostbaar te zijn.

a)

gouden

b)

ring

c)

bleek

d)

erg

e)

kostbaar

20.

Noteer het juiste bijvoeglijke naamwoord.

30 jaar geleden ontmoetten Kris en Paul elkaar en het was liefde op het eerste gezicht. "Ik keek in Pauls (blauw/blauwe) ogen en ik zag mijn toekomst", zo zei Kris het vaak.

(a)  

21.

Benoem het aangeduide woord.

Die beroemde persoon zal onze school bezoeken.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

geen van deze opties

22.

Benoem het aangeduide woord.

Wij gingen gisteren naar de cinema.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

geen van deze opties

23.

Benoem het aangeduide woord.

Die smaak van chips vind ik niet zo lekker.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

geen van deze opties

24.

Benoem het aangeduide woord.

Die verschrikkelijke kinderen verpesten mijn dag.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

geen van deze opties

25.

Benoem het aangeduide woord.

Hij schreef die e-mail naar zijn leerkracht.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

geen van deze opties

26.

Benoem het aangeduide woord.

Hier zie je mijn nieuwste kunstwerk.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

geen van deze opties

27.

Benoem het aangeduide woord.

Je kan het vragen aan de directeur.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

geen van deze opties

28.

Benoem het aangeduide woord.

Ze gaf het cadeautje aan Simon.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

geen van deze opties

29.

Benoem het aangeduide woord.

Dit is de trap naar het lokaal.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

geen van deze opties

30.

Benoem het zelfstandig naamwoord.

In Spanje eten de mensen later dan wij gewoon zijn.

a)

eigennaam

b)

soortnaam

31.

Vul de zin aan met een bijvoeglijk naamwoord.

We kijken naar de ... gebouwen.

4 lines
32.

Vul de zin aan met een zelfstandig naamwoord.

Hij zoekt naar zijn ...

4 lines
33.

Vul de zin aan met een werkwoord.

Mijn beste vriend kan niet goed ...

4 lines
34.

De rode auto rijdt snel.

Welke woordsoort?

a)

een werkwoord

b)

een zelfstandig naamwoord

c)

een lidwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord