wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Spelling en grammatica h2

Total questions: 66

Worksheet time: 34mins

Name
Class
Date
1.

Wat voor soort woord is het onderstreepte woord? Voor de verjaardag van mijn moeder koop ik een lekker luchtje.

a)

Voorzetsel

b)

Bijvoeglijk naamwoord

c)

Persoonlijk voornaamwoord

d)

Zelfstandig naamwoord

2.

Wat voor soort woord is het onderstreepte woord? Soraya wilde haar nieuwe kleding het liefst meteen aan.

a)

Lidwoord

b)

Bijvoeglijk naamwoord

c)

Persoonlijk voornaamwoord

d)

Zelfstandig naamwoord

3.

Wat voor soort woord is het onderstreepte woord? Al jaren voetbalt Hakim op het middenveld.

a)

Lidwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Persoonlijk voornaamwoord

d)

Werkwoord

4.

Wat voor soort woord is het onderstreepte woord? Dat is haar tweede tosti al vandaag!

a)

Lidwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Persoonlijk voornaamwoord

d)

Telwoord

5.

Wat zijn de werkwoorden uit de volgende zin? Mijn moeder heeft zijn haar geprobeerd te knippen.

a)

mijn

b)

heeft

c)

zijn

d)

geprobeerd

e)

knippen

6.

Benoem de persoonsvorm uit de onderstaande zin:

Is de dader van die overval al opgepakt?

a)

opgepakt

b)

de dader

c)

is

7.

Benoem het gezegde uit de onderstaande zin:

Voor verschillende websites moet je niet hetzelfde wachtwoord gebruiken

a)

moet

b)

gebruiken

c)

moet gebruiken

d)

moet wachtwoord gebruiken

8.

Benoem het gezegde uit de onderstaande zin:

Vorige week besloot Mai om een nieuwe laptop aan te schaffen.

a)

besloot

b)

aan te schaffen

c)

besloot een nieuwe laptop aan te schaffen

d)

besloot aan te schaffen

9.

Benoem het onderwerp uit de onderstaande zin:

De menukaart van dat restaurant verandert elk seizoen

a)

De menukaart

b)

De menukaart van dat restaurant

c)

verandert

d)

elk seizoen

10.

Benoem het onderwerp uit de onderstaande zin:

Meestal ontwerpt een grafisch vormgever de huisstijl van bedrijven.

a)

Meestal

b)

de huisstijl van bedrijven

c)

een grafisch vormgever

d)

ontwerpt

11.

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

a)

Dat zegt iets over een ander woord.

b)

Dat zegt iets over een werkwoord.

c)

Dat zegt iets over de staat van de zin.

d)

Dat zegt iets over een zelfstandig naamwoord.

12.

Waar is een bijvoeglijk naamwoord vetgedrukt?

a)

Die lieve hond poepte op straat.

b)

Die lieve hond poepte op straat.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

13.

In welke zin is het zelfstandig naamwoord vetgedrukt?

a)

Die lieve hond poepte op straat.

b)

Die lieve hond poepte op straat.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

14.

In welke zin is het zelfstandig werkwoord vetgedrukt?

a)

Die lieve hond poepte op straat.

b)

Die lieve hond poepte op straat.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

15.

Waar is een voorzetsel vetgedrukt?

a)

Die lieve hond poepte op straat.

b)

Die lieve hond poepte op straat.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

16.

Waar is het bezittelijk voornaamwoord vetgedrukt?

a)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

b)

nergens

c)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

d)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

17.

Waar is een onbepaald rangtelwoord vetgedrukt?

a)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

b)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

c)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

d)

nergens

18.

Waar is een onbepaald hoofdtelwoord vetgedrukt?

a)

nergens

b)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

c)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

d)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

19.

In welke zin is een koppelwerkwoord vetgedrukt?

a)

Hij heeft zich in lange tijd niet zo enorm geschaamd.

b)

Hij heeft zich in lange tijd niet zo geschaamd.

c)

Omdat ze zo blij was, danste ze van plezier.

d)

Omdat ze zo blij was, danste ze van plezier.

20.

Waar is een persoonlijk voornaamwoord vetgedrukt?

a)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

b)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

c)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

d)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

21.

Waar is een bijwoord vetgedrukt?

a)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

b)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

c)

nergens

d)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

22.

Welke woord is juist gespeld?

a)

Zuid Spanje

b)

Zuid-Spanje

c)

ZuidSpanje

23.

Welk woord is juist gespeld?

a)

havo diploma

b)

havo-diploma

c)

havodiploma

24.

Noteer aan elkaar en plaats zo nodig een koppelteken:


studie + uren

(a)  

25.

Noteer aan elkaar en plaats zo nodig een koppelteken:


hockey + elftal

(a)  

26.

Noteer aan elkaar en plaats zo nodig een koppelteken:


oud + leraar

(a)  

27.

Noteer aan elkaar en plaats zo nodig een koppelteken:


€ + teken

(a)  

28.

Noteer aan elkaar en plaats zo nodig een koppelteken:


pro + actief

(a)  

29.

Welke woorden zijn juist gespeld?

a)

bouw- en onderhoudswerkzaamheden

b)

korte- en lange broeken

c)

-jassen en wintertruien

d)

leer- en werkboek

e)

volle- en halve maan

30.

Welk woord is juist gespeld?

a)

vip room

b)

vip-room

c)

viproom

31.

Welke woorden zijn juist gespeld?

a)

oude- en nieuwe gewoonten

b)

hart- en vaatziekten

c)

zoete- en zoute drop

d)

rund- en varkensvlees

e)

-broeken en meisjesschoenen

32.

Noteer aan elkaar en plaats zo nodig een koppelteken:


weggooi + artikel

(a)  

33.

Noteer aan elkaar en plaats zo nodig een koppelteken:


KLM + vlucht

(a)  

34.

Noteer aan elkaar en plaats zo nodig een koppelteken:


chef + kok

(a)  

35.

Noteer aan elkaar en plaats zo nodig een koppelteken:


ex + militair

(a)  

36.

Noteer aan elkaar en plaats zo nodig een koppelteken:


# + teken

(a)  

37.

Schrijf korter door een weglatingsstreepje te gebruiken: zondagen en feestdagen (let ook op de spaties)

(a)  

38.

Wat is goed gespeld?

a)

camera instelling

b)

camera-instelling

c)

camerainstelling

d)

cameraïnstelling

39.

Wat is goed gespeld?

a)

groentensaus

b)

groente saus

c)

groentensaus

d)

groentesaus

40.

Op een romantische avond loop je in de:

a)

manenschijn

b)

maanschijn

c)

maneschijn

d)

manen schijn

41.

Maak een correcte samenstelling: clown + schoen

(a)  

42.

Wanneer schrijf je bij een samenstelling een tussen-n?

a)

Als je een tussen-n hoort.

b)

Als het eerste deel van het woord een meervoud op -n heeft.

c)

Als het eerste deel van het woord een znw is + uitsluitend een meervoud op -n heeft.

43.

Je schrijft géén tussen-n als ...

a)

het eerste deel van het woord enig is in zijn soort.

b)

het eerste deel van het woord het tweede deel versterkt en ze samen een bnw vormen.

c)

een van beide delen niet meer herkenbaar is in zijn oorspronkelijke betekenis.

44.

Wanneer schrijf je bij een samenstelling een tussen-s?

a)

Als je een tussen-s hoort.

b)

Als het eerste deel van het woord een meervoud op -s heeft.

c)

Als het eerste deel van het woord een znw is + uitsluitend een meervoud op -s heeft.

45.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Ziektekiem

b)

Ziekteskiem

c)

Ziektenkiem

46.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Station chef

b)

Stationchef

c)

Stationschef

d)

Stations chef

47.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Bananesplit

b)

Bananensplit

c)

Bananen split

48.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Koninginne dag

b)

Koninginnendag

c)

Koninginnedag

49.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Schattebout

b)

Schattenbout

c)

Schatten bout

50.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Bolle boos

b)

Bolleboos

c)

Bollenboos

51.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Liefdescène

b)

Liefdesscène

c)

Liefdenscène

52.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Spellingstoets

b)

Spellingtoets

c)

Spelling toets

53.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Secretaressedag

b)

Secretaressendag

c)

Secretaressesdag

54.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Pannenkoekenpan

b)

Pannekoekenpan

c)

Pannekoeken pan

d)

Pannenkoeken pan

55.

Welke samenstelling is juist geschreven

a)

Hordesloper

b)

Hordenloper

c)

Hordeloper

56.

Welke samenstelling is juist geschreven

a)

Spinnewiel

b)

Spinnenwiel

c)

Spinnen wiel

57.

Welk telwoord is het onderstreepte woord?

Weinig mensen weten dat wij graag spelletjes spelen.

a)

Bepaald hoofdtelwoord

b)

Onbepaald hoofdtelwoord

c)

Bepaald rangtelwoord

d)

Onbepaald rangtelwoord

58.

Bepaal welk telwoord het onderstreepte woord is.

De eerste week van de grote vakantie heb ik altijd een dipje.

a)

Bepaald hoofdtelwoord

b)

Onbepaald hoofdtelwoord

c)

Bepaald rangtelwoord

d)

Onbepaald rangtelwoord

59.

Bepaal welk telwoord het onderstreepte woord is.

Als laatste puntje wil ik aanhalen dat dit schooljaar bijna over is.

a)

Bepaald hoofdtelwoord

b)

Onbepaald hoofdtelwoord

c)

Bepaald rangtelwoord

d)

Onbepaald rangtelwoord

60.

Bepaal welk telwoord het onderstreepte woord is.

Beide kinderen gaan naar dezelfde school.

a)

Bepaald hoofdtelwoord

b)

Onbepaald hoofdtelwoord

c)

Bepaald rangtelwoord

d)

Onbepaald rangtelwoord

61.

Bepaal welk telwoord het onderstreepte woord is.

Ik ben de eerste om toe te geven dat dit schooljaar niet eenvoudig was.

a)

Bepaald hoofdtelwoord

b)

Onbepaald hoofdtelwoord

c)

Bepaald rangtelwoord

d)

Onbepaald rangtelwoord

62.

Bepaal welk telwoord het onderstreepte woord is.

Ik weet het, ik heb dat al zeker twintig keer gezegd.

a)

Bepaald hoofdtelwoord

b)

Onbepaald hoofdtelwoord

c)

Bepaald rangtelwoord

d)

Onbepaald rangtelwoord

63.

Bepaal welk telwoord het onderstreepte woord is.

Dat is al de zoveelste keer dat we eigenlijk helemaal geen informatie krijgen.

a)

Bepaald hoofdtelwoord

b)

Onbepaald hoofdtelwoord

c)

Bepaald rangtelwoord

d)

Onbepaald rangtelwoord

64.

Bepaal welk telwoord het onderstreepte woord is.

Dat is het derde boek dat we dit jaar moeten lezen.

a)

Bepaald hoofdtelwoord

b)

Onbepaald hoofdtelwoord

c)

Bepaald rangtelwoord

d)

Onbepaald rangtelwoord

65.

Bepaal welk telwoord het onderstreepte woord is.

De leerkrachten Nederlands hebben geluk. Ze zijn met drie.

a)

Bepaald hoofdtelwoord

b)

Onbepaald hoofdtelwoord

c)

Bepaald rangtelwoord

d)

Onbepaald rangtelwoord

66.

Bepaal welk telwoord het onderstreepte woord is.

Dit was het dan. Ik hoop dat je veel hebt bijgeleerd.

a)

Bepaald hoofdtelwoord

b)

Onbepaald hoofdtelwoord

c)

Bepaald rangtelwoord

d)

Onbepaald rangtelwoord