WorksheetsNK Kapitel 10 woordjes N-D en D-N
Total questions: 51
Worksheet time: 51mins
de camping
(a)
de caravan
(a)
het strand
(a)
de trein
(a)
het vakantieappartement
(a)
de auto
(a)
het hotel
(a)
het kamp
(a)
het museum
(a)
de tent
(a)
het vakantiehuis
(a)
het vakantiehuis
(a)
de zee
(a)
het zwembad
(a)
de vakantie
(a)
de zomervakantie
(a)
Denemarken
(a)
Frankrijk
(a)
Italië
(a)
Spanje
(a)
afspreken
(a)
het meer
(a)
gaan, rijden
(a)
kamperen
(a)
op vakantie gaan
(a)
overnachten
(a)
daarna
(a)
eerst
(a)
goede reis!
(a)
iedere dag
(a)
later
(a)
naar
(a)
veel plezier!
(a)
kunnen
(a)
moeten (noodzaak)
(a)
moeten (wil van een ander)
(a)
leuk vinden, lusten
(a)
mogen
(a)
weten
(a)
willen
(a)
zou graag willen
(a)
Vertaal naar het Nederlands: anrufen
(a)
Vertaal naar het Nederlands: in der Nähe von
(a)
Vertaal naar het Nederlands: anstrengend
(a)
Vertaal naar het Nederlands: aufregend
(a)
Vertaal naar het Nederlands: empfehlen
(a)
Vertaal naar het Nederlands: seit
(a)
Vertaal naar het Nederlands: ausleihen
(a)
Vertaal naar het Nederlands: als
(a)
Vertaal naar het Nederlands: der See
(a)
Vertaal naar het Nederlands: der Schmetterling
(a)
