wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4H M4 Heden verleden en toekomst

Total questions: 50

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

De AOW in Nederland voorziet voor iedereen die de pensioengerechtigde leeftijd bereikt van een basispensioen.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

2.

Het aanvullend pensioen is geregeld volgens het omslagstelsel.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

3.

De hoofddoelstelling van de ECB is om de stand van de rente te reguleren.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

4.

In welk jaar of welke jaren was er in de periode van 1965 tot 2015 volgens de grafiek sprake van deflatie in Nederland?

a)

In geen enkel jaar

b)

In de periodes waarin de grafiek een dalend verloop laat zien

c)

In 1986

d)

Dit kan op basis van deze grafiek niet achterhaald worden

5.

Vergroting van de maatschappelijke geldhoeveelheid (M) kan leiden tot

a)

overbesteding en daardoor tot inflatie

b)

onderbesteding en daardoor tot inflatie

c)

overbesteding en daardoor tot deflatie

d)

onderbesteding en daardoor tot deflatie

6.

Het CPI op basis van de gegevens in de afbeelding is

a)

101

b)

102

c)

103

d)

104

e)

105

7.

Welke uitspraak in relatie tot de grafiek is juist?

a)

Er is een duidelijke relatie tussen arbeidsproductiviteit en looninkomen

b)

De arbeidsproductiviteit daalt abrupt op het moment van pensionering

c)

De verdiencapaciteit stijgt door vermogenstoename

d)

Leerplicht heeft geen invloed op de arbeidsproductiviteit

8.

Welke uitspraak is onjuist?

a)

Het permanent consumptieniveau is van invloed op de vermogensontwikkeling van de consument

b)

De afbeelding laat voorbeelden zien van intertemporele substitutie

c)

Het permanent consumptieniveau ontwikkelt zich in de tijd op dezelfde wijze als het financieel vermogen

d)

De studieschuld draagt bij aan een hogere verdiencapaciteit

9.

Wat is de beste stelling met betrekking tot patenten?

a)

Patenten kunnen leiden tot toename van de welvaart

b)

Patenten kunnen leiden tot monopolie posities van bedrijven

c)

De beide andere stellingen zijn allebei juist

10.

Onderzoek en ontwikkeling kan leiden tot zowel procesinnovaties als productinnovaties

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

11.

Collectieve goederen zijn

a)

Rivaliserend en uitsluitbaar

b)

Niet rivaliserend en niet uitsluitbaar

c)

Net zo makkelijk door bedrijven als door de overheid te produceren

d)

Bijvoorbeeld kabel-TV of tolwegen

12.

De Nederlandse overheid kan voor incidentele uitgaven geld lenen bij (er zijn meerdere antwoorden mogelijk)

a)

burgers

b)

banken

c)

pensioenfondsen

13.

Wat kan de grootste negatieve invloed hebben op een pensioensysteem volgens het kapitaaldekkingsstelsel?

a)

Vergrijzing en ontgroening

b)

Hoge inflatie

c)

Verhoging van de AOW leeftijd

d)

Gunstige beleggingsresultaten

14.

Wat kan de grootste negatieve invloed hebben op een pensioensysteem volgens het omslagstelsel?

a)

Vergrijzing en ontgroening

b)

Hoge inflatie

c)

Verhoging van de AOW leeftijd

d)

Gunstige beleggingsresultaten

15.

Welke stelling met betrekking tot de Rijksbegroting is onjuist?

a)

Een volledige begrotingsronde duurt ongeveer 2,5 jaar

b)

De Miljoenennota is een toelichting op de Rijksbegroting

c)

Een begrotingstekort leidt tot daling van de staatsschuld

d)

Het stabiliteit- en groeipact voorziet in regels met betrekking tot de toegestane omvang en toename van de EMU-schuld

16.

Welke hoort niet thuis in het rijtje productiefactoren?

a)

Kapitaal

b)

Arbeid

c)

Geld

d)

Natuur

e)

Ondernemerschap

17.

De rente waartegen banken geld lenen bij de centrale bank heet ook wel de...

a)

Depositorente

b)

Reporente

c)

Algemene prijs van tijd

d)

Individuele prijs van tijd

18.

Wat is GEEN voorbeeld van ruilen over de tijd?

a)

Het aangaan van een hypothecaire lening

b)

Het sparen voor een vakantie

c)

Het kopen van een nieuwe laptop

d)

Studiefinanciering aannemen om een studie te bekostigen

19.

Wat is ook alweer de juiste formule om het reëel rendement uit te rekenen?

a)

NIC = RIC/PIC X 100

b)

NIC = PIC/RIC x 100

c)

RIC = NIC/PIC x 100

d)

RIC = PIC/NIC x 100

20.

Wat is NIET waar over het CPI?

a)

Het CPI meet de inflatie a.d.h.v. indexcijfers

b)

Het CBS meet het CPI

c)

Het CPI maakt gebruik van wegingsfactoren, het zogenaamde goederenmandje

d)

Het CPI is net als inflatie voor iedere Nederlander hetzelfde

21.

Wat is waar over deflatie?

a)

Bij deflatie kun je minder kopen met hetzelfde geld

b)

Bij deflatie worden producten in de winkel duurder

c)

Deflatie is eigenlijk inflatie maar dan negatief

d)

Deflatie komt niet voor in de praktijk, alleen in theorie

22.

Iemand die risico-avers is...

a)

Heeft een hoge prijs van tijd

b)

Heeft een lage prijs van tijd

c)

Is snel van plan om te sparen

d)

Is iemand die nooit risico's neemt

23.

Wat is waar over inflatie?

a)

Inflatie zorgt ervoor dat er meer gekocht kan worden met een munt

b)

Door inflatie daalt de reële waarde van geld

c)

Door inflatie stijgt de reële waarde van geld

d)

Loonsverhogingen hebben geen invloed op de inflatie

24.

Wat is nog meer waar over het CPI?

a)

CPI = NIC

b)

CPI = RIC

c)

CPI = PIC

25.

Wat is NIET waar over de leerplicht?

a)

De leerplicht zorgt voor een hogere arbeidsproductiviteit

b)

De leerplicht zorgt voor een hogere economische groei

c)

De leerplicht zorgt voor een hogere inflatie.

26.

Waar staat CAO voor?

a)

Collectieve armen organisatie

b)

Collectieve arbeiders organisatie

c)

Collectieve arbeids overeenkomst

d)

Collectieve aanhouders overeenkomst

27.

Wat is waar over het permanent consumptieniveau?

a)

Dit is gelijk aan het startsalaris

b)

Dit is gelijk aan het maximumsalaris

c)

Dit is niet stabiel en afhankelijk van het huidige salaris

d)

Dit is gelijk aan het gemiddelde salaris

28.

Wat is een goed argument voor demotie?

a)

Om de belastingdruk te verlagen

b)

Om jongeren de kans te geven carriere te maken

c)

Om ouderen de kans te geven eerder met pensioen te gaan

d)

Om de winstgevenheid van bedrijven te verhogen

29.

Wat is geen manier om geld te verdienen aan aandelen?

a)

Obligatieuitkering

b)

Koersverandering

c)

Dividend

30.

Op welke manier van de ECB de inflatie inperken?

a)

Het verlagen van de algemene rente

b)

Het verhogen van de algemene rente

c)

Het vergroten van de maatschappelijke geldhoeveelheid

d)

Het bijdrukken van geld

31.

Wat is de betekenis van ontsparen?

a)

Geld lenen

b)

Geld uitgeven

c)

Je spaargeld gebruiken

d)

Met pensioen gaan

32.

Wanneer is er sprake van koopkrachtdaling?

a)

Wanneer de loonstijging hoger is dan de inflatie

b)

Wanneer de loonstijging lager is dan de inflatie

c)

Wanneer de loonstijging hoger is dan de deflatie

d)

Wanneer er geen loonsverhoging is

33.

Indy leent geld om pokemonkaarten te kopen. Hij denkt dat dit is een goede investering is voor later. Dit is een voorbeeld van (twee antwoorden goed)

a)

Ruilen over de tijd

b)

Risico-aversie

c)

Hoge prijs van tijd

d)

Lage prijs van tijd

34.

Twee beweringen over de nominale en reële omvang van de staatsschuld.

I. Bij een financieringsoverschot neemt de nominale waarde van de staatsschuld af.

II. Door inflatie neemt de reële waarde van de staatsschuld toe.

Welk bewering(en) is/zijn juist?

a)

Beide beweringen zijn juist.

b)

Bewering I is juist, bewering II is onjuist.

c)

Bewering II is juist, bewering I is onjuist.

d)

Beide beweringen zijn onjuist.

35.

In de krant staat: Werkloosheid opnieuw gestegen. Welke adviesinstelling heeft deze informatie geleverd?

a)

CBS

b)

CPB

c)

SER

36.

In de krant staat: "Er wordt volgend jaar een stijging van 3% in de werkloosheid voorzien". Welke adviesinstelling heeft dit nieuws geleverd?

a)

CPB

b)

CBS

c)

SER

37.

In het basisjaar 2019 is de omzet €320.000,-.

In 2020 Is de omzet €410.000,-.

Bereken het omzetindexcijfer van 2020.

a)

78,0

b)

90,0

c)

190,0

d)

128,1

e)

€30.000,-

38.

Het nominaal inkomen stijgt met 8%

Het prijspeil stijgt met 1,5%

Bereken de koopkrachtverandering.

a)

6,4%

b)

6,5%

c)

6,0%

d)

9,5%

39.

Jop gaat er in koopkracht 4,9% op vooruit. De prijzen waren gestegen met 1,3%. Met hoeveel procent is zijn loon gestegen?

a)

6,3%

b)

6,2%

c)

6,4%

d)

6%

40.

De formule voor het berekenen van de koopkracht is

a)

Reëel indexcijfer = (nominaal indexcijfer / prijsindexcijfer) x 100

b)

Reëel indexcijfer = (prijsindexcijfer / nominaal indexcijfer) x 100

c)

Nominaal indexcijfer = (reëel indexcijfer / prijsindexcijfer) x 100

d)

Nominaal indexcijfer = (prijsindexcijfer / reëel indexcijfer) x 100

e)

Nominaal indexcijfer = (prijsindexcijfer x reëel indexcijfer) / 100

41.

Het nominaal inkomen stijgt met 8%

Het prijspeil stijgt met 1,5%

Bereken de koopkrachtverandering.

a)

6,4%

b)

6,5%

c)

6,0%

d)

9,5%

42.

De formule om een indexcijfer uit te rekenen is

a)

waarde jaar / waarde basisjaar x 100

b)

NIC x PIC / 100

c)

waarde basisjaar/ waarde jaar x 100

d)

waarde basisjaar x waarde jaar / 100

43.

Piet heeft in 2020 een nieuwe I-pad gekocht voor €390. Vorig jaar (basisjaar) kostte deze I-pad €400.

Wat is het prijsindexcijfer voor 2020?

a)

2,5%

b)

97.5

c)

100

d)

102.6

e)

400

44.

De aflossing van een schuld is een stroomgrootheid.

a)

juist

b)

onjuist

45.

wie geld leent om een studie te betalen, doet aan ruilen over tijd.

a)

juist

b)

onjuist

46.

Mark Rutte verdient als minister -president ongeveer 168.000 euro per jaar.


Dit is een voorraadgrootheid.

a)

juist

b)

onjuist

47.

Jeff Bezos heeft een geschat vermogen van meer dan $100 miljard.


Dit is een voorraadgrootheid.

a)

Juist

b)

Onjuist

48.

Als je in Nederland meer dan €25.000 aan vermogen bezit moet je vermogensrendementsheffing betalen. Dit is een jaarlijkse belasting over het vermogen dat je aan het begin van het jaar had.


De vermogensrendementsheffing is een stroomgrootheid.

a)

Juist

b)

Onjuist

49.
Het effectief rendement op een obligatie is afhankelijk van de rentestand. Daarbij is het zo dat als de rente stijgt, het (a) aantrekkelijk wordt om te beleggen in obligaties waardoor de koers (b). 
a)
a = meer, b = stijgt
b)
a = minder, b = stijgt
c)
a = meer, b = daalt
d)
a = minder, b = daalt 
50.

Stel dat in land A de prijzen in 2019 4,2% hoger zijn dan in 2018. Het reëel nationaal inkomen van land A is in 2019 2,2 % hoger dan in 2018. Het nominaal nationaal inkomen in 2019 is ...

a)

6,4% hoger dan in 2018.

b)

2,0% hoger dan in 2018.

c)

1,9% hoger dan in 2018.

d)

2,0% lager dan in 2018.