wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling boekje taalverzorging 2 (2 basis)

Total questions: 50

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

Wat voor woordsoort is op?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

voorzetsel

2.

Wat voor woordsoort is verloskundige?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

3.

Wat voor woordsoort is lopen?

a)

zelfstandig naamwoord

b)

voorzetsel

c)

werkwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

4.

Wat voor woordsoort is naast?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

voorzetsel

5.

Wat voor woordsoort is mooie?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

voorzetsel

6.

Wat voor woordsoort is snoepje?

a)

zelfstandig naamwoord

b)

voorzetsel

c)

werkwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

7.

Wat voor woordsoort is kapotte?

a)

zelfstandig naamwoord

b)

voorzetsel

c)

werkwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

8.

Wat voor woordsoort is Rens?

a)

zelfstandig naamwoord

b)

voorzetsel

c)

werkwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

9.

Wat voor woordsoort is IJmuiden?

a)

zelfstandig naamwoord

b)

voorzetsel

c)

werkwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

10.

Het diertje loopt in zijn kooi.

Wat is het lidwoord?

(a)  

11.

Noteer het verkleinwoord van kat.

(a)  

12.

Noteer het verkleinwoord van raam.

(a)  

13.

Noteer het verkleinwoord van drank.

(a)  

14.

Noteer het verkleinwoord van ketting.

(a)  

15.

Noteer het verkleinwoord van café.

(a)  

16.

Noteer het verkleinwoord van tekening.

(a)  

17.

Noteer het verkleinwoord van tong.

(a)  

18.

Noteer het verkleinwoord van prinses.

(a)  

19.

Noteer het verkleinwoord van klas.

(a)  

20.

Noteer het verkleinwoord van menu.

(a)  

21.

Wat is de vergrotende trap van mooi?

(a)  

22.

Wat is de vergrotende trap van lekker?

(a)  

23.

Wat is de vergrotende trap van goed?

(a)  

24.

Wat is de overtreffende trap van aardig?

(a)  

25.

Wat is de overtreffende trap van weinig?

(a)  

26.

Wat is de overtreffende trap van graag?

(a)  

27.

Bij de stellende trap gebruik je ....

a)

als

b)

dan

28.

Ik heb een beter cijfer ... zij.

a)

als

b)

dan

29.

Ik ben net zo lief ... zij.

a)

als

b)

dan

30.

Meneer Freriks heeft even veel kleren ... zijn vrouw.

a)

als

b)

dan

31.

Elsa wil snoep kopen.

Wat is de persoonsvorm?

(a)  

32.

Elsa wil snoep kopen.

Wat is het onderwerp?

(a)  

33.

Meneer Jansen verkleedt zich in het pashokje.

Wat is de persoonsvorm?

(a)  

34.

Meneer Jansen verkleedt zich in het pashokje.

Wat is het onderwerp?

(a)  

35.

Alex en Soraya zitten in de klas.

Wat is de persoonsvorm?

(a)  

36.

Alex en Soraya zitten in de klas.

Wat is het onderwerp?

(a)  

37.

Wanneer heeft de gymleraar de ballen gepakt?

Wat is de persoonsvorm?

(a)  

38.

Wanneer heeft de gymleraar de ballen gepakt?

Wat is het onderwerp?

(a)  

39.

Ruud gaat een keer met de trein.

Wat is de persoonsvorm?

(a)  

40.

Ruud gaat een keer met de trein.

Wat is het onderwerp?

(a)  

41.

Is die tas van ...?

a)

jou

b)

jouw

42.

Wat is ... naam?

a)

jou

b)

jouw

43.

Ik ging eerst ... spullen inpakken.

a)

me

b)

mij

c)

mijn

44.

Ik zag ... gisteren.

a)

u

b)

uw

45.

Dennis zal ... om 7 uur ophalen.

a)

jou

b)

jouw

46.

Wil je dat even aan ... geven?

a)

mij

b)

mijn

47.

Is dit ... kat?

a)

u

b)

uw

48.

Ik ga met ... kat op vakantie.

a)

mij

b)

me

c)

mijn

49.

Oh! Daar ligt ... tas!

a)

mij

b)

me

c)

mijn

50.

Als ik een 10 krijg voor ak zijn ... ouders trots op me.

a)

me

b)

mij

c)

mijn