Font size
WorksheetsHerhaling boekje taalverzorging 2 (2 basis)
Total questions: 50
Worksheet time: 23mins
Wat voor woordsoort is op?
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
werkwoord
voorzetsel
Wat voor woordsoort is verloskundige?
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
Wat voor woordsoort is lopen?
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Wat voor woordsoort is naast?
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
werkwoord
voorzetsel
Wat voor woordsoort is mooie?
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
werkwoord
voorzetsel
Wat voor woordsoort is snoepje?
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Wat voor woordsoort is kapotte?
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Wat voor woordsoort is Rens?
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Wat voor woordsoort is IJmuiden?
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Het diertje loopt in zijn kooi.
Wat is het lidwoord?
(a)
Noteer het verkleinwoord van kat.
(a)
Noteer het verkleinwoord van raam.
(a)
Noteer het verkleinwoord van drank.
(a)
Noteer het verkleinwoord van ketting.
(a)
Noteer het verkleinwoord van café.
(a)
Noteer het verkleinwoord van tekening.
(a)
Noteer het verkleinwoord van tong.
(a)
Noteer het verkleinwoord van prinses.
(a)
Noteer het verkleinwoord van klas.
(a)
Noteer het verkleinwoord van menu.
(a)
Wat is de vergrotende trap van mooi?
(a)
Wat is de vergrotende trap van lekker?
(a)
Wat is de vergrotende trap van goed?
(a)
Wat is de overtreffende trap van aardig?
(a)
Wat is de overtreffende trap van weinig?
(a)
Wat is de overtreffende trap van graag?
(a)
Bij de stellende trap gebruik je ....
als
dan
Ik heb een beter cijfer ... zij.
als
dan
Ik ben net zo lief ... zij.
als
dan
Meneer Freriks heeft even veel kleren ... zijn vrouw.
als
dan
Elsa wil snoep kopen.
Wat is de persoonsvorm?
(a)
Elsa wil snoep kopen.
Wat is het onderwerp?
(a)
Meneer Jansen verkleedt zich in het pashokje.
Wat is de persoonsvorm?
(a)
Meneer Jansen verkleedt zich in het pashokje.
Wat is het onderwerp?
(a)
Alex en Soraya zitten in de klas.
Wat is de persoonsvorm?
(a)
Alex en Soraya zitten in de klas.
Wat is het onderwerp?
(a)
Wanneer heeft de gymleraar de ballen gepakt?
Wat is de persoonsvorm?
(a)
Wanneer heeft de gymleraar de ballen gepakt?
Wat is het onderwerp?
(a)
Ruud gaat een keer met de trein.
Wat is de persoonsvorm?
(a)
Ruud gaat een keer met de trein.
Wat is het onderwerp?
(a)
Is die tas van ...?
jou
jouw
Wat is ... naam?
jou
jouw
Ik ging eerst ... spullen inpakken.
me
mij
mijn
Ik zag ... gisteren.
u
uw
Dennis zal ... om 7 uur ophalen.
jou
jouw
Wil je dat even aan ... geven?
mij
mijn
Is dit ... kat?
u
uw
Ik ga met ... kat op vakantie.
mij
me
mijn
Oh! Daar ligt ... tas!
mij
me
mijn
Als ik een 10 krijg voor ak zijn ... ouders trots op me.
me
mij
mijn
