Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordsoorten, zinsdelen, pv tt

Total questions: 30

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Selecteer alle werkwoorden

a)

is

b)

mogen

c)

heeft

d)

kast

2.

Selecteer lidwoorden

a)

de

b)

het

c)

ben

d)

een

3.

Hoeveel zn staan er in de zin: "mijn vader viert morgen zijn verjaardag."

a)

Geen

b)

Eén

c)

Twee

d)

Drie

4.

Hoeveel bn staan er in de zin: "tijdens de lange vakantie heb ik een lekkere pizza op."

a)

Geen

b)

Eén

c)

Twee

d)

Drie

5.

Wat voor woordsoort is het groengedrukte woord? Schrijf voluit: "door de docent heeft de klas een goed cijfer gehaald op de toets."

(a)  

6.

Selecteer voorzetsels.

a)

tijdens

b)

maar

c)

van

d)

met

7.

Twee stellingen:

1. het onderwerp is altijd een persoon.

2. het onderwerp kan uit meer dan één woord bestaan.

a)

Beide stellingen zijn waar.

b)

Beide stellingen zijn niet waar.

c)

Stelling 1 is waar en stelling twee is niet waar.

d)

Stelling 1 is niet waar en stelling 2 is waar

8.

Leg uit waarom we nooit een lidwoord en een persoonsvorm in één zin kunnen benoemen.

4 lines
9.

Selecteer manieren om de pv te vinden.

a)

Tijdproef

b)

Omzetproef

c)

Keerproef

d)

Vraagproef

10.

Wat is het onderwerp: "Mijn moeder en ik gaan vanmiddag naar het tuincentrum."

a)

Mijn moeder

b)

ik

c)

vanmiddag

d)

Mijn moeder en ik

11.

Benoem pv: "wanneer gaan we op vakantie?".

a)

wanneer

b)

gaan

c)

we

d)

vakantie

12.

Hoeveel voorzetsels staan er in de zin: "Op vakantie hebben we op een berg naast een vallei geslapen"

a)

Eén

b)

Twee

c)

Drie

d)

Vier

13.

Welke hoort er niet bij?

a)

Werkwoord

b)

Voorzetsel

c)

Onderwerp

d)

Bijvoeglijk naamwoord

14.

Kies de juiste vorm: "Het huis ... (branden, t.t.) helemaal af, omdat het van hout is gemaakt."

a)

brandde

b)

brande

c)

brand

d)

brandt

15.

Kies de juiste vorm: "Mijn moeder ... (betalen, t.t.) bijna altijd mijn kleding."

a)

betaalde

b)

betaald

c)

betaaldt

d)

betaalt

16.

Kies de juiste vorm: "... (worden, t.t.) je vader morgen of overmorgen geopereerd?

a)

Word

b)

Werd

c)

Wordt

d)

Worden

17.

Kies de juiste vorm. "... (beantwoord, t.t.) u mailtjes altijd dezelfde dag, vroeg een leerling.

a)

Beantwoord

b)

Beantwoordt

c)

Beantwoorden

d)

Beantwoordde

18.

Kies de juiste vorm. "Mijn vader en moeder ... (sporten, t.t.) elke woensdag en vrijdag."

a)

sportten

b)

sporten

c)

sportte

d)

sporte

19.

Kies de juiste vorm. "Je ... (raden, t.t.) nooit wie ik gisteren tegen ben gekomen!"

a)

raad

b)

raat

c)

raadt

d)

raadde

20.

Maak een zin met twee werkwoorden.

4 lines
21.

In welke twee situaties gebruik je in de tegenwoordige tijd de ik-vorm van een werkwoord?

4 lines
22.

Kies de juiste vorm. "De docent ... (vergaderen, t.t.) iedere dinsdagmiddag."

a)

vergaderd

b)

vergaderdt

c)

vergadert

d)

vergaderde

23.

Benoem pv. "Wie is de beste voetballer van Nederland"?

a)

wie

b)

is

c)

de beste voetballer

d)

Nederland

24.

De persoonsvorm en het onderwerp zijn...

a)

woordsoorten

b)

zinsdelen

c)

vraagzinnen

d)

voorzetsels

25.

Bedenk een zin waarin je het woord "was" als zelfstandig naamwoord gebruikt.

4 lines
26.

Bedenk een zin waarin je het woord "was" als werkwoord gebruikt.

4 lines
27.

Kies de juiste vorm. "De instructeur ... (begeleiden, t.t.) leerlingen op een goede en rustige manier."

a)

begeleide

b)

begeleid

c)

begeleit

d)

begeleidt

28.

Kies de juiste vorm. "... (verraden, t.t.) jij ooit je vrienden?"

a)

verraadde

b)

verraadt

c)

verraat

d)

verraad

29.

Kies de juiste vorm. "Wij ... (fietsen, t.t.) elke dag samen naar school."

a)

fietsten

b)

fietsden

c)

fietsde

d)

fietsen

30.

Hoeveel voorzetsels zitten er in de zin: "Van mijn moeder mag ik niet op de bank springen."

a)

Geen

b)

Eén

c)

Twee

d)

Drie