Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4.2 Verstedelijking

Total questions: 19

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Centraal deel van de stad met veel voorzieningen.

(a)  

2.

Deel van de stad rondom de stadskern met veel woningen.

(a)  

3.

Het buitenste deel van de stad met veel nieuwbouwwijken, hoogbouw en industriegebieden.

(a)  

4.

Het gemiddeld aantal inwoners per vierkante kilometer.

(a)  

5.

Groei van stedelijke gebieden. Ook wel verstedelijking genoemd.

(a)  

6.

Trek van de stad naar omringende platteland.

(a)  

7.

Een ander woord voor verhuizen

(a)  

8.

Alles wat nodig is om het transport van mensen, goederen of informatie mogelijk te maken.

(a)  

9.

Redenen om ergens naartoe te verhuizen. Ook wel aantrekkingsfactoren.

(a)  

10.

Redenen om ergens weg te gaan. Ook wel afstotingsfactoren.

(a)  

11.

Welk woord hoort waar in het stadsmodel?

12.

Geef het vak aan waarbinnen de bevolkingsdichtheid het laagste is.

13.

Wat is de juiste formule voor het berekenen van bevolkingsdichtheid van een land?

a)

Je deelt de oppervlakte van het land door het aantal inwoners van het land.

b)

Je deelt de inwoners van een land door de oppervlakte van het land.

c)

Geen van beide antwoorden is juist.

14.

Stel, je woont in de stad Almere. Jouw ouders willen de rust en de natuur opzoeken en gaan migreren naar Zeewolde. Er is dan sprake van ​ (a)   .

Choose from the below words
suburbanisatie
urbanisatie
15.

Welk(e) van de onderstaande(n) zijn geen voorbeelden van infrastructuur

a)

Een treinstation

b)

Een viaduct

c)

Een meertje

d)

Een strand

16.

Match de onderstaanden.

a)
1.

Vervoer van goederen

b)
2.

Vervoer van informatie

c)
3.

Vervoer van personen

17.

Wat is het verschil tussen push- en pullfactoren?

a)

Pushfactoren zijn negatieve, terwijl pullfactoren positieve aspecten zijn

b)

Pushfactoren zijn positieve, terwijl pullfactoren negatieve aspecten zijn

c)

Pushfactoren zijn positieve, terwijl pullfactoren negatieve aspecten zijn

18.

Welk van de volgende is een voorbeeld van een pushfactor?

a)

Goede onderwijsmogelijkheden

b)

Een slechte regering

c)

Economische groei

19.

Welke van de volgende factoren kan als een pullfactor worden beschouwd?

a)

Gebrek aan werk

b)

Hoge criminaliteit

c)

Stabiele regering