wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Module 17 - Eigenschappen van vlakke figuren onderzoeken

Total questions: 53

Worksheet time: 2hrs 27mins

Name
Class
Date
1.

Een vierhoek is ...

a)

een vlakke figuur gevormd door vier hoeken en vier zijden.

b)

een figuur met vier hoeken.

c)

een vlakke figuur met drie hoeken en drie zijden.

d)

een ruimtefiguur met vier hoeken en vier zijden.

2.

Een trapezium is een ...

a)

ruimtefiguur met 2 paar evenwijdige zijden.

b)

vlakke figuur met 2 paar evenwijdige zijden.

c)

vlakke figuur met minstens 1 paar evenwijdige zijden.

d)

ruimtefiguur met minstens 1 paar evenwijdige zijden.

3.

Een gelijkbenig trapezium is

a)

een trapezium met 2 rechte hoeken.

b)

een trapezium met 2 even lange opstaande zijden.

c)

een figuur die niet bestaat.

d)

een parallellogram met rechte hoeken.

4.

Een rechthoekig trapezium is

a)

een trapezium met 2 rechte hoeken.

b)

een trapezium met 2 even lange opstaande zijden.

c)

een figuur die niet bestaat

d)

een rechthoek.

5.

Een parallellogram is

a)

een ruimtefiguur met 2 paar evenwijdige zijden.

b)

een vlakke figuur met 2 paar evenwijdige zijden.

c)

een vlakke figuur met minstens één paar evenwijdige zijden.

d)

een ruimtefiguur met 2 paar evenwijdige vlakken.

6.

In een parallellogram

a)

zijn de diagonalen even lang.

b)

delen de diagonalen elkaar middendoor.

c)

zijn de vier hoeken even groot.

d)

zijn de vier zijden even lang.

7.

In een parallellogram

a)

zijn de aanliggende hoeken even groot.

b)

zijn de overstaande hoeken even groot.

c)

zijn de vier hoeken even groot.

d)

is de som van de hoeken 180°

8.

Een rechthoek is

a)

een vlakke figuur met vier even lange zijden.

b)

een vlakke figuur met vier rechte hoeken.

c)

een vlakke figuur waarvan alle hoeken even groot zijn, namelijk 60°

d)

een vlakke figuur die wordt gevormd door drie hoeken en drie zijden.

9.

In een rechthoek

a)

zijn de vier zijden even lang.

b)

zijn de diagonalen even lang en staan ze loodrecht op elkaar.

c)

zijn de diagonalen even lang en delen ze elkaar middendoor.

d)

delen de diagonalen elkaar middendoor en staan loodrecht op elkaar.

10.

Een ruit is

a)

een vlakke figuur met vier rechte hoeken.

b)

een vierhoek met vier rechte hoeken.

c)

een vierhoek met vier even lange zijden.

d)

een vierhoek met vier even grote hoeken.

11.

In een ruit

a)

zijn de hoeken even groot.

b)

zijn de diagonalen even lang en delen elkaar middendoor.

c)

zijn de diagonalen even lang en staan ze loodrecht op elkaar.

d)

staan de diagonalen loodrecht op elkaar en delen ze elkaar middendoor.

12.

Een vierkant is

a)

een vierhoek met vier rechte hoeken en vier even lange zijden.

b)

een vierhoek met vier rechte hoeken.

c)

een vierhoek met vier even lange zijden.

d)

een driehoek met drie even lange zijden en even grote hoeken.

13.

Welke vierhoek herken je in de afbeelding? (zwarte, beige en witte vierhoeken)

a)

Vierkanten

b)

Parallellogrammen

c)

Ruiten

d)

Rechthoeken

14.

Welke vierhoeken herken je in de vlag van Brazilië?

a)

Ruit

b)

Rechthoek

c)

Trapezium

d)

Parallellogram

15.

Wat zijn de overstaande zijden in vierhoek ABCD?

a)

[AC] en [BD]

b)

[AB] en [CD], [BC] en [AD]

c)

[AB] en [AD], [BC] en [CD]

d)

[AC] en [CD], [BD] en [BC]

16.

Elke vierkant is ook een rechthoek.

a)

Waar

b)

Niet waar

17.

Elke ruit is ook een rechthoek.

a)

Waar

b)

Niet waar

18.

Elk vierkant is ook een trapezium.

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

Er bestaan rechthoekige parallellogrammen.

a)

waar

b)

niet waar

20.

Elke ruit is ook een

a)

vierkant

b)

rechthoek

c)

parallellogram

d)

cirkel

21.

4a) Hoek E is de tophoek van de gelijkbenige driehoek. Bereken de ontbrekende hoeken als we weten dat hoek D = 24°.

a)

Hoek E = 24° , Hoek F = 132°

b)

Hoek E = 42° , Hoek F = 24°

c)

Hoek E = 132° , Hoek F = 24°

22.

4b) Hoek E is de tophoek van de gelijkbenige driehoek. Bereken de ontbrekende hoeken als we weten dat hoek E = 146°.

a)

Hoek D = 17° , Hoek F = 17°

b)

Hoek D = 107° , Hoek F = 107°

c)

Hoek D = 10° , Hoek F = 24°

23.

4c) Hoek E is de tophoek van de gelijkbenige driehoek. Bereken de ontbrekende hoeken als we weten dat hoek F = 75°.

a)

Hoek D = 30° , Hoek E = 75°

b)

Hoek D = 75° , Hoek E = 30°

24.

4d) Hoek E is de tophoek van de gelijkbenige driehoek. Bereken de ontbrekende hoeken als we weten dat hoek D = 95°.

a)

Hoek E = 42,5° , Hoek F = 42,5°

b)

Dit is onmogelijk aangezien de som van de hoeken in een driehoek 180° is. De som van de basishoeken in deze driehoek zou al meer bedragen.

c)

Hoek E = 170° , Hoek F = 95°

25.

5b) Bereken de ontbrekende hoeken in de gelijkbenige ∆DEF met hoek F als tophoek en een basishoek van 90°.

a)

Dit is onmogelijk aangezien de som van de hoeken in een driehoek altijd 180° is.

b)

Hoek D = Hoek E = 90° , hoek F = 180°

c)

Hoek E = 70° , Hoek F = 20°

26.

5c) Bereken de ontbrekende hoeken in de gelijkzijdige ∆GHI.

a)

We kunnen dit niet bepalen.

b)

Hoek G = Hoek I = 45° , Hoek H = 90°

c)

Hoek G = Hoek H = Hoek I = 60°

27.

5d) De som van de hoeken J en L is 110° in de gelijkbenige ∆JKL met tophoek L. Bereken de ontbrekende hoeken.

Opmerking: Deze oefening kan je niet uit het hoofd, neem een extra blad of noteer in je werkboek!

a)

Hoek K = Hoek J = 70° , Hoek L = 40°

b)

Hoek J = Hoek L = 55° , Hoek K = 70°

c)

Deze oefening kan niet opgelost worden, we hebben te weinig gegevens.

28.

6) Bereken de hoeken H en I in de gelijkbenige ∆GHI als hoek G = 122°.

a)

Hoek G = Hoek I = 122° , Hoek H = 116°

b)

Dit is onmogelijk te bepalen.

c)

G is een stompe hoek en moet de tophoek zijn.

Hoek H = Hoek I = 29°.

29.

9) Bereken de ontbrekende hoekgrootten. ∆ABC is gelijkbenig met hoek A als tophoek.

Hoek B = Hoek A + 30°

Opmerking: Neem een extra blad of je werkboek om deze oefening uit te werken. Je kan deze oefening niet oplossen zonder iets te noteren.

a)

Hoek A = Hoek B = Hoek C = 60°

b)

Hoek A = 40° , Hoek B = Hoek C = 70°

c)

Hoek A = Hoek B = 70° , Hoek C = 40°

30.

Welke driehoek is hier afgebeeld?

a)

gelijkzijdige driehoek

b)

gelijkbenige driehoek

c)

ongelijkbenige driehoek

31.

welke driehoek is hier afgebeeld?

a)

gelijkzijdige driehoek

b)

gelijkbenige driehoek

c)

ongelijkbenige driehoek

32.

welke soort driehoek is hier afgebeeld?

a)

rechthoekige driehoek

b)

scherphoekige driehoek

c)

stomphoekige driehoek

33.

welke soort driehoek is hier afgebeeld?

a)

rechthoekige driehoek

b)

scherphoekige driehoek

c)

stomphoekige driehoek

34.

welke soort driehoek is hier afgebeeld?

a)

rechthoekige driehoek

b)

stomphoekige driehoek

c)

ongelijkbenige driehoek

d)

gelijkzijdige driehoek

35.

welke soort driehoek is hier afgebeeld?

a)

gelijkzijdige driehoek

b)

gelijkbenige driehoek

c)

scherphoekige driehoek

d)

rechthoekige driehoek

36.

welke soort driehoek is hier afgebeeld?

a)

gelijkzijdige driehoek

b)

gelijkbenige driehoek

c)

scherphoekige driehoek

d)

stomphoekige driehoek

37.

De rode rechte is een

a)

zwaartelijn

b)

hoogtelijn

c)

middelloodlijn

d)

bissectrice

38.

De rode rechte is een

a)

zwaartelijn

b)

hoogtelijn

c)

middelloodlijn

d)

bissectrice

39.

De rode rechte is een

a)

zwaartelijn

b)

hoogtelijn

c)

middelloodlijn

d)

bissectrice

40.

De rode rechte is een

a)

zwaartelijn

b)

hoogtelijn

c)

middelloodlijn

d)

bissectrice

41.

Een zwaartelijn in een driehoek is de rechte die

a)

door een hoek gaat en die in twee even grote hoeken verdeelt.

b)

door een hoek en het midden van overstaande zijde gaat.

c)

door een hoek gaat en loodrecht staat op de drager van de overstaande zijde.

d)

loodrecht en in het midden van een zijde staat

42.

Een hoogtelijn in een driehoek is de rechte die

a)

door een hoek gaat en die in twee even grote hoeken verdeelt.

b)

door een hoek en het midden van overstaande zijde gaat.

c)

door een hoek gaat en loodrecht staat op de drager van de overstaande zijde.

d)

loodrecht en in het midden van een zijde staat

43.

Een middelloodlijn in een driehoek is de rechte die

a)

door een hoek gaat en die in twee even grote hoeken verdeelt.

b)

door een hoek en het midden van overstaande zijde gaat.

c)

door een hoek gaat en loodrecht staat op de drager van de overstaande zijde.

d)

loodrecht en in het midden van een zijde staat

44.

Een bissectrice in een driehoek is de rechte die

a)

door een hoek gaat en die in twee even grote hoeken verdeelt.

b)

door een hoek en het midden van overstaande zijde gaat.

c)

door een hoek gaat en loodrecht staat op de drager van de overstaande zijde.

d)

loodrecht en in het midden van een zijde staat

45.

Als een rechte door een hoek gaat en loodrecht staat op de drager van de overstaande zijde is dat een

a)

zwaartelijn

b)

hoogtelijn

c)

middelloodliljn

d)

bissectrice

46.

Als een rechte door een hoek gaat en door het midden van de overstaande zijde is dat een

a)

zwaartelijn

b)

hoogtelijn

c)

middelloodliljn

d)

bissectrice

47.

Als een rechte door het midden van een zijde gaat en loodrecht staat op de drager van de zijde is dat een

a)

zwaartelijn

b)

hoogtelijn

c)

middelloodliljn

d)

bissectrice

48.

Als een rechte door een hoek gaat en en de bijhorende hoek in twee even grote hoeken verdeelt is dat een

a)

zwaartelijn

b)

hoogtelijn

c)

middelloodliljn

d)

bissectrice

49.

Welke bewering is waar?

a)

Een gelijkbenige driehoek heeft 3 gelijke hoeken

b)

Een rechthoekige driehoek heeft 2 symmetrieassen

c)

Een gelijkzijdige driehoek heeft drie hoeken van 60 graden

d)

Een driehoek heeft altijd drie hoeken

e)

Een rechthoekige driehoek heeft altijd een rechte hoek van 90 graden

50.

De som van de hoeken van een driehoek is...

a)

150 graden

b)

160 graden

c)

170 graden

d)

180 graden

51.

Bereken de grootte van de hoek C.

a)

210o

b)

30o

c)

20o

d)

40o

52.

Punt O in driehoek ABC is het....

a)

Zwaartepunt

b)

Hoogtepunt

53.

Welke hoek is de tophoek?

a)

Hoek A

b)

Hoek B

c)

Hoek C