Font size
WorksheetsV5 begrippen stedelijke gebieden
Total questions: 39
Worksheet time: 29mins
1. Ouderdom van de woning, 2. eigendom, 3. woningtype, 4. staat van onderhoud.
(a)
Het gescheiden wonen van verschillende bevolkingsgroepen in de stad.
(a)
De belangrijkste kenmerken van een bepaalde buurt samengevat: bewonerskenmerken, woningkenmerken en omgevingskenmerken.
(a)
1. grootte van huishoudens, 2. etniciteit, 3. inkomen, 4. gezinsfase / leeftijd.
(a)
Het verbeteren van de kwaliteit van de woningen door de overheid (1980-1990).
(a)
Wijken gebouwd tussen 1950 en 1970, waar hoogbouw wordt afgewisseld met laagbouw.
(a)
Het slopen van slechtere huurwoningen en de nieuwbouw van duurdere koopwoningen.
(a)
Het proces waarbij in een oudere wijk steeds meer woningen opgeknapt worden, waardoor er mensen met een hoger inkomen komen wonen. Hierdoor stijgen de huizenprijzen en het voorzieningenniveau in de wijk.
(a)
Woonwijk gebouwd tussen 1870 en 1920.
(a)
Alle regels die er bestaan over de inrichting van de ruimte: Wat mag waar?
(a)
Samenwerking tussen de 3 bestuurslagen: gemeente, provincie en Rijk.
(a)
De samenwerking tussen bedrijfsleven en overheid bij grote bouwprojecten.
(a)
Bedrijventerrein met kennisintensieve bedrijven, die vaak samenwerken met een universiteit.
(a)
Een economie gebaseerd op hersenkracht en dienstverlening.
(a)
De grote kloof tussen banen voor hoof- en voor laagopgeleiden.
(a)
Een stad met veel werkgelegenheid in creatieve beroepen.
(a)
Een stad die maximaal gebruik maakt van digitale technologie: computers en internet.
(a)
Een stad die energieneutraal is en afval hergebruikt, zodat toekomstige generaties er goed kunnen blijven leven.
(a)
Een nieuw stadsdeel dat meestal aan de rand van de stad ligt (gebouwd na 1995) en vooral bestaat uit gezinswoningen en dagelijkse voorzieningen.
(a)
Goedkope huurwoningen voor mensen met lagere inkomens.
(a)
Intercontinentale transportknooppunten.
(a)
Het proces van globalisering in de stedelijke samenleving, waarbij grootstedelijke functies zich concentreren in een metropool.
(a)
De afstand die klanten willen afleggen voor een voorziening.
(a)
Gebied rond een voorziening waarin de meeste mensen gebruikmaken van die voorziening.
(a)
Beleid in de ruimtelijke ordening gericht op het concentreren van bebouwing in steden.
(a)
Een wet met alle regels over de fysieke omgeving en de maatschappelijke participatie in de besluitvorming.
(a)
Beleid dat voor een onderwerp of sector van de samenleving wordt vastgesteld, zoals voor de landbouw of woningbouw.
(a)
Beleidsdocument waarin een langetermijnplanning staat voor de ruimtelijke ordening van een gebied, zoals de Randstad.
(a)
De bedrijven in de tertiaire sector die allerlei diensten aan het bedrijfsleven en de overheid bieden.
(a)
Gebied waarin een aantal steden liggen die goed met elkaar en de regio eromheen verbonden zijn.
(a)
Een nieuw stadsdeel (gebouwd na 1995) dat meestal aan de rand van de stad ligt en vooral bestaat uit gezinswoningen en dagelijkse voorzieningen.
(a)
Het afbreken van huizen en wijken en ze vervangen door nieuwbouw.
(a)
Proces waarbij mensen en bedrijven vanuit een stad naar de omringende gemeenten verhuizen.
(a)
Het opknappen van huizen.
(a)
Grote en ongewenste verschillen in welvaart en ontwikkelingskansen tussen verschillende bevolkingsgroepen.
(a)
Het gescheiden wonen van verschillende bevolkingsgroepen in een stad.
(a)
Hoefijzervormig stedelijk gebied waarvan Amstedam, Utrecht, Rotterdam en Den Haag de belangrijkste steden vormen.
(a)
Stadsvernieuwing waarbij het opvullen van open plekken en vrijgekomen ruimte en nieuwbouw grenzen aan de stad het uitgangspunt is.
(a)
De omvang van een gebied waarop een vraagstuk zich afspeelt, zoals een buurt, wijk, gemeente, regio, land enzovoort (a)
