wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

TH1 Thema 6 basisstof 1 t/m 4 + 7

Total questions: 28

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

Welk onderdeel van de stamper kan stuifmeelkorrels opvangen?

a)

De Stempel

b)

De Stijl

c)

Het Vruchtbeginsel

2.

Kelkbladeren zijn meestal....

a)

Opvallend gekleurd

b)

Groen

3.

Bij welk type bloemen steken de helmknoppen en stempels vaak buiten de bloem uit?

a)

Bij insectenbloemen

b)

Bij windbloemen

4.

Stuifmeelkorrels zijn de mannelijke geslachtscellen van een plant

a)

Juist

b)

Onjuist

5.

Nectar wordt gebruikt door insectenbloemen om insecten te lokken

a)

Juist

b)

Onjuist

6.

Dit is een..

a)

Windbloem

b)

Insectenbloem

7.

De kroonbladeren hebben nummer

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

8.

Op dit plaatje zie je..

a)

Wel bestuiving, geen bevruchting

b)

Wel bestuiving, wel bevruchting

c)

Geen bestuiving, Wel bevruchting

d)

Geen bestuiving, geen bevruchting

9.

Op welke manier verspreidt deze plant zijn zaden?

a)

Door de wind

b)

Door de plant zelf

c)

Door dieren

d)

Door het water

10.

In de afbeelding is met onderdeel 1 een deel van de sperzieboon aangegeven. Welk deel van de bloem was dit?

a)

Dit waren de kroonbladeren

b)

Dit waren de meeldraden

c)

Dit was de stamper

d)

Dit waren de kelkbladeren

11.

Deel Q is ontstaan uit de bloemsteel.

a)

Ja

b)

Nee

12.

Een tomaat heeft veel zaden. Is bij de vorming van een tomaat slechts één stuifmeelkorrel betrokken geweest?

a)

Ja

b)

Nee

13.

Is bij de vorming van een tomaat slechts één vruchtbeginsel betrokken geweest?

a)

Ja

b)

Nee

14.

Als de stamper van een appelbloem niet wordt bestoven

a)

Ontstaat een appel zonder zaden

b)

Ontstaat een appel met zaden

c)

Ontstaat geen appel

15.
Welk geslacht heeft deze bloem?
a)
Mannelijk
b)
Vrouwelijk
c)
Mannelijk en vrouwelijk
d)
Ongeslachtelijk
16.
Welke pijl stelt kruisbestuiving voor?
a)
Pijl 1
b)
Pijl 2
c)
Pijl 3
d)
Pijl 4
17.
Wat is een kiem?
a)
Een jong plantje.
b)
Een plant met een éénjarige levenscyclus.
c)
Deel van een zaad met reservevoedslel.
d)
Het begin van een nieuw plantje.
18.
Wat is zelfbestuiving?
a)
Stuifmeel gaat naar een bloem binnen dezelfde plant. 
b)
Stuifmeel gaat naar een bloem van een andere plant, van dezelfde soort.
c)
Buis die naar de eicel toegroeit.
d)
Het overbrengen van stuifmeel naar een bloem van dezelfde soort.
19.

Wat betekent ontkiemen?

a)

Zaadjes verspreiden door de wind

b)

Er gaat een plan groeien

c)

De zaadlobben sterven af

d)

Er groeit een plantje uit het zaadje

20.

Wat is de functie van zaadlobben?

a)

Het is de opening waar water doorheen komt voor het kiemplantje.

b)

Ze zorgen voor reservevoedsel voor het groeien van het kiemplantje.

c)

Hieraan zat het zaadje vast aan de moederplant.

d)

De zaadlobben hebben geen functie.

21.

Bij welke manier van verspreiden hoort dit zaadje?

a)

Verspreiding door de wind

b)

Verspreiding door dieren

c)

Verspreiding door de plant zelf

22.

Bij welke manier van verspreiding hoort dit zaadje?

a)

Door de wind

b)

Door dieren

c)

Door de plant zelf

23.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat zie je bij afbeelding 4?

a)

een volwassen boonplant

b)

een vrucht met zaden

c)

de boonplant gaat zich voortplanten

d)

de kiemblaadjes komen eruit

24.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat zie je bij afbeelding 9?

a)

een volwassen boonplant

b)

een vrucht met zaden

c)

de boonplant gaat zich voortplanten

d)

de zaadlobben krimpen; de boonplant wordt groter

25.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat zie je bij afbeelding 7?

a)

een volwassen boonplant

b)

de zaadhuid valt af

c)

de zaadhuid barst open; het worteltje komt eruit

d)

de zaadlobben krimpen; de boonplant wordt groter

26.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat zie je bij afbeelding 6?

a)

een volwassen boonplant

b)

de zaadhuid valt af

c)

de zaadhuid barst open; het worteltje komt eruit

d)

de zaadlobben krimpen; de boonplant wordt groter

27.

Waar bevindt bevruchting plaats?

a)

op de stamper

b)

op de bij

c)

in de lucht

d)

in het zaadbeginsel

28.

Als de stamper van een appelbloem niet wordt bestoven

a)

Ontstaat een appel zonder zaden

b)

Ontstaat een appel met zaden

c)

Ontstaat geen appel