wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenen Bio erfelijkeheid 2H

Total questions: 53

Worksheet time: 36mins

Name
Class
Date
1.
Voorbeelden van rudimentaire organen bij de mens zijn:
a)
dunne dram en staartbeen
b)
dunne darm en blinde darm
c)
blinde darm en staartbeen
2.

Door middel van DNA kan worden nagegaan of twee dieren verwant zijn.

a)

Waar

b)

Niet waar

3.
Dieren waren de eerste organisme die op de aarde leefden.
a)
Waar
b)
Niet waar
4.

Alle organisme delen één voorouder met elkaar volgens de evolutietheorie.

a)

Waar

b)

Niet waar

5.

Waarom zijn fossielen een belangrijk argument voor de evolutietheorie?

a)

Door fossielen kunnen we aantonen dat door de loop van de tijd soorten zijn ontstaan, verdwenen en veranderd.

b)

Door fossielen weten we de afstamming van alle soorten

c)

Uit fossielen kan DNA worden gehaald. Dit DNA geeft aan dat door de loop van de tijd soorten zijn ontstaan, verdwenen en veranderd.

d)

Fossielen geven te weinig informatie over de evolutie van soorten en het is een te zwak argument voor de evolutietheorie.

6.

In welke periode leven we nu? afb. 52

a)

cenozoïcum

b)

kwartair

c)

MJG

d)

tertiair

7.

Welke overeenkomsten in soorten worden als een verklaring voor de evolutietheorie gegeven? (meerdere antwoorden)

a)

fossielen

b)

DNA

c)

rudimentaire organen

d)

overeenkomst in bouw

e)

embryo ontwikkeling

8.

Tijdens welke periode was het het warmst op aarde?

a)

Carboon

b)

Devoon

c)

Krijt

d)

Pleistoceen

9.

Wat is het genotype?

a)

de informatie voor een erfelijke eigenschappen van een individu

b)

alle waarneembare eigenschappen

c)

Als het DNA in één cel

d)

een gedeelte van een chromosoom dat informatie bevat voor een eigenschap

10.

Alle zichtbare eigenschappen van een organisme noemen we

a)

Fenotype

b)

Genotype

11.

In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir en zijn moeder. Heeft het jonge dier hetzelfde fenotype als het volwassen dier?

a)

juist

b)

onjuist

12.

In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir en zijn moeder. Heeft het jonge dier hetzelfde genotype als het volwassen dier?

a)

juist

b)

onjuist

13.

Sara heeft een broertje Thijs en een zusje Anna. Hebben Sara, Thijs en Anna hetzelfde DNA?

a)

juist

b)

onjuist

14.

Dit plaatje is een voorbeeld van verandering in

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Dna

d)

Milieu

15.

John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor dik geworden. Is er bij John het fenotype veranderd?

a)

Zeker

b)

nee, dat verandert nooit

16.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

bij de vorming van de eicel

b)

bij de bevruchting

c)

bij de geboorte

17.

DNA bevindt zich bij de mens in

a)

het cytoplasma

b)

de celkern

c)

het kernlichaampje

18.

Geslachtschromosomen bepalen of je man bent of vrouw. Welke combinatie is juist.

a)

XY = vrouw

b)

XY = man

19.

Een dominant gen komt altijd tot uiting

a)

Juist

b)

Onjuist

20.

Een eeneiige tweeling ontstaat uit....

a)

Een eicel en een zaadcel

b)

Een eicel en twee zaadcellen

c)

Twee eicellen en een zaadcel

d)

Twee eicellen en twee zaadcellen

21.

Wat bepaalt het geslacht van een baby?

a)

het geslachtschromosoom in de spermacel

b)

het geslachtschromosoom in de eicel

22.

Hoeveel chromosomen zitten er in een lichaamscel van de mens?

a)

23

b)

46

c)

32

d)

64

23.

Een gen bevat informatie over ...

a)

alle erfelijke eigenschappen

b)

1 erfelijke eigenschap

c)

al het DNA

24.

In DNA wordt de stikstofbase adenine (A) gekoppeld met:

a)

A

b)

T

c)

C

d)

G

25.

Welk deel van je DNA is afkomstig van je moeder?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

100%

26.

Wat zijn allelen?

a)

Verschillen tussen chromosomen

b)

Verschillende variaties van een gen

c)

De volgorde van nucleotiden in DNA

d)

De plaats op het DNA van een bepaald gen

27.

Zitten er genen voor speeksel in cellen van de lever?

a)

Nee, die zijn daar niet nodig

b)

Ja, de lever breekt het speeksel weer af

c)

Ja, maar hier zijn deze genen inactief

28.

Een kat heeft in een lichaamcel 38 chromosomen. Hoeveel zitten er dan is een geslachtscel?

a)

38

b)

19

c)

18

d)

76

29.

Wat is de juiste omschrijving bij het begrip evolutie?

a)

Evolutie is een ontwikkeling, waarbij steeds ingewikkelder gebouwde organismen ontstaan

b)

Evolutie is de geleidelijke ontwikkeling van het leven op aarde, waarbij soorten ontstaan, veranderen en/of verdwijnen

c)

Evolutie is het ontstaan van een nieuwe soort, doordat een andere soort uitsterft.

30.
Wie verzon de evolutie theorie?
a)
Albert Einstein
b)
Leonardo da Vinci
c)
Apollo
d)
Charles Darwin
31.

Het lichaam van onze voorouders is veranderd door erfelijke variatie en natuurlijke selectie

a)

waar

b)

niet waar

32.

In een bepaalde populatie komen ongeveer evenveel slakken met lichtgekleurde huisjes voor als slakken met donkergekleurde huisjes. De kleur van de huisjes is erfelijk bepaald. Door een verandering in de omgeving wordt de ondergrond waarop ze leven donkerder. Vogels eten daardoor slakken met lichte huisjes eerder op dan die met donkere. Na een paar generaties blijken er in die populatie bijna geen slakken met lichte huisjes meer te zijn. Is er in deze populatie sprake van selectie?

a)

Nee

b)

Ja, van kunstmatige selectie

c)

Ja, van seksuele selectie

d)

Ja, van natuurlijke selectie

33.

Is dit een fossiel?

a)

Ja

b)

Nee

34.

Aan welke groep zijn de gorilla’s het meest verwant volgens de stamboom?

a)

aan de apen van de oude wereld

b)

aan de apen van de nieuwe wereld

c)

aan de chimpansees

d)

aan de gibbons

35.

Door isolatie kunnen nieuwe soorten ontstaan. Wat is kenmerkend voor een soort in de biologie?

a)

Als ze qua uiterlijk op elkaar lijken

b)

Als ze hetzelfde eten

c)

Als ze nakomelingen kunnen krijgen

d)

Als ze vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen

36.
Is straling een mutagene invloed?
a)
juist
b)
onjuist
37.
Is een albino een mutant? 
a)
juist
b)
onjuist
38.

Wat zijn de 4 stikstofbasen?

a)

adenine, thymine, cytoplasma, and guanine

b)
adenine, thymine cytosine, and guanine
c)

adenine, thymine, cytosine, and glycerol

d)
adenine, thymine, cytosine, and glucose
39.

Wat is biotechnologie?

a)

Nuttige producten maken door gebruik te maken van levende systemen en organismen

b)

Een gebied van biotechnologie dat is gecentreerd rond het gebruik van DNA.

c)

Het doel om een ​​genetische kopie van een heel organisme te reproduceren.

40.

_______ is elke wijziging van het DNA van een organisme met behulp van biotechnologie.

a)

Klonen

b)

DNA fingerprinting

c)

Genetsche modificatie

d)

Humane Genome Project

41.

Welke van de volgende kan de kans van mutatie verhogen?

a)

UV-straling

b)

Virussen

c)

Toxische chemicalien

d)

alle bovenstaande antwoorden

42.

Hoeveel chromosomen heeft een cel van de maagwand?

a)

2

b)

23

c)

46

d)

Dat kun je niet weten

43.

Een vrouw heeft

a)

XX chromosomen

b)

XY chromosomen

c)

YY chromosomen

44.

Is een genotype te veranderen?

a)

ja

b)

nee

45.

Is een fenotype te veranderen?

a)

ja

b)

nee

46.

Bij het kleuren van haar verander je ook je genotype

a)

waar

b)

niet waar

47.

Stoffen in sigarettenrook en asbest horen bij mutagene invloeden

a)

waar

b)

niet waar

48.

Fons zegt: Tweeeiige tweelingen hebben allebei hetzelfde genotype

Maarten zegt: Eeneiige tweelingen hebben allebei hetzelfde fenotype


Wie heeft gelijk?

a)

Alleen Fons heeft gelijk

b)

Alleen Maarten heeft gelijk

c)

Fons en Maarten hebben beide ongelijk

d)

Fons en Maarten hebben beide gelijk

49.

Zolang dieren zich onderling kunnen voortplanten, behoren ze tot dezelfde soort.

Juist of onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

50.

Van een nest met vier jonge uilen gaan twee jongen dood doordat ze minder goed om voedsel bedelen bij de ouders.

Dit is een voorbeeld van natuurlijke selectie.

Juist of onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

51.

Bij kanker gaat een cel zich ongeremd delen door mutaties.

Juist of onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

52.

Wat voor een tweeling komt hier uit?

a)

Een-eiig

b)

Twee-eiig

c)

Twee een-eiige tweelingen

d)

Twee twee-eiige tweelingen

53.

D2

Twee uitspraken over het ontstaan van nieuwe soorten:


Uitspraak 1: Er is sprake van twee nieuwe soorten als twee groepen organismen niet meer in staat zijn onderling voort te planten

Uitspraak 2: Bij het ontstaan van nieuwe soorten is het belangrijk dat een groep organismen geisoleerd raakt van een andere groep soortgenoten

a)

Alleen uitspraak 1 is juist

b)

Alleen uitspraak 2 is juist

c)

Beide uitspraken zijn juist

d)

Beide uitspraken zijn onjuist