Font size
WorksheetsKlasse 3 Kapitel 1 Lernliste Seite 48 N-D
Total questions: 82
Worksheet time: 1hrs 22mins
de berg
(a)
het bos
(a)
de lucht
(a)
het meer
(a)
de mist
(a)
de plaats
(a)
de regen
(a)
de rivier
(a)
de sneeuw
(a)
het verkeer
(a)
de wind
(a)
het eiland
(a)
de natuur
(a)
de omgeving
(a)
de streek
(a)
de wolk
(a)
de zon
(a)
het dal
(a)
het dorp
(a)
de ijzel
(a)
het onweer
(a)
het weer
(a)
de zee
(a)
in januari
(a)
in februari
(a)
in maart
(a)
in april
(a)
in mei
(a)
in juni
(a)
in juli
(a)
in augustus
(a)
in september
(a)
in oktober
(a)
in november
(a)
in december
(a)
op het platteland
(a)
in de herfst
(a)
in de lente
(a)
in de winter
(a)
in de zomer
(a)
in het noorden
(a)
in het oosten
(a)
in het westen
(a)
in het zuiden
(a)
het hagelt
(a)
het regent
(a)
het vriest
(a)
het sneeuwt
(a)
het waait
(a)
de zon schijnt
(a)
er is, er zijn
(a)
kamperen
(a)
wandelen
(a)
barbecueën
(a)
druk, hectisch
(a)
glad
(a)
koud
(a)
kouder
(a)
meer
(a)
meestal
(a)
minder
(a)
rustig
(a)
stijl
(a)
vlak
(a)
warm
(a)
warmer
(a)
het strand
(a)
de stad
(a)
het land
(a)
blijven
(a)
voetballen
(a)
zien
(a)
's avonds
(a)
's middags
(a)
vanmorgen
(a)
altijd
(a)
vaak
(a)
goed
(a)
beter
(a)
heet
(a)
saai
(a)
de excursie
(a)
