wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Th 2 DNA BS 1 - 3_5H

Total questions: 24

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Hoeveel basenparen zie je hier?

a)

2

b)

4

c)

6

d)

12

2.

Waar vindt de transcriptie plaats?

a)

In de mitochondrium

b)

In het cytoplasma

c)

In de kern

d)

In het endoplasmatisch reticulum

3.

Het gebied op het DNA dat codeert voor het vormen van een bepaald eiwit wordt ook wel …. genoemd

a)

Chromosoom

b)

Codon

c)

DNA

d)

Gen

e)

Anticodon

4.

Een gen bevat de code voor het maken van ....

a)

Een eiwit

b)

Een ribosoom

c)

Een nucleotide

d)

Een aminozuur

5.

Het hele proces van overschrijven van DNA op mRNA en het uiteindelijke vormen van een functioneel eiwit noem je...

a)

transcriptie

b)

translatie

c)

eiwitsynthese

d)

exocytose

6.

Eiwitten bestaan uit ...

a)

Stikstofbasen

b)

Codons

c)

mRNA

d)

Aminozuren

7.

Welk proces vindt er plaats op deze tekening?

a)

transcriptie

b)

transfer-RNA creëert basen

c)

translatie

d)

DNA-helix wordt opengevouwen

8.

Wat is de correcte aminozuursequentie voor de mRNA code AUGCCAGUAUGA?

a)

Met-Pro-Val-Stop

b)

Met-Pro-Arg-Stop

c)

Met-Tyr-Gly-His

d)

Tyr-Gly-Arg-His

9.

Welk proces wordt hier voorgesteld?

a)

translatie

b)

replicatie

c)

mitose

d)

transcriptie

10.

Maak de transcriptie van de DNA-sequentie : TACGTTACT

a)

AUGGATUGA

b)

ATGCAATGA

c)

AUGCAAUGA

d)

TACGTTACT

11.

Welke processen vinden plaats op de tekening

a)

transcriptie en translatie

b)

replicatie

c)

replicatie en translatie

d)

replicatie, transcriptie en translatie

12.

Het belangrijkste enzym gerelateerd aan transcriptie is:

a)

gyrase

b)

DNA-polymerase

c)

ligase

d)

RNA-polymerase

13.

Bij welk van onderstaande processen vindt verdubbeling van het DNA plaats voor celdeling?

a)

Recombinatie

b)

Transcriptie

c)

Translatie

d)

Replicatie

14.

Zet op volgorde van klein naar groot

a)

DNA-genoom-celkern-chromosoom-cel

b)

Genoom-DNA-chromosoom-celkern-cel

c)

DNA-chromosoom-genoom-celkern-cel

d)

Genoom-chromosoom-celkern-genoom-cel

15.

Waar in de cel bevinden zich losse nucleotiden?

a)

In het kernmembraan

b)

In het kernplasma

c)

In het cytoplasma

d)

In een ribosoom

16.

Wat is geen verschil tussen DNA en RNA?

a)

Uracil in RNA in plaats van Thymine in DNA

b)

RNA is dubbelstrengs, DNA enkelstrengs

c)

In DNA zit desoxyribose, in RNA ribose

d)

RNA kan de celkern uit, DNA niet

17.

Het triplet TAC in het DNA ondervindt een mutatie. Wat is het effect in de ribosomen?

a)

Er wordt een korter eiwit gebouwd

b)

Er wordt een korter eiwit gebouwd

c)

Er wordt een foutief, niet werkend eiwit gebouwd

d)

Er wordt geen eiwit gebouwd

18.

Transcriptie is ...

a)

Het overschrijven van de mRNA-code op aminozuren

b)

Het overschrijven van de mRNA-code op DNA

c)

Het overschrijven van de DNA-code op mRNA

d)

Het overschrijven van de DNA-code op aminozuren

19.

De code voor een aminozuur noem je een codon en is ..... stikstofbasen lang

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

20.

Wat is de rol van het ER (endoplasmatisch reticulum) bij de eiwitsynthese?

a)

Maken van eiwit

b)

Vouwen en vervoeren van eiwit

c)

Aflezen van DNA-code

d)

Exocytose

21.

volgorde van replicatie

a)
3, 4, 2, 1
b)
3, 1, 4, 2
c)
2, 1, 4, 3
d)
3, 4, 1, 2
22.

U krijgt de DNA-streng 5'ATGCTCAGCTGA3'. Wat is de bijbehorende DNA-streng?

a)

5'UACGAGUCGACU3'

b)

5'TACGAGTCGACT3'

c)

3'UACGAGUCGACU5'

d)

3'TACGAGTCGACT5'

23.

Als een DNA-molecuul voor 29% uit guanine bestaat, hoeveel cytosine zal het dan bevatten?

a)
29%
b)
58%
c)
21%
d)
I have no idea.
24.

Waar vindt de transcriptie plaats?

a)

In de celkern

b)

In het cytoplasma