wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling wwg, ond, lv, mv, bwb

Total questions: 17

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

De kat speelt in de tuin.

a)

De kat

b)

speelt

c)

speelt in de tuin

d)

in de tuin

2.

Wat is het onderwerp in de volgende zin?

Mijn vriendin bakt elke week heerlijke taarten voor haar buren.

a)

Mijn vriendin

b)

bakt

c)

bakt heerlijke taarten

d)

heerlijke taarten

3.

Welk woord is het lijdend voorwerp in deze zin?

Hij heeft een interessant boek gelezen.

a)

Hij

b)

heeft

c)

een interessant boek

d)

gelezen

4.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?

Ze gaf haar broer een groot cadeau voor zijn verjaardag.

a)

Ze

b)

gaf

c)

haar broer

d)

een cadeau

5.

Wat is het onderwerp in de volgende zin?

De leerlingen luisterden aandachtig naar de leraar.

a)

De leerlingen

b)

luisterden

c)

aandachtig

d)

naar de leraar

6.

Welke zinsdeel is een bijwoordelijke bepaling in de volgende zin?

Hij rende razendsnel naar de trein aan de overkant van het perron.

a)

Hij

b)

rende

c)

razendsnel

d)

razendsnel, aan de overkant van het perron

7.

Welk woord is het lijdend voorwerp in deze zin?

Ik heb gisteren in de keuken de taart gebakken.

a)

Ik

b)

heb

c)

de taart

d)

gebakken

8.

Welk zinsdeel is een bijwoordelijke bepaling in de volgende zin?

Ze zongen vrolijk tijdens het concert.

a)

zongen

b)

vrolijk

c)

vrolijk, tijdens het concert

d)

het concert

9.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?

Er wordt een kerstival op Pieter Groen georganiseerd.

a)

wordt

b)

kerstival

c)

op Pieter Groen

d)

georganiseerd

10.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?

De leraar reikte de topsporter de grote prijs uit.

a)

De leraar

b)

reikte uit

c)

de topsporter

d)

een prijs

11.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

De auto rijdt heel erg snel over de vernieuwde snelweg.

a)

De auto

b)

rijdt

c)

rijdt heel erg snel

d)

over de vernieuwde snelweg

12.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in deze zin?

Een groep deelnemers van de bijeenkomst heeft de voorzitter een voorstel gedaan om luchtvervuiling tegen te gaan.

a)

Een groep deelnemers van de bijeenkomst

b)

heeft

c)

een voorstel

d)

heeft, gedaan, te gaan

13.

Wat is het onderwerp in deze zin?

Een groep deelnemers van de bijeenkomst heeft de voorzitter een voorstel gedaan om luchtvervuiling tegen te gaan.

a)

Een groep deelnemers

b)

Een groep deelnemers van de klimaatvergadering

c)

de voorzitter

d)

om luchtvervuiling

14.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Een groep deelnemers van de bijeenkomst heeft de voorzitter een voorstel gedaan om luchtvervuiling tegen te gaan.

a)

Een groep deelnemers van de bijeenkomst

b)

een voorstel

c)

om luchtvervuiling

d)

gedaan

15.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin

Een groep deelnemers van de bijeenkomst heeft de voorzitter een voorstel gedaan om luchtvervuiling tegen te gaan.

a)

Een groep deelnemers van de klimaatvergadering

b)

heeft

c)

de voorzitter

d)

een voorstel

16.

Wat zijn de bijwoordelijke bepalingen in deze zin?

De koning heeft gisteren de maatregelen snel en effectief ingevoerd.

a)

heeft

b)

gisteren

c)

gisteren, snel

d)

gisteren, snel, effectief

17.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?

De koning van Egypte geeft elk jaar een groot feest.

a)

De koning van Egypte

b)

geeft

c)

elk jaar

d)

een groot feest