wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

kader hoofdstuk 1

Total questions: 36

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Wat voor behoefte staat op de foto?

a)

Basisbehoefte

b)

Overige behoefte

c)

Geen behoefte

2.

Welk middel staat op de afbeelding

a)

Tijd

b)

Geld

c)

Schaarste

3.

Wat is een andere bewoording voor overige behoeften?

a)

Schaarste

b)

Luxegoederen

c)

Prioriteiten stellen

d)

Zelfvoorziening

e)

Directe ruil

4.

Vaak heb je niet genoeg middelen om in al je behoeften te voorzien. Dit is de definitie van welk begrip?

a)

Tijd

b)

Geld

c)

Schaarste

5.

Welke begrip hoort bij deze omschrijving: "Het voorzien in de eigen behoeften"

a)

Indirecte ruil

b)

Directe ruil

c)

Prioriteiten stellen

d)

Zelfvoorziening

6.

Als je eerst eten en drinken koopt en later kijkt hoeveel geld je over hebt om op vakantie te gaan. Wat doe je dan?

a)

Indirecte ruil

b)

Directe ruil

c)

Prioriteiten stellen

d)

Zelfvoorziening

7.

De afbeelding is een voorbeeld van?

a)

Indirecte ruil

b)

Directe ruil

c)

Prioriteiten stellen

d)

Zelfvoorziening

8.
Je bent consument als je.....
a)
Iets koopt om je behoeften te voorzien
b)
iets verkoopt om je behoeften te voorzien
c)
iets maakt om te verkopen
d)
iets verkoopt om te kopen
9.
Wat is consumeren ?
a)
Het kopen van goederen en diensten
b)
Het verkopen van goederen
c)
Het kopen van goederen
d)
Het aanbieden van diensten
10.
Je broer heeft een schitterende smartphone reclame gezien en vindt dat jij dat mobieltje moet kopen. Wat is dit ?
a)
Sociale beïnvloeding
b)
Commerciële beïnvloeding
c)
Geen van beiden
d)
Zowel sociaal als commercieel
11.
Wat is een voorbeeld van commerciële beïnvloeding ?
a)
Een klasgenoot vindt dat je een bepaald product beter niet kan kopen
b)
In de winkel kies je altijd het goedkoopste brood
c)
Je koopt altijd hetzelfde merk frisdrank
d)
Je zou net zo goed willen zijn als de man van de chocolade reclame
12.

Wat is welvaart?

a)

alle behoeften die je hebt

b)

een overzicht van je inkomsten en uitgaven

c)

alle wensen die je hebt

d)

in hoeverre jij in je behoeften kunt voorzien

13.

Je bent een ____ als je goederen en diensten koopt om in je behoeften te voorzien.

a)

producten

b)

consument

c)

producent

d)

fabrikant

14.

welke soort reclame bestaat niet?

a)

cruciale reclame

b)

commerciële reclame

c)

ideële reclame

d)

informatieve reclame

15.

Welke uitspraak is juist?

a)

A- en B-merken zijn moeilijk verkrijgbaar.

b)

A-merken zijn altijd beter van kwaliteit.

c)

A-merken zijn duurder dan B-merken.

d)

Huismerkproducten zijn verse producten.

16.

Als je loon met 2,5% stijgt en de inflatie is 1,5%. Wat is dan de verandering van je koopkracht in procenten?

a)

+1%

b)

+4%

c)

-1%

d)

-4%

17.

De advertentie van Coolblue is een voorbeeld van?

a)

Commerciële reclame

b)

Ideële reclame

c)

Sluikreclame

18.

Als je kinderbijslag krijgt, welke vorm van inkomen krijg je dan?

a)

Inkomen uit arbeid

b)

Inkomen uit bezit

c)

Overdrachtsinkomen

d)

Inkomen in natura

19.

Geert is 78 jaar en moet rondkomen van alleen een AOW-uitkering. AOW is een voorbeeld van...

a)

Inkomen uit arbeid

b)

Inkomen uit bezit

c)

Inkomen uit overdrachten

d)

Loon in natura

20.

Koopkracht is ..

a)

De mate waarin je in je behoeften kunt voorzien

b)

De middelen in zetten

c)

Alle noodzakelijke behoeften bevredigen

d)

Alle luxebehoeften bevredigen

21.

Vrije goederen zijn ..

a)

Goederen waarvoor je middelen in moet zetten om ze te verkrijgen

b)

Goederen die zonder de inzet van middelen te verkrijgen zijn

c)

Water

d)

Een auto

22.

In welke stelling staat een juiste reden waarom bedrijven jongeren als een interessante doelgroep zien?

a)

Jongeren hebben over het algemeen veel geld vrij te besteden

b)

Jongeren kiezen toch welke boodschappen hun ouders doen

23.

De 6 p's worden ook wel de ... genoemd

a)

Alles wat een bedrijf doet om de verkopen te laten toenemen

b)

Product, plaats, promotie, prijs, presentatie, personeel

c)

Winst maken

d)

Marketingmix

24.

Welke P hoort bij: Sportzaak Sports4All sponsort sportverenigingen in de omgeving.

a)

Prijs

b)

Plaats

c)

Promotie

d)

Personeel

25.

Welke P hoort bij: Tina heeft een theewinkeltje waar ze producten van 1 merk verkoopt.

a)

Prijs

b)

Plaats

c)

Product

d)

Promotie

26.

Informatie van reviewsites is altijd onpartijdig.

a)

Ja, want ze zijn door consumenten geschreven

b)

Ja, want iedereen kan ze schrijven

c)

Nee, want je kunt niet controleren of ze door consumenten zijn geschreven

d)

Nee, want het is geschreven door producenten

27.

In welke regel staan alleen maar consumentenorganisaties?

a)

Rover, ANWB, Vereniging Eigen Huis en de Consumentenbond

b)

Rover en de Hema

c)

Vereniging Eigen Huis, Fairtrade, Kieskeurig

d)

Gezonde vinkje, Consumentenbond, ANWB

28.

Welke vorm van inkomen herken je? :"Je krijgt drie hamburgers mee naar huis voor het werken bij de MacDonalds"

a)

Inkomen uit arbeid

b)

Inkomen in natura

c)

Inkomen uit bezit

d)

Inkomen uit overdracht

29.

Wat voor soort uitgaven is het? •hypotheek?

a)

Incidentele uitgaven

b)

Vaste lasten

c)

Dagelijkse uitgaven

30.

Wat voor soort uitgaven is het? •de huur

a)

Incidentele uitgaven

b)

Vaste lasten

c)

Dagelijkse uitgaven

31.

Wat voor soort uitgaven is het? •abonnementen

a)

Incidentele uitgaven

b)

Vaste lasten

c)

Dagelijkse uitgaven

32.

Wat voor soort uitgaven is het? •uitgaan

a)

Incidentele uitgaven

b)

Vaste lasten

c)

Dagelijkse uitgaven

33.

Wat voor soort uitgaven is het? •huishoudelijke apparaten

a)

Incidentele uitgaven

b)

Vaste lasten

c)

Dagelijkse uitgaven

34.

Wat voor soort uitgaven is het? •Make up

a)

Incidentele uitgaven

b)

Vaste lasten

c)

Dagelijkse uitgaven

35.

Wat voor soort uitgaven is het? •boodschappen

a)

Incidentele uitgaven

b)

Vaste lasten

c)

Dagelijkse uitgaven

36.

Wat voor soort uitgaven is het? •rekeningen van gas/elektra

a)

Incidentele uitgaven

b)

Vaste lasten

c)

Dagelijkse uitgaven