wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

duits - v3 - kap1 - zwakke werkwoorden

Total questions: 68

Worksheet time: 34mins

Name
Class
Date
1.

voltdw => öffnen = Meine Schwester hat die Tür (a)  

2.

voltdw => bluten = Seine Nase hat (a)  

3.

voltdw => antworten = ich habe (a)  

4.

voltdw => genügen = das hat (a)  

5.

voltdw => machen = Was hast du gestern (a)   ?

6.

voltdw => reden = Worüber hast du (a)   ?

7.

Verltijd =>leben = Elefanten (a)  

8.

Verltijd =>passen = Die Schuhe (=meervoud) (a)  

9.

Verltijd =>wohnen = ich (a)  

10.

Verltijd =>baden = (a)   ihr gerne im Meer?

11.

Verltijd =>stören = Sie (a)  

12.

Verltijd =>antworten = Warum (a)   ihr nicht?

13.

Verltijd =>passen = Die blaue Hose (a)  

14.

Verltijd =>erzählen = Sabine (a)  

15.

Verltijd =>mieten = (a)   Ihr in Frankreich ein Ferienhaus?

16.

Verltijd =>schmecken = Der Kuchen (a)  

17.

Verltijd =>arbeiten = (a)   du immer so spät?

18.

Verltijd =>brauchen = du (a)  

19.

Verltijd =>klopfen = Sie (a)  

20.

Verltijd =>spenden = wir (a)  

21.

Verltijd =>stimmen = das (a)  

22.

Verltijd =>landen = Die Flugzeuge (=meervoud) (a)  

23.

Verltijd =>regnen = Es (a)   sehr hart!

24.

Verltijd =>kaufen = Klaus (a)  

25.

Verltijd =>kochen = Mutter (a)  

26.

Verltijd =>sagen = ihr (a)  

27.

Verltijd =>schicken = ihr (a)  

28.

Verltijd =>schaden = Ein bisschen Schnee (a)   ja nicht.

29.

Verltijd =>erzählen = du (a)  

30.

Verltijd =>verdienen = Alle Profi-Fußballspieler (a)   viel Geld

31.

Verltijd =>zeigen = wir (a)  

32.

Verltijd =>bluten = Seine Nase (a)  

33.

Verltijd =>drohen = Der Entführer (a)  

34.

Verltijd =>brauchen = wir (a)  

35.

Verltijd =>holen = sie (mv) (a)  

36.

Verltijd =>reden = Worüber (a)   ihr die ganze Zeit?

37.

Verltijd =>begleiten = (a)   du mich?

38.

Verltijd =>entschuldigen = Sie (a)  

39.

Verltijd =>begleiten = (a)   ihr uns?

40.

Verltijd =>atmen = Er (a)   sehr schnell!

41.

Verltijd =>warnen = Die Polizei (a)  

42.

Verltijd =>bezahlen = ihr (a)  

43.

Verltijd =>trösten = Die Mütter (=meervoud) (a)  

44.

Verltijd =>frühstücken =ihr (a)  

45.

Verltijd =>surfen = du (a)  

46.

Verltijd =>reichen = Es (a)  

47.

Verltijd =>sagen = du (a)  

48.

Verltijd =>kaufen = ich (a)  

49.

Verltijd =>rauchen = du (a)  

50.

Verltijd =>brauchen = ihr (a)  

51.

Verltijd =>warten = wir (a)  

52.

Verltijd =>tanzen = ich (a)  

53.

Verltijd =>schicken = du (a)  

54.

Verltijd =>putzen = wir (a)  

55.

Verltijd =>lernen = Klaus (a)  

56.

Verltijd =>drohen = Die Entführer (=meervoud) (a)  

57.

Verltijd =>genügen = das (a)  

58.

Verltijd =>suchen = Sie (a)  

59.

Verltijd =>spielen = du (a)  

60.

Verltijd =>stören = ich (a)  

61.

Verltijd =>merken = du (a)  

62.

Verltijd =>tanzen = Sie (a)  

63.

Verltijd =>putzen = Meine Mutter (a)  

64.

Verltijd =>reden = Worüber (a)   du?

65.

Verltijd =>bestellen = du (a)  

66.

Verltijd =>bezahlen = ich (a)  

67.

Verltijd =>holen = du (a)  

68.

Verltijd =>spazieren = ich (a)